ECLI:NL:RBAMS:2007:BB8521
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak lidmaatschap criminele organisatie en XTC-export
De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie en betrokkenheid bij XTC-export in de periode 1998-2000. Verdachte was eerder veroordeeld voor een gerelateerd feit uit 2000, maar de huidige vervolging betrof andere feiten en een andere periode.
De verdediging voerde aan dat sprake was van dubbele vervolging en dat het recht op strafvervolging was vervallen door overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank verwierp het verweer van dubbele vervolging omdat de feiten en periode van de huidige zaak verschillen van de eerdere zaak.
De rechtbank stelde vast dat de vervolging in Nederland formeel begon op 27 december 2004, toen Nederland de strafvervolging van de Verenigde Staten overnam. De behandeling vond plaats op 8 november 2007, waardoor de redelijke termijn met bijna een jaar werd overschreden zonder dat er gegronde redenen voor verlenging waren.
De rechtbank weegt het belang van verdachte, die lange tijd in uitleveringsdetentie zat en geconfronteerd werd met een lange procedure, zwaarder dan het Nederlandse belang bij vervolging. Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de overschrijding niet kan worden gerepareerd door strafvermindering en verklaart het OM niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.