ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3219
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing eigendomsvordering inboedel na ontbinding huwelijk met huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij de gemeenschap van goederen is uitgesloten. Na ontbinding van het huwelijk vordert de vrouw eigendom van bepaalde inboedelgoederen die zij stelt te hebben gekocht en betaald. Zij overlegt een lijst met goederen, getekend door haar en de vorige eigenaar, en een bankafschrift van betaling.
De man betwist dat de vrouw enig eigenaar is van de goederen en stelt dat de goederen mede namens hem zijn geleverd en dat de betaling via haar rekening niet betekent dat zij de eigendom heeft verkregen. De man voert aan dat de goederen in gemeenschappelijk eigendom zijn en dat de vrouw niet heeft bewezen dat zij de goederen persoonlijk heeft verkregen.
De rechtbank overweegt dat inboedelgoederen van een echtelijke woning doorgaans voor gezamenlijk gebruik bestemd zijn en dat de wil van beide echtgenoten bepalend is voor eigendom. De vrouw heeft onvoldoende bewijs geleverd dat zij de goederen exclusief heeft verkregen. Gelet op artikel 2.3 van de huwelijkse voorwaarden worden goederen waarop geen van beiden recht kan bewijzen geacht aan beiden voor de helft toe te behoren.
De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw af. Ook het verzoek van de man om opgave en teruggave van zijn goederen wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden valt buiten het geschil.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af omdat zij niet heeft bewezen dat de inboedelgoederen exclusief aan haar toekomen.