ECLI:NL:RBAMS:2008:9364

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2008
Publicatiedatum
27 maart 2019
Zaaknummer
13/994219-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van Justitie niet-ontvankelijk wegens onjuiste dagvaarding van niet-relevante entiteit

De zaak betreft een strafvervolging tegen een entiteit die geen natuurlijke persoon noch rechtspersoon is, maar een eenmansbedrijf dat niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor dagvaarding volgens artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Tijdens de regiezitting werd vastgesteld dat de officier van justitie de verkeerde entiteit had gedagvaard. De verdediging had geen bezwaar tegen de wijze van dagvaarding, maar de rechtbank stelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter discussie.

De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding niet ondubbelzinnig was gericht aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zoals vereist. Hierdoor was de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank baseerde zich hierbij op jurisprudentie van het Hof ’s-Gravenhage uit 1953.

De uitspraak werd op 3 november 2008 gedaan door de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het dagvaarden van een niet-relevante entiteit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/994219-07
Datum uitspraak: 3 november 2008 (onmiddellijk uitspraak)
op tegenspraak (raadsman van [persoon] gemachtigd)
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
gevestigd op het adres [adres 1] .
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2008.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot 1 oktober 2005 te ’s-Graveland, gemeente Wijdemeren, op een (sanerings-)lokatie (deel B), gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een inrichting voor het
  • bewerken (te weten: ontwateren en/of mengen) van bedrijfsafvalstoffen en/of
  • het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen,
zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 28.1 en/of categorie 28.4 van
de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage
I in werking heeft/hebben gehad.

2.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1
Tijdens de regiezitting van 9 augustus 2007 heeft de rechtbank de vraag gesteld of verdachte een besloten vennootschap is. De officier van justitie heeft daarop geantwoord dat verdachte een eenmansbedrijf is en daarbij gewezen op het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zij heeft daaraan toegevoegd dat (de natuurlijke persoon) [persoon] niet ook zelf is gedagvaard, maar alleen zijn eenmansbedrijf.
2.2
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 3 november 2008 ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de officier van justitie wel in de vervolging kan worden ontvangen, omdat als verdachte niet een natuurlijke- of een rechtspersoon is gedagvaard.
2.3
Het Openbaar Ministerie heeft in antwoord hierop naar voren gebracht dat het de bedoeling was de ‘zakelijke persoon’ [persoon] te dagvaarden en dat de gedagvaarde verdachte op grond van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden gelijkgesteld met een rechtspersoon. De feiten waarvan verdachte wordt beschuldigd, zijn gepleegd in de bedrijfsmatige sfeer. Dat is de reden dat het aannemingsbedrijf is gedagvaard, maar dat bedrijf is gelijk te stellen met de natuurlijke persoon [persoon] , aldus het Openbaar Ministerie.
2.4
De raadsman van [persoon] , mr. D.V.A. Brouwer, die door [persoon] is gemachtigd namens hem de verdediging te voeren voor [verdachte] , heeft op de vraag naar de ontvankelijkheid geantwoord dat hij geen bezwaar had tegen deze wijze van dagvaarden, omdat in het geval de rechtbank onverhoopt tot een veroordeling zou komen, deze niet op de justitiële documentatie van [persoon] zou komen te staan, maar op die van zijn aannemingsbedrijf, aldus de raadsman.
2.5.1
De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie als volgt. Artikel 51, eerste lid Sr houdt in dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Dit brengt mee dat de dagvaarding ondubbelzinnig moet luiden ten name van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon dan wel van een van de rechtsvormen die ingevolge art 51 lid 3 Sr Pro daarmee kunnen worden gelijkgesteld.
2.5.2
Hoe het hiervoor in 2.3 weergegeven standpunt van de officier van justitie ook moet worden begrepen, de dagvaarding luidt niet ten name van een natuurlijk persoon en evenmin van een rechtspersoon of een daarmee gelijk te stellen rechtsvorm als omschreven in de limitatieve opsomming van het derde lid van artikel 51 Sr Pro.
2.5.3
De officier van justitie heeft dus een naar de voorschriften van het (economisch) strafproces strafrechtelijk niet relevante entiteit gedagvaard en kan derhalve niet worden ontvangen in de strafvervolging (Vgl. Hof ’s-Gravenhage, meervoudige economische kamer van 4 juni 1953, na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 17 maart 1953).
2.5.4
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van het gedagvaarde [verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,
mrs. W.M. van den Bergh en G.M. van Dijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2008.