Art. 23 SrArt. 57 SrArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delictenArt. 5 Besluit gebruik meststoffen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor niet-emissiearm gebruik van dierlijke meststoffen ondanks alternatieve methode
De economische politierechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 4 april 2008 uitspraak gedaan in twee samengevoegde strafzaken tegen verdachte, die werd beschuldigd van het niet-emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op grasland te Weesp.
Verdachte voerde aan dat hij de ammoniakemissie met zijn methode, waaronder Fysische Ionen Regulatie (FIR), aanzienlijk had verminderd en dat zijn wijze van mestuitrijden minder schadelijk was voor bodemstructuur en bodemleven dan traditionele methoden. Echter, deze methode valt niet binnen de wettelijk toegestane emissiearme technieken en verdachte beschikte niet over een ontheffing of vrijstelling.
De rechter achtte bewezen dat verdachte op meerdere tijdstippen in maart en september 2007 dierlijke meststoffen gebruikte zonder emissiearm te werken, wat strafbaar is volgens de Wet op de economische delicten en het Besluit gebruik meststoffen. Hoewel de rechter erkende dat verdachte milieubewust handelde, blijft hij gehouden aan de wettelijke voorschriften.
Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €200, te vervangen door vier dagen hechtenis bij niet-betaling. De officier van justitie had een hogere boete geëist, maar deze werd gematigd vanwege de inspanningen van verdachte om milieudoelen te dienen.
Het vonnis werd gewezen door mr. F.G. Bauduin, economische politierechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 april 2008.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €200, te vervangen door vier dagen hechtenis bij niet-betaling.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummers: 13/994496-07 (zaak A); 13/994495-07 (zaak B)
Datum uitspraak: 4 april 2008
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaken tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het op het adres [adres].
De economische politierechter heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.
De economische politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2008.
1. Telastelegging
Aan verdachte is met betrekking tot zaak A telastegelegd dat
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 maart 2007 tot en met 16
maart 2007 te Weesp, (telkens) al dan niet opzettelijk, op een perceel
grasland gelegen aan de [adres] dierlijke meststoffen heeft gebruikt terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.
Aan verdachte is met betrekking tot zaak B telastegelegd dat
hij op of omstreeks 14 september 2007 te Weesp, al dan niet opzettelijk, op een perceel
grasland gelegen aan de [adres] dierlijke meststoffen heeft gebruikt terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.
2. Voorvragen
…
3. Waardering van het bewijs
Door verdachte is aangevoerd dat hij alles heeft gedaan om de ammoniakemissie zo laag mogelijk te krijgen en dat de door hem gebruikte methodes (waaronder Fysische Ionen Regulatie (FIR) er toe leiden dat er aanzienlijk minder emissie van ammoniak plaatsvindt. Bovendien voert hij aan dat de door hem uitgevoerde wijze van uitrijden van mest – door middel van een giertank waarbij de vloeibare mest via een sproeikop en een ketsplaat over het grasland wordt verspreid – minder schade aan de structuur van de bodem veroorzaakt en aan de in de bovenlaag van de bodem levende organismen dan wanneer de meststoffen met zeer zware machines in het gras zouden worden geïnjecteerd.
Allereerst staat vast dat de door de verdachte gebruikte methode niet valt binnen de methodes die de wetgever toelaatbaar heeft geacht als emissiearm aanwenden. Niet is gebleken dat verdachte een ontheffing heeft verkregen of over een vrijstelling beschikt voor zijn methode van het uitrijden van mest. De door verdachte bepleite vrijspraak moet daarom stranden.
De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
met betrekking tot het in zaak A telastegelegde
op tijdstippen in de periode van 15 maart 2007 tot en met 16 maart 2007 te Weesp, telkens opzettelijk, op een perceel grasland gelegen aan de [adres] dierlijke meststoffen heeft gebruikt terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend;
met betrekking tot het in zaak B telastegelegde:
op 14 september 2007 te [woonplaats], opzettelijk, op een perceel
grasland gelegen aan de [adres] dierlijke meststoffen heeft gebruikt terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.
Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. Het bewijs
De economische politierechter grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van de feiten
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting acht de economische politierechter het aannemelijk geworden dat het de bedoeling van verdachte is de doelen die de wettelijke regeling nastreeft – in het bijzonder de vermindering van de emissie van ammoniakgassen – te dienen. Zij het dat hij daarvoor alternatieve methodes gebruikt. Dat neemt niet weg dat de wetgever de door hem gevolgde methode niet toestaat en ook niet te verwachten valt dat dit in de (nabije) toekomst zal veranderen. Verdachte is daarom onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar met betrekking tot zaak A en zaak B bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Nu verdachte ervoor kiest eigenmachtig de door hem beter geachte methode te volgen waarvan hij weet dat die strijdt met de wet en hij al eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld is een boete op zijn plaats.
Er bestaat wel aanleiding de door de officier van justitie gevorderde boete aanzienlijk te matigen nu verdachte zoals al overwogen tracht een bijdrage te leveren aan het milieu.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 5 vanPro het Besluit gebruik meststoffen.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.
De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van ene voorschrift, gesteld krachtens artikel 7 vanPro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 200,- (twee honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 4 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.G. Bauduin, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.P. Friperson, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze economische politierechter van 4 april 2008.