ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7955
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.D. Bonga-Sigmond
- J.M.J. Lommen-van Alphen
- M.E.B. Terwee
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering verdachte cocaïnehandel aan Duitsland ondanks deels Nederlandse feiten
De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 augustus 2007 de vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 18 juni 2007. Het EAB betrof drugshandel, met voorbereidingshandelingen vanaf begin juni 2007 en een feitelijke levering van cocaïne op 19 juni 2007 in Nederland. Hoewel deze levering niet in het EAB was opgenomen omdat deze nog niet had plaatsgevonden, oordeelde de rechtbank dat deze levering toch onder het EAB valt gezien de Duitse toelichting en vaste jurisprudentie.
De verdediging voerde aan dat het EAB niet extensief mag worden geïnterpreteerd en dat de overlevering voor de levering van 19 juni 2007 niet toegestaan kon worden. Ook werd gesteld dat er geen relatie met Duitsland bestond voor een van de feiten. De rechtbank verwierp deze verweren, omdat de voorbereidings- en uitvoeringshandelingen een samenhangend geheel vormden en er voldoende relatie met Duitsland was, onder meer door de betrokkenheid van Duitse medeverdachten en transacties.
Hoewel een deel van de feiten op Nederlands grondgebied had plaatsgevonden, zag de rechtbank af van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro op verzoek van de officier van justitie, vanwege de belangen van goede rechtsbedeling en het belang van het lopende Duitse onderzoek. De overlevering werd daarom toegestaan en is onherroepelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor het strafrechtelijk onderzoek naar de drugshandel.