ECLI:NL:RBAMS:2008:BC6650
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot voorlopige voorziening tegen clausulering urgentieverklaring woningtoewijzing
Verzoekster had een geclausuleerde urgentieverklaring voor woningtoewijzing ontvangen voor een periode van drie maanden. Na het verstrijken van deze termijn vroeg zij om verlenging en verruiming van de urgentieverklaring, omdat er geen passend woningaanbod was geweest en haar huidige woning uiterlijk 1 april 2008 ontruimd moest worden.
Verweerder had de urgentieverklaring verlengd maar met clausulering, waardoor verzoekster slechts op bepaalde woningtypen mocht reageren. Verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening zodat zij mocht reageren op alle woningtypen gedurende de bezwaarprocedure.
De rechtbank oordeelde dat het vasthouden aan de clausulering in strijd was met de doelstelling van de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek 2005 en de strekking van artikel 2.6, eerste lid, van de Verordening. De rechter wees het verzoek toe en bepaalde dat verzoekster behandeld wordt alsof zij een ongeclausuleerde urgentieverklaring heeft tot 24 april 2008.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.J. Bade en is onherroepelijk.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoekster wordt behandeld als in bezit van een ongeclausuleerde urgentieverklaring tot 24 april 2008.