ECLI:NL:RBAMS:2007:BA8960
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.W. van der Veen
- A.R.P.J. Davids
- A.J.H.D. van Nass- van Vollenhoven
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OvJ verworpen wegens overschrijding redelijke termijn in eenvoudige verkeerszaak
Verdachte was betrokken bij een eenzijdig verkeersongeval op 3 juni 2001 waarbij een inzittende letsel opliep. De zaak werd door de officier van justitie op 10 april 2003 bij de rechtbank aangebracht, maar de dagvaarding werd nietig verklaard wegens onjuiste betekening. Op 30 september 2003 werd de zaak opnieuw aangebracht, waarna de rechtbank op 15 januari 2004 verdachte veroordeelde wegens afwezigheid van getuigen en verdachte.
Verdachte had langere tijd geen vaste woon- of verblijfplaats, waardoor betekening van de uitspraak pas in augustus 2005 plaatsvond. Hoger beroep werd ingesteld, maar het hof verklaarde de oproeping voor de zitting nietig. De zaak werd meerdere malen opnieuw aangebracht en uitgesteld, mede door verzoeken van de raadsman van verdachte.
De rechtbank stelde vast dat het relevante tijdsverloop voor de redelijke termijn 37 maanden bedroeg, waarbij rekening werd gehouden met perioden van aanbrengen en nietigheid van dagvaardingen. Gezien de aard van de zaak, een eenvoudige verkeerszaak zonder bijzondere omstandigheden, leidt een overschrijding van drie jaar tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank verklaarde de OvJ dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.