ECLI:NL:RBAMS:2008:BC7401

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08-621 HUISV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voorrangsverklaring huisvesting wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster woont met meerdere familieleden in een driekamerwoning en wenst een grotere woning waarvoor zij een voorrangsverklaring aanvraagt. Verweerder weigert deze verklaring te verstrekken omdat dochter [dochter 2] met haar kinderen als een apart huishouden wordt beschouwd, waardoor geen nieuwe aanvraag in behandeling wordt genomen.

Verzoekster stelt dat de situatie een noodsituatie betreft en dat verweerder de hardheidsclausule niet toepast. De rechtbank overweegt dat het recht om familie toe te laten niet leidt tot een voorrangspositie en dat de woonsituatie, hoewel niet ideaal, geen noodsituatie vormt volgens het beleid van verweerder.

De rechtbank kwalificeert de brief van verweerder als een appellabel besluit en stelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten zijn. Omdat er geen spoedeisend belang is, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster krijgt geen vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een voorrangsverklaring wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
Voorlopige voorzieningen
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 08/621 HUISV
tussen
[verzoekster], wonende te [woonplaats]
verzoekster,
vertegenwoordigd door mr. A. Caddeo,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. M. van der Hijden.
1. PROCESVERLOOP
Ter griffie van de rechtbank is op 24 januari 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster van 12 februari 2008 gericht tegen de brief van verweerder van 24 januari 2008.
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 4 maart 2008.
2. OVERWEGINGEN
Verzoekster woont in een driekamerwoning met 56 m² woonoppervlak.
Verzoekster wenst een grotere woning en om die reden een voorrangsverklaring. De woning wordt bewoond door verzoekster, dochter [dochter 1], dochter [dochter 2] en de twee jongste kinderen van [dochter 2]. Daarnaast is het zo dat verzoekster de voogdij wenst te verkrijgen over de vier oudste kinderen van [dochter 2].
Bij brief van 24 januari 2008 heeft verweerder het volgende aan verzoekster medegedeeld. Bij een eerdere afwijzing van een aanvraag voor een voorrangsverklaring heeft verweerder aangegeven dat [dochter 2] (met haar kinderen) ten opzichte van verzoekster als een apart huishouden wordt gezien. In telefonisch contact met een medewerker van de afdeling bezwaar en beroep heeft verzoekster later aangegeven opnieuw een voorrangsverklaring te willen aanvragen. De reden hiervoor was dat dochter [dochter 2] uit een opvangcentrum is gezet en met haar twee jongste kinderen bij haar moeder, verzoekster, is komen wonen. Verweerder kan dit echter niet aanmerken als een nieuw feit ten opzichte van de eerdere afwijzing omdat nog steeds geldt dat [dochter 2] een apart huishouden vormt. Er wordt daarom geen nieuwe aanvraag in behandeling genomen, aldus verweerder.
Verzoekster heeft het volgende aangevoerd. Het argument van verweerder dat [dochter 2] niet tot het huishouden van verzoekster behoort is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM uit welk artikel volgt dat verzoekster zelf kan beslissen wie zij in haar woning toelaat, temeer nu [dochter 2] en de twee jongste (klein)kinderen zich in een noodsituatie bevonden. Verweerder heeft verzuimd om toepassing te geven
aan de hardheidsclausule. Verweerder heeft artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden nu verweerder niet inhoudelijk op de persoonlijke situatie van verzoekster is ingegaan.
Ter zitting is gebleken dat partijen van mening verschillen over de vraag of er aan de brief van 24 januari 2008 een nieuwe aanvraag is vooraf gegaan en of de brief als een appellabel besluit kan worden aangemerkt.
De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.
De rechter neemt voorshands aan dat er een aanvraag ten grondslag ligt aan de brief van 24 januari 2008. In de brief wordt weliswaar enkel gesproken van een telefonisch contact, maar gelet op de beschrijving en uitleg die verzoekster en dochter [dochter 2] ter zitting van de gang van zaken in dit voortraject hebben gegeven acht de rechter aannemelijk dat verzoekster uit de (telefonische) contacten heeft begrepen dat zij had voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag. Van verweerder mocht naar het oordeel van de rechter in dit geval ook worden verwacht dat hij verzoekster, analfabete, met enig flexibiliteit in staat zou stellen om op reguliere wijze een aanvraag in te dienen.
De rechter merkt de brief van 24 januari 2008, voorlopig oordelend, als een appellabel besluit aan waartegen een bezwaar kon worden ingediend. Gelet op de inhoud van de brief heeft verweerder immers kennelijk bedoeld om, uitgaande van het bestaan van een aanvraag, de aanvraag zonder verdere inhoudelijke beoordeling af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb wegens het ontbreken van nieuwe feiten (nova).
Uitgaande van een besluit als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb is de volgende vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven nu de rechter in het kader van dit verzoek om voorlopige voorziening oordelend, geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening aanwezig acht. De rechter is namelijk van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een zodanige noodsituatie dat een voorlopige voorziening tot behandeling van verzoekster als ware zij in het bezit van een voorrangsverklaring dient te worden getroffen.
De huidige woonsituatie van vijf personen op een driekamerwoning is geen ideale, maar dit maakt deze woonsituatie nog niet tot een noodsituatie naar de maatstaven van verweerders beleid. Daarnaast is de rechter met verweerder van oordeel dat het verzoekster weliswaar vrij staat familie in haar woning toe te laten, maar dat de gevolgen daarvan geen voorrangspositie ten opzichte van andere woningzoekenden kunnen creëren. Die gevolgen moeten dan ook voor verantwoordelijkheid van verzoekster zelf komen. Het enkele feit dat verzoekster de voogdij over de vier oudste kleinkinderen beoogt, is geen factor die de woonsituatie nu tot een noodsituatie maakt.
Artikel 8 van Pro het EVRM, ten slotte, strekt niet zo ver dat verweerder is gehouden om door verstrekking van een voorrangsverklaring verzoekster in staat te stellen om een huishouden te vormen op de door haar gewenste wijze.
Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Voor vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 14 maart 2008 door mr. J.J. Bade, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Bremen, griffier,
en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
de griffier, de voorzieningenrechter,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op:
DOC: B