ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0925
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A.M. van Oosten
- M.F.J.M. de Werd
- E.J. Weller
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling voor opzettelijke merkinbreuk en overtreding geneesmiddelenwet
De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 augustus 2007 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het opzettelijk invoeren, verkopen en in voorraad hebben van valse merken en waren, alsmede het overtreden van voorschriften uit de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.
De officier van justitie vorderde vaststelling en betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, beginnend vanaf de datum van het vonnis in de hoofdzaak van 28 september 2006. De rechtbank stelde vast dat het voordeel €58.741 bedroeg, gebaseerd op een gedetailleerde kosten- en opbrengstenanalyse over de jaren 2003 en 2004, waarbij diverse kostenposten werden beoordeeld en deels verrekend.
De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn was overschreden en dat bepaalde kostenposten niet waren meegenomen in de berekening. De rechtbank oordeelde dat de aanvangsdatum van de redelijke termijn pas lag bij het bekendmaken van de ontnemingsvordering in september 2006 en dat er geen overschrijding was. Tevens werden enkele kostenposten geaccepteerd en verrekend, terwijl andere onvoldoende aannemelijk waren gemaakt.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €58.741 aan de Staat te betalen als ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €58.741 aan de Staat te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.