ECLI:NL:RBAMS:2008:BD9577
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Geen toestemming echtgenote vereist voor borgstelling normale bedrijfsvoering vennootschappen
De zaak betreft een geschil over de borgstellingen die A heeft afgegeven voor kredieten verstrekt aan vennootschappen waarvan hij bestuurder en (middellijk) enig aandeelhouder is. Deutsche Bank vordert betaling van openstaande bedragen op grond van twee borgtochten, terwijl B, de echtgenote van A, stelt dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de eerste borgtocht en dat haar toestemming voor de tweede borgtocht vernietigbaar is wegens dwaling.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 1:88 lid 5 BW Pro geen toestemming van de echtgenote vereist is voor borgstellingen die worden afgegeven door een bestuurder en aandeelhouder ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van de vennootschappen. Dit is hier het geval voor de eerste borgtocht. De tweede borgtocht vereiste wel toestemming, welke is gegeven door ondertekening van een brief. Het beroep op vernietiging wegens dwaling faalt omdat het voor B duidelijk had moeten zijn dat de brief uit twee pagina's bestond.
Verder stelt A dat de tweede borgtocht is vervallen toen het debetsaldo onder een afgesproken bedrag kwam. De rechtbank oordeelt dat de brief van Deutsche Bank geen ondubbelzinnige termijn voor vrijgave bevatte en dat het beroep op verval in strijd is met redelijkheid en billijkheid. De vordering van Deutsche Bank wordt deels toegewezen: A wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag uit de eerste borgtocht, Badhoevedorp tot betaling van het openstaande krediet, terwijl de vorderingen op grond van de tweede borgtocht worden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe voor de eerste borgtocht en tegen Badhoevedorp, wijst de vordering op de tweede borgtocht af en veroordeelt partijen in de kosten.