ECLI:NL:RBAMS:2006:AX8090

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/993039-04
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending van vertrouwen door lid Raad van Bestuur Ahold met valsheid in geschrift en oplichting

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 22 mei 2006 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een lid van de Raad van Bestuur van Koninklijke Ahold N.V. De verdachte werd beschuldigd van valsheid in geschrift en oplichting, waarbij hij betrokken was bij het opmaken van valse documenten die bedoeld waren om de accountant te misleiden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met anderen, een control letter en side letter heeft opgesteld die in strijd met de waarheid waren. Deze documenten moesten de schijn wekken dat Ahold overwegende zeggenschap had over de joint venture ICA Ahold, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van deze valse documenten om de accountant te misleiden en zo de consolidatie van de joint venture in stand te houden. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan de hem ten laste gelegde feiten en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan de uitvoering voorwaardelijk is, en een geldboete van €120.000,-. De rechtbank benadrukte dat het handelen van de verdachte het vertrouwen in het bedrijfsleven en de financiële verslaglegging ernstig heeft geschaad.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/993039-04
Datum uitspraak: 22 mei 2006
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren te [woonplaats] op [geboortedatum]l 1946,
wonende te [adres].
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de regiezittingen van 13, 14 en 20 oktober 2004, 9 februari 2005, 13 juni 2005, 10 oktober 2005 en 23 januari 2006, alsmede op de terechtzittingen van 6, 7, 20, 28 en 30 maart 2006, 4, 10, 11, 13, 20 en 26 april 2006 en 8 mei 2006.
1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze op de regiezitting van 13 juni 2005 en op de terechtzitting van 26 april 2006 is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vorderingen wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1, 2 en 3 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen
2.1. Geldigheid van de dagvaarding
De verdediging
De verdediging van [ver[verd[verdachte]] heeft ter terechtzitting aangevoerd (pleitnota, tekstblokken 950-958) dat het verzwijgen in de eerste brief van een brief die de inhoud van die eerste brief betwist, zoals onder feit 1 telastegelegd, in de kern het verwijt betreft dat met de tweede ICA-brief onjuist is omgegaan, waardoor hier sprake is van verkeerd “gebruik”. Dit verwijt valt onder artikel 225 lid 2 Sr en niet onder artikel 225 lid 1 Sr waarover feit 1 gaat. Volgens de verdediging lopen hier twee verschillende strafrechtelijke verwijten door elkaar waardoor de telastelegging op dit punt innerlijk tegenstrijdig en dus partieel nietig is.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat in het onder 1 telastegelegde feit wordt verwezen naar “voornoemde brieven”, terwijl het slechts om één brief gaat, namelijk D/139. De meervoudsvorm is onbegrijpelijk en dient tot nietigheid te leiden, aldus de verdediging.
Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat er meerdere exemplaren zijn van D/139. Nu in de telastelegging niet wordt aangegeven welk specimen wordt bedoeld, is het verwijt onvoldoende specifiek.
De conclusie van de verdediging is dat de dagvaarding ter zake van feit 1 integraal nietig moet worden verklaard.
Vervolgens heeft de verdediging van [verdachte] (pleitnota, tekstblokken 978-996) ten aanzien van het onder 1 telastegelegde aangevoerd dat het onbegrijpelijk is verdachte te verwijten dat hij de wederpartij een brief heeft laten tekenen waarin zowel hij als de wederpartij in strijd met de waarheid iets opnemen, om hem tegelijkertijd te verwijten dat die wederpartij als hulpeloze middellijke dader is gebruikt. Dit dient naar mening van de verdediging te leiden tot nietigheid van feit 1 van de telastelegging.
De verdediging heeft verder ten aanzien van het onder 1 telastegelegde feit aangevoerd dat de eerste brief “doet voorkomen en/of heeft gesuggereerd” dat Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) met haar wederpartij overwegende zeggenschap is overeengekomen. De verdediging is van mening dat het Openbaar Ministerie hiermee zegt dat Ahold krachtens die brief geen echte overwegende zeggenschap had of claimde. Nu het Openbaar Ministerie inderdaad vindt dat Ahold die zeggenschap niet had, kan de brief niet vals of misleidend zijn. De telastelegging is volgens de verdediging onbegrijpelijk en dient op dit punt nietig te worden verklaard.
De verdediging van [verdachte] heeft ten aanzien van het bij hem onder 6 telastegelegde feit betoogd dat het document D/120, zoals genoemd in de telastelegging, de Form 20-F over het jaar 1999 is. Aangezien de joint venture ICA Ahold Holding AB (ICA Ahold) nog niet bestond in 1999, is het uitgesloten dat de telastegelegde oplichtingshandelingen, die allen betrekking hebben op ICA Ahold, de accountant hebben kunnen bewegen tot het afgeven van een goedkeurende verklaring over het jaar 1999. In zoverre is de telastelegging dan ook innerlijk tegenstrijdig en dus nietig, aldus de verdediging (pleitnota, tekstblokken 1371-1372).
Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat nu de originele accountantsverklaringen niet aan het dossier zijn toegevoegd en voorts de in de telastelegging genoemde documenten niet “accountantsverklaringen” of “Auditors Reports” zijn, dit subsidiair zou moeten leiden tot een nietig, want tegenstrijdig, onderdeel van de telastelegging.
De verdediging van [verdachte] heeft zich aangesloten bij hetgeen de verdediging van [medeverdachte1] heeft aangevoerd ten aanzien van het gedeelte wat [medeverdachte1] onder feit 3 is telastegelegd na de woorden “en/of”. De verdediging is van mening dat deze wijze van te laste leggen met zich mee brengt dat de verschillende joint ventures, jaren en jaarrekeningen op één grote hoop worden gegooid. Volgens de verdediging is de materie te complex om met algemeenheden af te doen en is de dagvaarding dan ook nietig (pleitnotities, tekstblok 619).
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie meent bij repliek (p. 2-6) dat aan de vereisten van artikel 261 Sv is voldaan. De telastelegging is voldoende duidelijk. Het concludeert dat het beroep van de verdediging op partiële nietigheid van de telastelegging moet worden afgewezen. De kwalitatieve termen “valselijk (doen) opmaken of (doen) vervalsen” zijn volgens het Openbaar Ministerie steeds uitgebreid feitelijk omschreven, waarmee voldoende opgave is gedaan van de strafbare feiten die aan verdachte worden verweten.
Bij de beoordeling van een nietigheidsverweer op grond van artikel 261 Sv speelt naar mening van het Openbaar Ministerie een aantal factoren een rol:
I De telastelegging moet als één geheel worden opgevat. Het gaat dus uiteindelijk om de
vraag of de telastelegging als geheel voldoende duidelijk is;
II Voor het beoordelen van de vraag of de telastelegging voldoende duidelijk is, kan ook
het proces-verbaal wat ten grondslag ligt aan de telastelegging meewegen;
III Relevant is of de verdachte er blijk van geeft de telastelegging te begrijpen.
Als deze factoren in beschouwing worden genomen, blijkt dat de nietigheidsverweren geen stand houden, aldus het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Minsterie is van mening dat de verdachten uit het procesdossier en uit de rest van de telastelegging zeer goed hebben kunnen opmaken wat met de door verdediging betwiste onderdelen van de telastelegging wordt bedoeld. Ook uit de uitgebreide verklaringen die verdachten ten overstaan van de Fiod in bijzijn van hun raadslieden hebben afgelegd ten aanzien van de telastegelegde feiten, blijkt dat de verdachten goed weten waarvan zij beschuldigd worden. Daarnaast volgt uit de pleitnotities en de vragen van de raadslieden tijdens de verhoren van de getuigen bij de rechter-commissaris dat de verdediging precies weet wat de beschuldigingen inhouden.
Ten aanzien van de vermeende onjuistheden ten aanzien van tussen haakjes geplaatste vermeldingen is het Openbaar Ministerie van mening dat deze vermeldingen kunnen worden weggestreept als deze niet leiden tot een beter begrip van het verwijt dat wordt gemaakt.
Met betrekking tot het betoog van de verdediging van [verdachte] dat gezien de zinsnede “doen ondertekenen” in feit 1 de telastelegging partieel nietig moet worden verklaard omdat daaruit zou blijken dat de joint venture-partners als “doen plegers” worden aangemerkt, geeft het Openbaar Ministerie aan dat dit verweer berust op een misverstand. Het “doen ondertekenen” moet worden opgevat zoals het in het gewone spraakgebruik gangbaar is.
Standpunt van de rechtbank
Op grond van artikel 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat te laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.
Bij de uitleg van deze bepaling moet men voortdurend in het oog houden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de telastelegging goed kan verdedigen (HR 21 april 1998, NJ 1998, 782). Ook voor de rechter moet de telastelegging begrijpelijk zijn. De eis van “opgave van het feit” wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn (HR 14 mei 1996, NJ 1997, 720), in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig (HR 14 oktober 1975, NJ 1976, 149 en HR 8 december 1987, NJ 1988, 539) en in de derde plaats voldoende feitelijk.
Een telastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn.
Een dagvaarding behoeft zich niet uit te laten over de voor de strafbaarheid irrelevant zijnde aard en omvang van nadere bijzonderheden waarvan de vermelding niet op straffe van nietigheid wordt verlangd (HR NJ 1964, 418).
Uit de navolgende jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Een van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten (HR 14 november 2000, NJ 2001, 18).
Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de telastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt (HR 29 november 1988, NJ 1989, 682 en HR 26 januari 1988, NJ 1988, 792).
Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen (HR 20 maart 2001, NJ 2001, 330), net als de verklaring van verdachte als afgelegd ter terechtzitting (HR 9 november 2004, NS 2004, 470).
De rechtbank verstaat de verweren van de verdediging omtrent de nietigheid van de dagvaarding aldus dat de betwiste gedeelten van de telastelegging naar mening van de verdediging innerlijk tegenstrijdig, onbegrijpelijk, onvoldoende specifiek en onduidelijk zijn.
De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de telastelegde feiten in onderlinge samenhang bezien, de verdachten in staat moeten worden geacht de tekst van de telastelegging te kunnen begrijpen. Daarnaast hebben de verdachten tijdens hun verhoren bij de Fiod, rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk gegeven van hun begrip van de telastelegging. De verdediging heeft door de vragen die zij aan de getuigen bij de rechter-commissaris heeft gesteld en door haar pleitnotities ook blijk gegeven van begrip van de telastelegging.
De telastelegging behelst derhalve naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de telastelegging voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de gehele telastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt derhalve alle nietigheidsverweren van de verdediging.
2.2. Bevoegdheid tot kennisneming van het telastegelegde
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 6 maart 2006 ambtshalve de volgende beslissing genomen.
Als feit 4 is bij de verdachte telastegelegd artikel 47 (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), zakelijk inhoudend: als degene die effecten uitgeeft of belast is met het plaatsen van aandelen, het publiek trachten te bewegen tot inschrijving of deelneming door het opzettelijk verzwijgen van valse feiten of omstandigheden. Dit feit is op grond van artikel 1 (oud) van de Wet op de economische delicten een economisch delict (WED). Vaststaat dat de verdachte is gedagvaard voor de meervoudige strafkamer en niet voor de meervoudige economische strafkamer.
In het arrest van 16 september 2003, LJN AG 3126 stelt de Hoge Raad dat ervan uitgegaan moet worden dat de wetgever bij vergissing het vierde lid van artikel 56 (oud) RO niet heeft overgenomen in het nieuwe artikel 45 RO. Er moet dan ook worden aangenomen dat de wetgever nog steeds van oordeel is dat de commune strafrechter ook bevoegd is over economische delicten te oordelen, indien deze delicten zijn begaan in samenhang met één of meer commune feiten, mits tezamen telastegelegd met één of meer van die strafbare feiten.
In deze strafzaak is een geheel van feiten aan de verdachte telastegelegd, waaronder oplichting, artikel 326 Sr en meerdere malen valsheid in geschrift, artikel 225 Sr. Het onder 4 telastegelegde delict, artikel 47 (oud) van de Wte 1995, zou zijn begaan in samenhang met de hiervoor genoemde telastegelegde feiten. De rechtbank is derhalve in de strafzaak ten aanzien van verdachte ook bevoegd te oordelen over het onder 4 telastegelegde feit.
2.3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
2.3.1. Schending normen
De verdediging
De verdediging van [verdachte] heeft gemotiveerd uiteengezet dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard door:
1) ondanks de analyses in D/112-113 en de overige brieven van de verdediging en ondanks het gepresenteerde bewijs (D/1006) het eenzijdige onderzoek door de Fiod te accorderen;
2) geen deugdelijke interne tegenspraak bij Fiod en Openbaar Ministerie geïnstitutionaliseerd te hebben;
3) desondanks een regiezitting door te drukken;
4) onder de misleidende opmerking dat het opsporingsonderzoek was afgerond;
5) en door aldus de mogelijkheden van een gerechtelijk vooronderzoek c.q. mini-instructie te frustreren;
6) wetende dat het dossier van de verdediging tot kort voor de regiezitting incompleet was;
7) waardoor de mogelijkheden voor bewijsgaring a décharge werden geblokkeerd;
8) en een buitengerechtelijke afdoening werd afgesneden (pleitnota, tekstblokken 163-557).
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie is bij repliek (p. 6-9) nader op een drietal aspecten van de pleitnota ingegaan, te weten:
Geen gerechtelijk vooronderzoek gevorderd
Het Openbaar Ministerie heeft - zakelijk weergegeven - verklaard bij aanvang van het onderzoek de onderzoeksbelangen en het recht van verdachten op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer tegen elkaar te hebben afgewogen.
Uitgangspunt hierbij was, aldus het Openbaar Ministerie, dat zoveel mogelijk voorkomen moest worden dat verdachten ten onrechte beschadigd zouden raken.
Dit leidde er volgens het Openbaar Ministerie toe dat geen dwangmiddelen zijn ingezet tegen de onderhavige verdachten. Dit was volgens het Openbaar Ministerie dus niet om de verdediging buiten het onderzoek te houden, maar omdat een gerechtelijk vooronderzoek niet nodig was.
Mogelijkheid mini-instructie
Door het niet vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek is de verdediging niet de mogelijkheid onthouden bewijs a décharge te verzamelen. Volgens het Openbaar Ministerie heeft artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) die mogelijkheid sinds het eerste verhoor van de verdachte(n) steeds geboden.
Planning regiezitting
Het Openbaar Ministerie stelt vanaf het begin duidelijk te zijn geweest over de planning van een regiezitting en heeft de verdediging hierbij betrokken. Bovendien kan het plannen van een regiezitting voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling de efficiency van het strafproces vergroten. Verdachten zouden ook een belang hebben bij een spoedige afwikkeling van hun zaak onder regie van de meervoudige strafkamer. Juist op een regiezitting kunnen onderzoekswensen kenbaar worden gemaakt en wordt het verdedigingsbelang gediend. Hiervan heeft de verdediging ook gebruik gemaakt.
Voorts meent het Openbaar Ministerie dat de stelling dat sprake is van een lichtvaardige vervolging door prematuur te dagvaarden voor een openbare regiezitting onterecht is, want de verdediging had op grond van artikel 262 Sv een bezwaarschrift tegen de dagvaarding kunnen indienen.
Het Openbaar Ministerie concludeert dan dat op grond van het voorgaande dat de verdediging niet in haar belangen is geschaad en het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden afgewezen.
Voor zover het verweer de kritiek op het opsporingsonderzoek betreft, heeft het Openbaar Ministerie - zo begrijpt de rechtbank - gerepliceerd (repliek p. 11-12) zoals hierna is weergegeven in rubriek 4.1. Bewijsuitsluiting.
De verdediging
Bij dupliek (tekstblokken 24-52) heeft de verdediging verduidelijkt dat hun verweer niet, zoals het Openbaar Ministerie bij repliek kennelijk veronderstelde, is gericht op de aanvang van het onderzoek, maar op het door het Openbaar Ministerie tegen de uitdrukkelijke wil van de verdediging met grote snelheid afstevenen op een regiezitting.
Hierdoor konden voor de eerste openbare zitting geen getuigen worden gehoord door de rechter-commissaris en (ander) bewijs à decharge worden verzameld, zodat de beslissing tot dagvaarden eenzijdig prematuur was en hetgeen heeft geleid tot een lichtvaardige vervolging.
Voorts heeft de verdediging bij dupliek betoogd dat zij aldus geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om de verdenkingen op een zinvolle wijze te weerleggen.
Het Openbaar Ministerie noemt efficiency als reden voor het snel doorzetten van een openbare zitting, maar waarom dit efficiënter zou zijn dan een gerechtelijk vooronderzoek of een mini-instructie heeft het Openbaar Ministerie niet aangegeven.
Door prematuur te dagvaarden is een buitengerechtelijke afdoening afgesneden en de openbare terechtzitting heeft ten aanzien van [verdachte] nadelige publiciteit met zich meegebracht. Hierdoor is niet herstelbare schade ontstaan en dit dient te leiden - zo begrijpt de rechtbank - tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Standpunt van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging als een beroep op artikel 348 Sv en wel in die zin dat de beginselen van een goede procesorde zouden zijn geschonden. De rechtbank overweegt in dit kader ten aanzien van de hiervoor als 1-8 genummerde verweren, als volgt:
1 Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting en al hetgeen het Openbaar Ministerie daaromtrent naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een eenzijdig onderzoek. Weliswaar bevatten de ambtshandelingen samenvattingen van getuigenverklaringen en documenten, vermoedens en conclusies van de opsporingsambtenaren, maar de onderliggende stukken waarop het een en ander is gebaseerd, zijn ook aan het dossier toegevoegd zodat de rechtbank zich zelfstandig een oordeel heeft kunnen vormen;
2 Wat er ook van deze stelling van de verdediging zij, tegenover de mededeling van het Openbaar Ministerie hoe de interne tegenspraak was georganiseerd, heeft de verdediging slechts volstaan met het maken van algemene opmerkingen;
3-8 Het Openbaar Ministerie had na het afronden van het opsporingsonderzoek er voor kunnen kiezen om na afronding van het opsporingsonderzoek door de Fiod een gerechtelijke vooronderzoek te vorderen of een mini instructie af te wachten alvorens de zaak aan te brengen bij de rechtbank.
Het Openbaar Ministerie heeft daar om haar moverende redenen van afgezien. Deze beslissing is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid alle belangen afwegende niet tot deze keuze had kunnen komen. Dit geldt temeer nu door de aard van de eerste zittingen, te weten de regiezittingen, nog allerlei onderzoek kon worden verricht. Bovendien had de verdediging ook zelf vanaf het moment van eerste verhoor van verdachte een verzoek tot mini instructie kunnen doen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er gelet op het voorgaande in ieder geval geen beginselen van een goede procesorde geschonden ook niet indien de bezwaren 1-8 in onderlinge samenhang worden bezien. Maar zelfs indien er er reeds sprake zou zijn van schending van een dergelijk beginsel dan is daarmee op zichzelf door de verdediging nog niet aannemelijk gemaakt dat het Openbaar Ministerie dit doelbewust of minstens met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachten zou hebben gedaan.
Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient derhalve te worden verworpen.
3. Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen
De rechtbank heeft de door de benadeelde partijen SOBI, [benadeelde partij1], [benadeelde partij2], [benadeelde par[dh. S.]], [benadeelde partij4], [benadeelde partij5], [benadeelde partij6], [benadeelde partij7], [benadeelde partij8], [benadeelde partij9] en [benadeelde partij10] ingediende vorderingen zonder nader onderzoek op de terechtzitting beoordeeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat voornoemde vorderingen allen nagenoeg geheel zien op koersverlies.
Gelet op de aard en de inhoud van deze vorderingen is de rechtbank van oordeel dat kan worden geconcludeerd dat voor elke vordering geldt dat zij evident niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Immers op voorhand is duidelijk dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate het gestelde koersverlies het rechtstreeks gevolg is van de aan verdachte telastegelegde handelingen.
De rechtbank heeft voorts de door de benadeelde partij [benadeelde partij11] ingediende vordering zonder nader onderzoek op de terechtzitting beoordeeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat voornoemde vordering ziet op de financiële gevolgen van vermeend bedrog door Ahold bij de uitvoering van haar expansiestrategie en bij het ontbinden [benadeelde partij11] arbeidscontract.
Gelet op de aard en de inhoud van deze vordering is de rechtbank eveneens van oordeel dat kan worden geconcludeerd dat zij evident niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaken. Immers op voorhand is duidelijk dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van de aan verdachte telastegelegde handelingen.
De rechtbank heeft derhalve de benadeelde partijen SOBI, [benadeelde partij1], [benadeelde partij2], [benadeelde partij3], [benadeelde partij4], [benadeelde partij5] en [benadeelde partij6] op de terechtzitting van 6 maart 2006, de benadeelde partijen [benadeelde partij11], [benadeelde partij7] en [benadeelde partij8] op 28 maart 2006 en de benadeelde partijen [benadeelde partij9] en [benadeelde partij10] op 4 april 2006 op grond van artikel 333 Sv kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze vorderingen kunnen worden ingediend bij de civiele rechter.
4. Waardering van het bewijs
4.1. Bewijsuitsluiting
De verdediging
De verdediging van [verdachte] heeft uitvoerig betoogd (pleitnota, tekstblokken 164-493) dat de processen-verbaal van ambtshandelingen AH/01, AH/08, AH/12 en AH/12A van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Naar de rechtbank begrijpt niet omdat het bewijsmateriaal dat zich in deze ambtshandelingen zou bevinden onrechtmatig is verkregen.
De uitsluiting ligt in de omstandigheid - in de kern beschouwd - dat deze ambtshandelingen aanwijsbaar geen getrouwe en zo objectief mogelijke weergave behelzen van wat verbalisanten hebben onderzocht en waargenomen. Naar opvatting van de verdediging is de selectie en presentatie van feiten en omstandigheden in deze ambtshandelingen verbluffend eenzijdig. Zij bevatten partijstandpunten, zijn niet waarden vrij en behelzen niet een zo objectief mogelijke schets van de historische werkelijkheid. Niet valt uit te sluiten, gelet op de inhoud van de verhoren van verbalisanten bij de rechter-commissaris, dat sprake is van bewuste eenzijdigheid van hun kant.
De verbalisanten van de Fiod zijn, zo zegt de verdediging onder tekstblok 487, onstuitbaar en ontoelaatbaar doorgedenderd, terwijl niet blijkt dat er goede sturing is. Dat moet dan leiden tot meergenoemde uitsluiting.
Het Openbaar Ministerie
Bij repliek (p. 11-12) heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat de gewraakte ambtshandelingen een beschrijving behelzen van vermoedens die zijn gerezen tegen verdachten en daarmee een selectie van het bewijsmateriaal bevatten die naar het oordeel van het Openbaar Ministerie in alle openheid en transparantie is vastgelegd. Bovendien is het een selectie die gebaseerd is op het volledig procesdossier bij de samenstelling waarvan de verdediging een belangrijke rol heeft gespeeld. Het Openbaar Ministerie komt tot de conclusie dat het aan de rechtbank is de bruikbaarheid voor het bewijs van deze ambtshandelingen te waarderen en dat de ambtshandelingen bij kunnen dragen aan de overtuiging van de rechtbank in de zin van artikel 338 Sv.
De verdediging
Bij dupliek (tekstblokken 53–62) heeft de verdediging nog aangevoerd dat de ambtshandelingen niet mogen bijdragen aan een voor verdachte nadelige rechterlijke overtuiging in termen van de eerste vraag van artikel 350 Sv.
Standpunt van de rechtbank
Ambtshandeling 01, gesloten op 3 juli 2003, bevat - zakelijk samengevat - een door Fiod-ambtenaren gemaakt overzicht van vermoedelijk gepleegde delicten, waarbij ondermeer aan de hand van D(ocumenten)-stukken en verwijzingen naar andere ambtshandelingen deze vermoedens worden geconcretiseerd en een relatie wordt gelegd tussen deze delicten en degenen die als verdachten zijn aangemerkt.
Ambtshandeling 08, gesloten op 26 juni 2003, is - zakelijk samengevat - een door Fiod-ambtenaren gemaakt overzicht van hetgeen zij hebben ondervonden als resultaat van onderzoek naar een aantal termen met betrekking tot consolidatie.
Ambtshandelingen 12 en 12 A, beiden opgemaakt op 2 augustus 2004, richten zich op de zogenaamde ICA side letters, en bevatten verwijzingen naar D-stukken, verwijzingen naar andere ambtshandelingen, citaten uit verklaringen van verdachten en geven een beschrijving van het vermoeden van gepleegde strafbare feiten.
Naar opvatting van de rechtbank zijn deze ambtshandelingen ontegenzeggelijk aan te merken als processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen. De ambtshandelingen bevatten door verbalisanten gedane mededelingen van feiten en omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden. In die zin zijn deze ambtshandelingen wettig bewijsmiddel en kunnen zij door de rechtbank voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de verdediging moet al op die grond worden verworpen.
Voorzover in deze ambtshandelingen, vermoedens zijn opgenomen, conclusies zijn getrokken, of er sprake zou zijn van vergaande eenzijdigheid bij de voorstelling van zaken, blijft staan dat de rechtbank op grond van de wet en de jurisprudentie daarmee behoedzaam moet omgaan. Het is ook de rechtbank niet onbekend wat moet worden verstaan onder waarnemen en ondervinden; het vermelden van reden van wetenschap. Evenzeer geldt dat geen bewezenverklaring is te bouwen op processen-verbaal die gissingen, vermoedens of veronderstellingen behelzen. Dat strekt zich ook uit over de daarin opgenomen conclusies. Wel acht de rechtbank - in tegenstelling tot de verdediging - de verbalisanten deskundig. Dat betekent dat zij in aanmerking nemend het criterium van NJ 1967, 88 en NJ 1974, 176 inhoudende:
“de mate waarin iemand feiten en omstandigheden zelf kan waarnemen en ondervinden is afhankelijk van de omvang van zijn ervaring en van zijn op aanleg en ervaring berustend onderscheidings- en combinatievermogen.”
meer kunnen verklaren waaraan waarde mag worden gehecht, en waarbij het aan de rechtbank is hoe zij daarover oordeelt.
4.2. Deskundigenbewijs
Bij het onderzoek ter terechtzitting is een aantal schriftelijke bescheiden aan de orde gekomen waarvan de vraag is of er daarbij sprake is van andere geschriften als bedoeld in de vijfde rubriek van artikel 344 lid 1 Sv, dan wel dat deze bescheiden ressorteren onder de vierde rubriek van dat artikel lid en moeten worden aangemerkt als verslagen van deskundigen.
Het gaat daarbij om de navolgende schriftelijke bescheiden:
1. Bij brief van 18 november 2002 (D/2) heeft [H. de R.], destijds voorzitter van de Raad van Commissarissen van Ahold, [mr. S.E[mr. S.E. E.], advocaat te ’s-Gravenhage, verzocht een onderzoek te doen naar alle feiten en omstandigheden betrekking hebbend op de beslissing van Ahold om ICA Ahold volledig te consolideren. Voorts naar feiten en omstandigheden betrekking hebbend op het bekend worden bij Ahold van de ICA control- en side letter.
Dat heeft geleid tot een rapport van [mr. S.E. E.] en zijn kantoorgenoot [mr. J.M. van D.] dat bij brief van 13 januari 2003 (D/6) is aangeboden aan [dhr. de R.]] Een “summary of conclusions” is aan het dossier toegevoegd onder D/3.
2. In de loop van dat onderzoek is door [mr. S.E. E.] een advies gevraagd aan [prof. dr[prf. dr. J. K.] over het vraagstuk van consolidatie. Dat advies gedateerd 10 januari 2003 is als D/5 aan het dossier toegevoegd. [prf. dr. J. K.] is in het onderzoek gehoord als getuige (G/4).
3. Op 20 oktober 2003 is ten behoeve van het Functioneel Parket een rapport over consolidatie opgemaakt door [prof. dr. M.P.A.J. L.] externe verslaglegging Universiteit Nyenrode/Amsterdam (D/150).
4. Door de rechtbank is als deskundige benoemd [prof. dr. J.H.R. van de P.] verbonden aan de Universiteit van Maastricht. Van zijn hand verschenen twee rapporten die zijn toegevoegd aan het dossier. Hij is als deskundige gehoord ter zitting overeenkomstig het bepaalde in artikel 343 Sv.
5. Door de rechter-commissaris door de rechtbank belast met onderzoek in deze strafzaak is aan het dossier toegevoegd een tweetal rapporten dd 16 mei en 27 juni 2003 opgemaakt door personen werkzaam bij Wilmer Cutler & Pickering in samenwerking met PriceWaterhouseCoopers accountants. Het zijn rapporten ten behoeve van de Raad van Commissarissen van Ahold. Zij hebben betrekking op financial accounting, business practices van ICA Ahold AB Group en Ahold Corporate.
6. Van de zijde van het Openbaar Ministerie is als bijlage bij het requisitoir overgelegd een verslag van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de naamloze vennootschap Ahold, als opgedragen door de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam en gedeponeerd ter griffie van dat Hof op 30 maart 2006, waar het voor eenieder ter inzage lag.
7. Bij dezelfde gelegenheid is door het Openbaar Ministerie overgelegd een rapport opgesteld door een viertal personen werkzaam bij de RSM Erasmus University te Rotterdam respectievelijk University of Iowa, d.d. 3 februari 2006 en getiteld: “Investor Relations, Reputational Bonding, and Corporate Governance: The Case of Royal Ahold”.
8. Door de verdediging van [medeverdachte1] is aan de rechtbank overgelegd een rapport over Algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in de Verenigde Staten (US GAAP) d.d. 27 maart 2006, opgesteld door [dhr. D. S.] verbonden aan Kroll Inc.
Het Openbaar Ministerie
Naar opvatting van het Openbaar Ministerie kunnen de hiervoor onder 1, 2, 3 en 6 genoemde bescheiden als deskundigenverslag worden gekwalificeerd. Ten aanzien van 4 vraagt het Openbaar Ministerie zich af of de deskundige wel voldoende onbevangen aan zijn opdracht is begonnen, omdat hij voordien contact heeft gehad met de verdediging van [medeverdachte2]. Waar het de stukken: 5, 7 en 8 betreft is het Openbaar Ministerie van oordeel dat deze toelaatbaar zijn als bewijs op grond van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv.
De verdediging
De verdediging van [verdachte] is van oordeel (pleitnota, tekstblokken 620-646) dat het verslag van bevindingen van de onderzoekers van de Ondernemingskamer (6) op grond van de criteria van de Hoge Raad die volgen uit NJ 1998, 404 niet als deskundigenverslag in strafrechtelijke zin kan worden aangemerkt. Zij zijn van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze onderzoekers bijzondere deskundigheid bezitten op de in deze zaak spelende vraagstukken en in het bijzonder op het terrein van food retail, samenwerkingsrelaties in joint ventures, consolidatie naar Algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaglegging in Nederland (Dutch GAAP) en US GAAP. Bovendien menen zij dat de onderzoekers een eenzijdig onderzoek hebben verricht en met maar beperkte kennis van het strafdossier.
Naar hun oordeel moet dat leiden tot het rechtsgevolg dat het rapport volledig van bewijs wordt uitgesloten. Voorts maken zij bezwaar tegen het hier voren onder 1 genoemde rapport, voorzover het als deskundigenverslag wordt opgevat. Zij sluiten zich aan bij het Openbaar Ministerie en zien ook het rapport onder 2 als deskundigenverslag, zij het met de beperking dat de deskundigheid alleen ligt bij IAS (dupliek, tekstblokken 98-106). Over de overige genoemde stukken laat de verdediging zich niet uit.
Standpunt van de rechtbank
Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat - kortgezegd - het onderzoek van [mr. S.E. E.] (1), niet als een verslag van deskundigen moet worden aangemerkt, maar als een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Er is hier sprake van een onderzoek ingesteld door de huisadvocaat van Ahold. Onvoldoende blijkt uit het onderzoek ter zitting dat [mr. S.E. E.] als ook zijn kantoorgenoot [mr. J.M. van D.] onpartijdig en onafhankelijk hun rapportage hebben opgesteld. De rechtbank komt daarmee terug op haar eerder ingenomen standpunt als verwoord op de zitting van 4 april 2006 direct voorafgaand aan het requisitoir.
De rechtbank zal daarnaast van dit geschrift alleen met grote behoedzaamheid gebruik maken. Zij heeft met name aarzeling als het gaat om de wijze van verhoren van de betrokkenen, aan wie - zo is uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden - niet of nauwelijks het recht op wederhoor is toegestaan en aan wie ook bij het opmaken daarvan inzage in de opgemaakte verklaringen is onthouden.
Ten aanzien van de punten 2, 3, 7 en 8 - waarover de verdediging zich niet specifiek heeft uitgelaten - is de rechtbank van oordeel dat dezen moeten worden gerekend tot deskundigenverslagen als bedoeld in rubriek 4 van het eerste lid van 344 Sv.
Het betreft hier in alle gevallen bescheiden waaruit valt op te maken dat degenen die deze hebben opgesteld hebben verklaard over hetgeen hun wetenschap hen leert en daarbij hebben onderzocht en de feiten hebben gewaardeerd op basis van die deskundigheid. Hun verslagen voldoen ook aan de eis die artikel 299 lid 2 Sv stelt als het gaat om de vraag of hun verslagen met redenen zijn omkleed.
Als het gaat om punt 4 is het de rechtbank duidelijk waarom het Openbaar Ministerie aan de orde stelt of de deskundige wel voldoende onbevangen aan zijn opdracht is begonnen. Dat [prof. dr. van der P.] als deskundige is aan te merken en dat zijn verslag dus valt onder meergenoemde vierde rubriek staat buiten kijf. Hij is als zodanig benoemd en heeft ter zitting een deskundigenverklaring afgelegd in de zin van artikel 343 Sv. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [prof. dr. van der P.] door zijn rapport, het daarop gevolgde aanvullende rapport en zijn verhoor ter zitting de rechtbank er genoegzaam van overtuigd dat hij in onafhankelijkheid zijn rapporten heeft gemaakt en zijn verklaring heeft afgelegd. De omstandigheid dat hij in opdracht van verdachte [medeverdachte2] onderzoek heeft verricht, maakt dat niet anders. Uit de daarop betrekking hebbende en door de verdediging van [medeverdachte2] overgelegde stukken blijkt dat dat onderzoek beperkt van omvang is gebleven.
Hoewel de verdediging, van met name [medeverdachte1], ernstig bezwaar maakt tegen de rapporten genoemd onder punt 5, is de rechtbank van oordeel dat ook deze twee rapporten als deskundigenverslagen mogen worden aangemerkt. Naar opvatting van de rechtbank zijn de personen die de verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud van de rapporten, vakbekwaam te werk gegaan, zijn zij gebleven binnen een omlijnd vakgebied, hebben zij algemeen erkende inzichten toegepast en zijn tenslotte hun verslagen met redenen omkleed.
De kwalificatie die [medeverdachte1] aan deze rapporten heeft gegeven is, zo meent de rechtbank, op zichzelf genomen geen maatstaf. Ook de inhoud van de door de verdediging van [medeverdachte1] overgelegde stukken in de klachtprocedure brengt de rechtbank niet op andere gedachten.
Dan resteert punt 6; het verslag van bevindingen van onderzoekers van de Ondernemingskamer.
De rechtbank volgt de visie van de verdediging niet als het gaat om de vraag of dit verslag als een deskundigenverslag in de zin van Strafvordering mag worden aangemerkt.
Naar haar oordeel blijkt uit de inhoud van het rapport in voldoende mate dat onderzoekers vakbekwaam te werk zijn gegaan, hun werkgebied hebben omlijnd en daarbinnen zijn gebleven, een betrouwbare werkmethode vakkundig hebben toegepast, zich hebben gebaseerd op algemeen erkende inzichten en die ook in hun analyse verstandig hebben toegepast. Voorts is niet gebleken dat zij niet onpartijdig zonder vooringenomenheid en in onafhankelijkheid hun verslag hebben gemaakt. Daarmee is ruimschoots voldaan aan de criteria alsook genoemd in NJ 1998, 404.
De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat dit verslag van bewijs moet worden uitgesloten.
Dat voert tot de slotsom dat punt 1, als hier voren genoemd wordt aangemerkt als een ander geschrift en de punten 2 tot en met 8 als deskundigenverslagen.
Hoe vervolgens deze verslagen moeten worden gewaardeerd is een volgende stap die bij de rechtbank zelve ligt. Zij moet immers in verband met het beantwoorden van de vragen van 348 en 350 Sv een oordeel geven over het deskundigenoordeel.
Wat dan nog te beantwoorden resteert, is het verweer van de verdediging dat gelet op artikel 301 Sv, ten bezware van verdachte geen acht mag worden geslagen op het verslag van onderzoekers (punt 6).
Bij de beantwoording van dit verweer is van belang dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdediging al een concept van het rapport bezat, terwijl de rechtbank daarover niet kon beschikken.
Zodra het rapport openbaar was ondermeer door publicatie daarvan op het internet bij ondermeer Ahold en het Financieel Dagblad - en dat was na de behandeling van de stukken op de zitting en voor dat het requisitoir een aanvang nam - heeft de rechtbank ter zitting het Openbaar Ministerie bevolen dat verslag over te leggen. De uitvoering van dat bevel kon overigens feitelijk achterwege blijven, omdat het Openbaar Minsterie het verslag bij requisitoir als bijlage heeft overgelegd.
Voorts is van belang dat het verslag ter zitting aan de orde is gekomen en dat daarmee de externe openbaarheid is gediend. De interne openbaarheid was al gediend omdat de verdediging het rapport al voor de rechtbank kende. Uit het verslag blijkt immers (tekstblokken 31-38) dat het rapport in concept ter becommentariëring is voorgelegd aan alle verdachten.
Het Openbaar Ministerie bij repliek en de verdediging bij pleidooi en dupliek konden op het verslag reageren. De verdediging heeft daaruit onderdelen geciteerd (zie met name dupliek verdediging [medeverdachte1], tekstblokken 108-135).
Deze gang van zaken relativeert naar opvatting van de rechtbank de regel dat verzuim van 301 lid 4 Sv de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg heeft.
Verdachte(n) kenden het stuk, hebben het ter terechtzitting besproken en daaruit die onderdelen geciteerd waarvan zij menen dat die niet ten bezware van hen gelden maar juist ten faveure van henzelven. Onder die omstandigheid zijn de verdachten niet in hun verdediging geschaad en vindt de regel van artikel 301 lid 4 in deze geen toepassing.
4.3. Getuigenbewijs
Onder het kopje “de feilbaarheid van het geheugen” heeft de verdediging van [verdachte] (pleitnota, tekstblokken 596-613) de rechtbank gemaand tot een nog grotere behoedzaamheid dan gebruikelijk bij de beoordeling van de bewijskracht van de verschillende getuigenverklaringen. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat in de verklaringen opvallend veel “van horen zeggen” voorkomt, dat getuigen zich in de loop der tijd eerder meer dan minder zijn gaan herinneren, dat getuigen gebeurtenissen verklaren die qua timeframe absoluut niet passen en dat veel getuigen niet consistent hebben verklaard.
Hetgeen de rechtbank hiervoren heeft overwogen over de vraag hoe zij de als deskundigenverklaringen aanvaarde stukken zal hebben te hanteren, geldt evenzeer voor verklaringen van getuigen, welke worden geregeerd door het bepaalde in artikel 342 Sv en waarbij ook 291 Sv van belang blijft.
De verwijzingen van de verdediging naar hetgeen vanuit een oogpunt van psychologie kan worden gezegd over getuigenverklaringen is de rechtbank niet onbekend en zij heeft daar een open oog voor. Evenzeer zal de rechtbank behoedzaam omgaan met hetgeen de getuigen hebben verklaard tegenover Fiod, rechter-commissaris en Securities and Exchange Commission (SEC) en de aard en de inhoud van de hen door de vervolgingsautoriteiten gestelde vragen. Vanzelf geldt dat dan ook voor de vragen zoals die - even veelvuldig - door de verdediging zijn gesteld in de loop van dit onderzoek.
Onder de tekstblokken 1015-1068 van de pleitnota heeft de verdediging van [verdachte] nog betoogd dat de verklaringen van de getuige [dh. S.] (G/19), zoals afgelegd bij de SEC, Fiod en rechter-commissaris, welke [dh. S.] hoofd was van de interne accountantsdienst van Ahold, van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze onvoldoende zakelijk betrouwbaar zijn.
De rechtbank verwerpt dat verweer. Zij zal de verklaringen hanteren, voorzover zij aan het gebruik daarvan toekomt, met inachtneming van de hiervoor genoemde criteria.
Hetgeen door de verdediging van [verdachte] in de pleitnota onder de tekstblokken 709-739 nog is opgemerkt over de getuigen uit Zweden (“Relativering van enkele Zweedse standpunten”) zal op hetzelfde argument van de rechtbank moeten stranden.
5. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Hieronder volgt de zakelijk weergegeven opsomming van de inhoud en van de vindplaats van deze bewijsmiddelen, zoveel mogelijk in chronologische volgorde weergegeven, waarbij verwezen wordt naar de paginanummering in het originele papieren dossier.
Functies en verantwoordelijkheden
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1] (V-2/1 p 2) is hij in 1985 tot de Raad van Bestuur van Ahold toegetreden. In eerste instantie vervult hij de taak van CFO (Chief Financial Officer). Van 1993 tot 1997 combineert hij deze functie met die van CEO (Chief Executive Officer). Vanaf 1997 tot 2003 is hij CEO.
In het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/1 p. 2) en [verdachte] (V-4/1 p. 2) staat dat [medeverdachte2] en [verdachte] in 1997 zijn toegetreden tot de Raad van Bestuur van Ahold. Vanaf 1992 is [medeverdachte2] binnen Ahold werkzaam, eerst als directeur administratie. [medeverdachte2] vervult vanaf 1997 de taak van CFO. [verdachte] is verantwoordelijk voor alle Europese activiteiten van Ahold. [medeverdachte3] is blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (V-6/1 p. 3) per 1 september 2001 lid van de Raad van Commissarissen geworden van Ahold. Vanaf januari 2002 is hij tevens lid van het Audit Committee.
Blijkens een geschrift (D/445) is de vestigingsplaats van Ahold in de tenlastegelegde periode Zaandam, gemeente Zaanstad. Deloitte & Touche (D&T) is - blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/1 p. 5) - de externe accountant van Ahold vanaf 1997 tot heden. Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling AH 19 is D&T onder meer gevestigd in Amsterdam.
JMR
Blijkens een geschrift (D/178, p.4) is Ahold met [JMR] SGPS S.A. in 1992 een joint venture-overeenkomst aangegaan. Op basis van die overeenkomst heeft Ahold in de rechtspersoon [JMR] Retail (JMR) een belang van 49% verworven. Blijkens genoemd geschrift (D/178, p.7 en 8) bestond de Raad van Bestuur van JMR uit 7 leden waarvan [JMR] SGPS S.A. 4 leden aanwees en Ahold 3 leden. De Raad van Bestuur van JMR besloot, blijkens het geschrift (D/178 p. 7), op basis van het unanimiteitsbeginsel Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/1 p. 3) is JMR vanaf 1992 tot en met 2001 volledig geconsolideerd.
Uiteenzetting consolidatievoorschriften door [dhr. S.]
Blijkens het geschrift D/391 p. 1-3 heeft de toenmalige Senior Vice President Administratie van Ahold, [dhr. S.], d.d. 28 augustus 1992 een (concept) memo aan de leden van de Raad van Bestuur en het Audit Committee gestuurd. In dit memo geeft [dhr. S.] een overzicht van de wijze waarop volgens hem de deelneming [JMR] (de rechtbank begrijpt: JMR) in de jaarrekening van Ahold moet worden opgenomen. Zijn conclusie is dat gegeven de feiten van dat moment JMR niet kan worden gerekend tot een groep maar dat gezien de ontwikkelingen in de toekomst waarbij Ahold toch meer wil zijn dan een financier volledige consolidatie naar Nederlands jaarrekeningenrecht mogelijk is. Ten aanzien van US GAAP concludeert [dhr. S.] dat in geval er geen meerderheidsbelang is, de enige toegestane methode de vermogensmutatiemethode is. Hij concludeert evenwel dat wij (de rechtbank begrijpt: Ahold) de vermogensmutatiemethode niet willen en adviseert uiteindelijk tot volledige consolidatie zowel naar Nederlands als naar Amerikaans jaarrekeningenrecht.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van getuige [dhr. S.] (G-25/1 p.4) is de beslissing om te consolideren destijds genomen binnen de Raad van Bestuur en is het concept-memo uitgebreid besproken met de leden van het Audit Committee, de Raad van Bestuur en met de externe accountant D&T. De parafen die boven aan het memo staan zijn volgens [dhr. S.] van [dhr. Van D.] en [dhr. C.], beiden van D&T.
Bompreço
In geschrift D/132 (Shareholders’ Agreement, d.d. 23 december 1996, p. 1) staat dat het de intentie is van Ahold en Bompreço S.A. dat ieder van hen 50% van de stemgerechtigde aandelen in Bompreço S.A Supermercados do Nordeste (verder Bompreço) zullen gaan houden.
In genoemde shareholders agreement is verder onder meer het volgende opgenomen:
- beide partners hebben het recht een gelijk aantal leden van de board van Bompreço te benoemen;
- major decisions worden binnen genoemde board met een gewone meerderheid van stemmen genomen; voor sommige beslissingen (zie art. 4.4) is een meerderheid van 75% vereist;
- een deadlock event procedure (art. 6.1 sub vi);
Volgens het deskundigenrapport Verslag van bevindingen (onderzoek opgedragen door de Ondernemingskamer) van 28 maart 2006 (tekstblok 153) heeft Ahold door ondertekening van een Stock Assignment and Transfer Agreement (indirect) 50% van het stemgerechtigde aandelenkapitaal in Bompreço verkregen.
Blijkens een geschrift (D/101, zijnde het jaarverslag van Ahold over 2000, p.32) heeft Ahold in juni 2000 de resterende stemgerechtigde aandelen van haar joint venture-partner Bompreço overgenomen.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/1 p.10) is Bompreço is vanaf 1996 tot en met 2000 volledig geconsolideerd.
In geschrift D/102 (Jaarverslag 2001) staat dat Ahold Bompreço (inmiddels een 100% deelneming) ook over 2001 volledig consolideerde.
Uiteenzetting consolidatievoorschriften door Deloitte & Touche
In het geschrift zijnde een brief van D&T aan Ahold d.d. 5 september 1997, waarin de ‘huidige richtlijnen voor het consolideren van jointventures volgens Nederlandse en Amerikaanse verslaggevingvoorschriften’ worden uiteengezet (D/142 p. 1-8), staat ten aanzien van Nederlandse verslaggevingregels onder meer:
“Indien uit de joint venture overeenkomst niet blijkt dat één van de partners de doorslaggevende invloed heeft op het beleid, maar deze invloed uit de feitelijke situatie blijkt, betekent dit dat de joint venture door de partner geïnterpreteerd kan worden als groepsmaatschappij. De interpretatie of er sprake is van een groepsmaatschappij op grond van de feitelijke omstandigheden dient gemaakt te worden door iedere partner afzonderlijk.”
Ten aanzien van de Amerikaanse voorschriften concludeert D&T onder meer dat:
“Indien minder dan 50% van de aandelen in het bezit zijn en er is desondanks sprake van substantive control mag er in sommige situaties toch (de rechtbank begrijpt: volledig) worden geconsolideerd. Deze situaties zijn afhankelijk van de inschatting van de feitelijke substantive control. Uit de joint venture overeenkomst of statuten dient de feitelijke control reeds te blijken.”
Vergadering van de Raad van Bestuur van Ahold op 27 oktober 1997
Uit het geschrift, zijnde de notulen van de vergadering van de Raad van Bestuur op 27 oktober 1997 (D/304 p. 1-2), waarbij onder andere [verdachte], [medeverdachte1] en [medeverdachte2] aanwezig waren, blijkt dat wanneer [medeverdachte1] vraagt hoe het staat met de consolidatie [medeverdachte2] vervolgens uitlegt dat er volgens US GAAP partieel geconsolideerd mag worden. “Dat willen we (de rechtbank begrijpt: de Raad van Bestuur van Ahold) echter niet. Het idee is om Disco volledig te consolideren.”
Disco Ahold
In geschrift D/133 (‘Shareholdersagreement, d.d. 13 januari 1998, p. 1) staat dat Ahold Americas Holdings Inc. en Velox Retail Holdings, een op de Kaaiman eilanden gevestigde rechtspersoon, ieder 50% van de stemgerechtigde aandelen in Disco International Holdings N.V. (Disco Ahold) zullen gaan houden. Volgens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling AH/14, p. 9, is Ahold Americas Holdings Inc. een 100% dochteronderneming van Ahold.
De naam Disco International Holdings N.V. is - blijkens het deskundigenrapport Verslag van bevindingen (onderzoek opgedragen door de Ondernemingskamer) van 28 maart 2006 (tekstblok 202) - op 9 juni 1998 gewijzigd in Disco Ahold International Holdings N.V.
In genoemde shareholders agreement is verder onder andere het volgende opgenomen:
- dat de board met gewone meerderheid beslist, zij het dat voor bepaalde besluiten (‘major decisions’) unanieme besluitvorming is vereist (section 3.5);
- dat ieder het recht heeft een gelijk aantal leden van de board te benoemen (section 3.1);
- een deadlock event bepaling (p. 4).
Blijkens het deskundigenrapport Verslag van bevindingen (onderzoek opgedragen door de Ondernemingskamer) van 28 maart 2006 (tekstblok 202) heeft Velox Retail Holdings op 13 januari 1998 1250 B-aandelen in Disco Ahold aan Ahold Americas Holdings Inc. overgedragen, waarmee een 50/50 verhouding, zoals weergegeven in de bovenstaande Shareholders Agreement, werd gecreëerd. In voornoemd deskundigenrapport staat voorts (tekstblok 212) dat de Shareholders Agreement gebaseerd is op een joint ventures/consensusmodel hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat de overeenkomst eindigt als ‘één der partijen in termen van beneficial ownership onder 50% zakt’. Blijkens dit rapport (tekstblok 215) is op 1 september 1999 de Shareholders Agreement gewijzigd en wel in die zin dat indien een aandeelhouder minder dan 33 1/3 % van de aandelen bezit de overeenkomst beëindigd wordt.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling AH/14 p. 10
- heeft Ahold op 17 juli 2001 haar belang in Disco Ahold uitgebreid van 50% naar 59%; doch bracht dit geen verandering in de eis van unanieme besluitvorming voor major decisions; en
- heeft Ahold op 30 juli 2002 een belang van meer dan 66,7 % in Disco Ahold gekregen waardoor de shareholders agreement niet meer gold.
Volgens het geschrift D/189 (zijnde het ‘Jaarverslag 2002’ van Ahold, p. 62) heeft Ahold in augustus 2001 haar belang in Disco Ahold tot 100% uitgebreid.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/1 p.10) is Disco Ahold vanaf 1998 tot en met 2001 volledig geconsolideerd.
Vraagtekens Deloitte & Touche omtrent consolidatie
Blijkens het proces-verbaal van verhoor van getuige [dhr. W.] bij de rechter-commissaris
(p. 8) accepteerde het US National Office van D&T in maart 1998, bij werkzaamheden ten aanzien van de Form 20-F 1997, de consolidatie in 1997 nog wel, maar voor de toekomst moest er beter bewijs komen.
Uiteenzetting consolidatievoorschriften door [dhr. B.]
In het geschrift (D/277) zijnde het memo van 16 maart 1998 aan [dhr. W.] (D&T) zetten [dhr. B.] en [dhr. B.] (Ahold) de redenen van Ahold uiteen die volgens Ahold consolidatie van onder andere JMR en Bompreço onder Dutch- en US GAAP rechtvaardigen.
Vergadering van de Raad van Bestuur van Ahold op 6 juli 1998
Vervolgens vindt er blijkens het geschrift D/248 p. 1-2 op 6 juli 1998 een vergadering van de Raad van Bestuur plaats. Uit de notulen van de vergadering, waarbij onder andere [verdachte], [medeverdachte1] en [medeverdachte2] aanwezig waren, blijkt dat consolidatie aan de orde is geweest. [medeverdachte2] meldt ten aanzien van Bompreço dat Ahold uiteindelijk voor 50% economisch eigenaar zal zijn, dat [dhr. J.C. M.] (de rechtbank begrijpt: [dhr. J.C. M.]) voor 35% economisch eigenaar zal zijn en dat de overige 15% op de beurs blijft. [medeverdachte2] verklaart verder: “Wij hopen alsdan Bompreço ‘met recht’ te kunnen consolideren.”
Discussie tussen Ahold en Deloitte & Touche mbt consolidatie onder US GAAP
Op 13 juli 1998 vindt er dan blijkens het geschrift D/294 een bespreking plaats met D&T . Ter voorbereiding van deze bespreking stuurt [dhr. B.] een memo van 10 juli 1998 met als onderwerp ‘consolidation of JV's under US GAAP’.
Brief 24 augustus 1998
Blijkens het geschrift D/143 stuurt [dhr. Van den D.] D&T op 24 augustus 1998 een brief aan [medeverdachte2] waarin onder meer het volgende staat.
“As discussed in our letter dated September 5, 1997 and during several subsequent meetings, it was concluded that it is only possible to consolidate a joint venture under US GAAP if the company has substantive control (see attached copy). Based on US GAAP criteria for consolidation and the evidence available during our audit procedures regarding the 1997 financial statements we concluded, after consultation with our US National Office, that consolidation for the majority of the Ahold joint ventures was not acceptable under US GAAP. However, based on representations from and firm beliefs of Ahold representatives that the company had the intention to adjust the joint venture agreements (either the contract itself or by using side letters), the current accounting treatment of full consolidation was continued in the financial statements 1997 (onderstrepingen Rechtbank).” .
Vergadering van de Raad van Bestuur van Ahold op 7 september 1998
Blijkens het geschrift D/249 p. 1-2 werd het onderwerp consolidatie vervolgens op de agenda gezet voor de vergadering van de Raad van Bestuur van 7 september 1998. Ter behandeling werd de brief van 24 augustus 1998 bijgevoegd. Aanwezig waren onder andere [verdachte], [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [dhr. N.]. Blijkens de notulen is de brief D/143 besproken:
“[medeverdachte2] refers to the relevant letter of Deloitte & Touche. He explains that Deloitte & Touche has concluded that Ahold is in breach of US GAAP standards. Our Brazilian joint venture (de rechtbank begrijpt: Bompreço) is seen as the main problem(…). [medeverdachte2] also intends to send a letter in which will be explained that ultimately we have control.”
Control letter Bompreço
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/18 p.9) heeft [medeverdachte2] een eerste concept control letter d.d. 9 september 1998 opgesteld. Deze brief is blijkens het geschrift D/239 p. 1-2 vervolgens door Ahold aan D&T gegeven. Waarna D&T in overleg met hun US National Office heeft afgestemd wat er in de door hun gewenste control letter zou moeten komen te staan.
Volgens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/18, p. 11) is het concept (het geschrift D/131 p. 1-3) vervolgens bij fax van 26 oktober 1998 door [medeverdachte2] aan [dhr. M. S.] (medewerker van Bompreço) gestuurd. Blijkens het geschrift D/661 p. 40 wordt in het zogenoemde maandagochtendgebed van 30 november 1998 melding gemaakt van het verzenden van de conceptbrief aan Bompreço. Nadien blijkt dat van de zijde van Bompreço een toevoeging wordt verlangd. Ook de voorgestelde toevoeging wordt door D&T Nederland aan D&T USA voorgelegd. Blijkens het geschrift D/257 stelt [mw. Z.] (D&T USA) dan voor om geen wijzigingen aan te brengen. Zij sluit haar e-mail af met: “Thanks and happy holidays”.
Management letter Deloitte & Touche 1998
Blijkens het geschrift D/324 staat in de management letter van Deloitte & Touche aan de Raad van Commissarissen, het Audit Committee en de Raad van Bestuur, inzake de “financial statements” van Ahold over het jaar 1998, op p. 4 onder de subparagraaf “Joint venture accounting”:
“During the year, we have had several discussions with management regarding joint venture accounting. It was concluded that it is only possible to consolidate a joint venture if Ahold has substantive control. Based on representations from management, the company is amongst others investigating whether an explicit adjustment of certain joint venture agreements is possible which will continue to enable Ahold to consolidate the joint ventures under both Dutch and US GAAP. A draft side letter was drawn up by management and reviewed by our National Office in the USA. Management is aware of the importance and is in the process of solving this issue as soon as possible. The side letter for the Brazilian joint venture is currently being negotiated. Other joint ventures are still being discussed with management.”
Verder staat op p. 11:
“We have not had any disagreements with management related to matters that are material to the Company’s 1998 financial statements.”
Jaarverslag / Form 20-F Ahold 1998
Uit de geschriften D/99 en D/119 volgt dat het jaarverslag over 1998 van 9 maart 1999 is, en dat de Form 20-F 1998 van 12 april 1999 is. Daarin zijn opgenomen de geconsolideerde cijfers van JMR, Bompreço en Disco Ahold.
Control- en sideletter Bompreço
Blijkens een geschrift met reference AMM/bm 1696c (D/137 p. 2/5) inzake Bompreço is de zogenaamde control letter gedateerd 12 mei 1999 en ondertekend door [medeverdachte2] en [dhr. J.C. M.] (namens Bompreçopar te Recife, Brazilië). In de control letter staat onder meer het volgende te lezen:
“However, Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders’ Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders’ mutual satisfaction, Ahold’s proposal to solve that issue will in the end be decisive”
Blijkens een geschrift (D/137 p. 5/5) is de zogenaamde side letter gedateerd 17 mei 1999. In de side letter staat onder meer het volgende:
“Aware of the contents of your letter of May 12, 1999’s letter, reference AMM/bm 1696c, this is to inform you that we do not agree with the interpretation given by you of our Shareholders’ Agreement.”
Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 maart 2006 p. 7 herkent [medeverdachte2] de handtekening van [dhr. J.C. M.] op p. 5/5 van document D/137. De andere handtekeningen op p. 5/5 zijn volgens [medeverdachte2] van hemzelf en van de medeverdachte [medeverdachte1]. Ook [medeverdachte1] en [dhr. J.C. M.] hebben blijkens de processen-verbaal op de terechtzitting hun handtekening op D/137 p. 5/5 herkend.
Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/19 p. 2 en
V-3/18 p. 6) neemt [medeverdachte2] aan dat hij de control letter in Zaandam heeft getekend op 12 mei 1999 en verklaart hij de side letter te hebben getekend op 21 mei 1999 te Zaandam.
[dhr. C. P.] Ahold
In geschrift D/134 (Shareholders’ Agreement, d.d. 21 december 1999, p.1) staat dat het de intentie van Ahold Guatemala B.V. en Coban Holdings Inc is, dat ieder van hen 50% van de stemgerechtigde aandelen in [dhr. C. P.] Ahold N.V. ([dhr. C. P.] Ahold), een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap, zal gaan houden.
Volgens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling AH/15, p. 9, is Ahold Guatemala B.V. een 100% dochteronderneming van Ahold. Blijkens deze ambtshandeling hield [dhr. C. P.] Ahold 80,5% van het aandelenkapitaal van La Fraqua S.A, de grootste supermarkt- en hypermarkt onderneming in Guatemala.
In genoemde shareholders agreement is verder onder meer het volgende opgenomen:
- voor ‘major decisions’ geldt - zolang de oorspronkelijke aandeelhouders tenminste 30% van de aandelen bezitten - unanieme besluitvorming (section 4.5);
- partijen benoemen ieder eenzelfde aantal supervisory directors;
- een deadlock event procedure
Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling AH/15, pagina 10, houden Ahold en Coban Holdings Inc. vanaf 21 december 1999 daadwerkelijk 50% van de aandelen in [dhr. C. P.] Ahold.
In het deskundigenrapport Verslag van bevindingen (onderzoek opgedragen door de Ondernemingskamer) van 28 maart 2006 wordt in tekstblok 246 geconcludeerd dat het aannemelijk is dat binnen [dhr. C. P.] Ahold sprake was van juridische gezamenlijke zeggenschap door Ahold en Coban Holdings Inc.
Blijkens het Ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/1 p.10) is [dhr. C. P.] Ahold in 2000 en 2001 volledig geconsolideerd.
In geschrift D/100 (Jaarverslag 1999) staat dat Ahold [dhr. C. P.] Ahold ook over 1999 volledig consolideerde.
ICA Ahold
Blijkens geschrift D/130 p. 3-5 zijn de onderhandelingen terzake van de nieuw te vormen joint venture ICA Ahold in juli 1999 gestart. In het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandelingen (AH/12 p. 7) staat dat die onderhandelingen in december 1999 zijn voortgezet met op 7 december 1999 een bespreking in “De Walvis”. Daaropvolgend wordt op 9 december 1999 de Heads of Agreement (D/73) ondertekend. In dit geschrift is vastgelegd dat Ahold enerzijds en Canica AS (Canica) en ICA Förbundet AB (ICA Förbundet) anderzijds (de laatste twee rechtspersonen worden in de stukken en het vonnis ook wel aangeduid als de Partners) gelijke zeggenschap krijgen in ICA Ahold (onderdeel 1.5 en 2.1 van de overeenkomst) en dat uiteindelijk de stemgerechtigde aandelen als volgt zullen worden verdeeld:
- Ahold: 50%
- ICA Förbundet AB: 30%
- Canica AS: 20%
Tevens is in dit geschrift het ICA Idea opgenomen, dat - volgens onderdeel 2.1. - kort gezegd inhoudt dat Zweedse, met ICA Förbundet verbonden retailers zelfstandig zijn en dat zij toegang hebben tot schaalvoordelen van de ICA Group. In genoemd onderdeel 2.1. staat tevens dat Ahold en de Partners ermee instemmen dat het ICA Idea zonder toestemming van ICA Förbundet geen wezenlijke verandering zal ondergaan.
In een door de Partners (Canica en ICA Förbundet) op 24 februari 2000 ondertekende Partners Agreement (geschrift D/116, bijlage bij de Shareholders Agreement, onder 2.5) staat dat de Shareholders Agreement gebaseerd is op een
“fifty-fifty balance of influence between on the one hand Ahold and on the other hand the Partners…. and this balance is based upon that the Partners in matters where this is provided for in the Shareholders Agreement, will act or vote in accordance with mutually agreed positons.”
Blijkens geschrift D/116 is eveneens op 24 februari 2000 een shareholders agreement door Ahold, Canica en ICA Förbundet, getekend.
In de shareholders agreement is onder meer het volgende opgenomen:
- Een gelijke verdeling van het stemgerechtigde aandelenkapitaal over Ahold en de Partners (50/50);
- Een gelijke verdeling van de Boardleden (Ahold vier en de Partners vier);
- Boardbeslissingen dienen in consensus genomen te worden;
- ‘Major decisions’ dienen altijd in de Board besproken te worden;
- Indien geen consensus bereikt kan worden is sprake van een Deadlock;
- De Deadlock-procedure voorziet in ‘mediation’ en ‘arbitration’;
- Het ICA idee is uitgesloten van de Deadlock-procedure.
De joint venture ICA Ahold is - blijkens het deskundigenrapport Verslag van bevindingen (onderzoek opgedragen door de Ondernemingskamer) van 28 maart 2006 (tekstblok 278) op 27 april 2000 van start gegaan, zodat Ahold vanaf die datum 50% van de aandelen heeft verkregen.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte2] (V-3/1 p.10) is ICA Ahold in 2000 en 2001 volledig geconsolideerd.
Management letter Deloitte & Touche 1999
Blijkens het geschrift D/326 staat in de management letter van D&T, gedateerd 1 maart 2000, aan Raad van Commissarissen, Audit Committee en Raad van Bestuur staat, inzake de geconsolideerde “financial statements” van Ahold over het jaar 1999 (D/326) op p. 3 onder de subparagraaf “Joint venture accounting”:
“We have had several discussions during the past two years with management regarding joint venture accounting. It was concluded that it is only possible to consolidate a joint venture if Ahold has substantive control. Even if Ahold owns only 50% of the shares substantive control may exist when Ahold controls the Board of Directors, has the ability to sell the investee’s assets, has guaranteed debt, is an integral part of the Company’s business etc. A conclusion on the substantive control should be based on the actual facts and circumstances.
Recommendation:
We strongly advise to further investigate the above for other existing joint ventures and participations (such as with respect to JMR, Disco, Santa Isabel and the new joint venture with ICA), and also given the recent discussions relating to “immaterial” misapplications of GAAP and materiality.”
Verder staat op p. 6:
“We have not had any disagreements with management related to matters that are material to the Company’s 1999 financial statements.”
Jaarverslag Ahold 1999
Blijkens het geschrift D/100 is het jaarverslag over 1999 van 7 maart 2000. In de jaarrekening zijn JMR, Bompreço, Disco Ahold en [dhr. C. P.] Ahold volledig geconsolideerd.
Blijkens een geschrift zijnde de notulen van de Raad van Commissarissen op 6 maart 2000 (D/322 p. 1 en 4) waarbij aanwezig waren [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [dhr. Van den D.] zegt [medeverdachte2] over de Delaoitte & Touche-reporting het volgende:
“Mr. [medeverdachte2] explained that Ahold for the time being will continue have two reportings; both Us GAAP and Dutch GAAP. To the question of [dhr. P.], mr. [medeverdachte1] answered that to show full consolidation is important from purchasing point of view towards suppliers.”
Meer vraagtekens Deloitte & Touche omtrent consolidatie
Blijkens het geschrift D/187 p 1-16 wordt op 3 april 2000 een memo opgesteld door [mw. Van I.] (Ahold) en [dhr. van de V.] (D&T) over JMR en Disco Ahold. Deze memo wordt op 4 april 2000 door [dhr. van de V.] per e-mail voorgelegd aan [dhr. O.] (D&T USA). [dhr. O.] reageert met een e-mail inzake “Ahold consolidation Issues” aan [dh. B.], [dhr. Van D.] en [dhr. van de V.] van D&T. Hierin staat onder meer:
“Further to our discussion today, I think you might find the attached 1998 consultation memorandum interesting. As you can see, there were detailed discussions with Wilton an Ahold’s consolidation issues, and the conclusion then was the same as mine was today. (…) Subsequent to this consultation, A(hold) was able to change the agreements related to these joint ventures to eliminate the ability of the other joint venture partners to veto actions related to operating and capital budgets and hiring, firing, and setting the compensation of management. We agree that these changes to the agreements give A exclusive control over ongoing major and central operations. Therefore, we believe it is appropriate for A(hold) to consolidate these joint ventures.”
Gelet op het geschrift D/279 wilde [dhr. O.] voor JMR en Disco Ahold ook control letters. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van getuige [dh. B.] bij de rechter-commissaris heeft D&T Nederland dit met [medeverdachte1] besproken. [medeverdachte1] heeft vervolgens met de baas van D&T USA, [dhr. K.], gesproken en er is toen een compromis bereikt. Ahold zou zo spoedig mogelijk met de control letters komen.
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling AH/25 (p. 248-249) is er voor JMR nooit een control letter verkregen, maar de accountants gingen akkoord met de stelling van Ahold dat JMR niet materieel was
Form 20-F Ahold 1999
Uit het geschrift D/120 volgt dat de Form 20-F 1999 uiteindelijk op 12 april 2000 is ondertekend.
Control- en side letter Disco Ahold
Blijkens een geschrift met reference AMM/bm 2028 (D/138 p. 2/4) inzake Disco Ahold is de zogenaamde control letter gedateerd 14 april 2000 en ondertekend door [medeverdachte2] en [dhr. P.] (namens Grupo Velox te Buenos Aires, te Argentinië). In de control letter staat onder meer het volgende te lezen:
“However, Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders ’ Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders’ mutual satisfaction, Ahold’s proposal to solve that issue will in the end be decisive”
Blijkens een geschrift (D/138 p. 4/4) is de zogenaamde side letter gedateerd 19 april 2000. Deze brief is door [medeverdachte2] en [dhr. P.] ondertekend. [medeverdachte2] tekent met agreed op 25 april 2000. In de side letter staat onder meer het volgende:
“Aware of the contents of your letter of April 14, ref. AMM/bm2028, this is to inform you that we do not agree with the interpretation given by you of our Shareholders’ Agreement.”
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/8 p.1) is de control letter opgemaakt in Zaandam.
Emissie mei 2000
Uit het geschrift D/374 blijkt dat Ahold op 28 april 2000 bekend maakt dat zij een wereldwijde emissie zal starten van circa 3 miljard euro. Blijkens het proces-verbaal van ambtshandeling AH/47 is in een eerder persbericht (D/434) gemeld dat de opbrengst wordt gebruikt voor de financiering van de overname van US Foodservice en de joint venture ICA Ahold en nog wat andere kleinere overnames. Inschrijven op de emissie is mogelijk van 1 mei 2000 tot en met 15 mei 2000. De voorlopige prospectus zal beschikbaar zijn vanaf 1 mei 2000. Naast de prospectus (D/106) en persberichten wordt ook informatie gegeven tijdens de roadshows en analistenbijeenkomsten.
Volledige consolidatie ICA Ahold?
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling AH/47 (p. 11) bleef de volledige consolidatie van ICA Ahold een discussiepunt tot de tweede week van april 2000. Toen heeft er een conference call plaatsgevonden met de banken, de advocaten van de banken, D&T, [dhr. V.] en [mw. Van I.]. De eindconclusie was dat als D&T akkoord zou gaan van de consolidatie de banken dit ook zouden doen. [mw. Van I.] zou een memo schrijven inzake het standpunt van Ahold en op basis daarvan zou verder worden gesproken Dit memo is blijkens het geschrift D/161 van 19 april 2000. Op 21 april 2000 mailt [mw. Van I.] dat [medeverdachte2] haar had gezegd dat de side letter er zou komen, hetgeen blijkt uit geschrift D/192. De consentletter van D&T waarin zij toestemming geeft voor volledige consolidatie is blijkens het geschrift D/406 van 15 mei 2000. Uit geschrift D/190 blijkt dat op 28 april 2000 het voorlopig prospectus al is uitgegeven.
Control- en side letter ICA Ahold
Blijkens een geschrift met reference JGA/bm2032 (D/139 p. 2/4) inzake ICA Ahold is de zogenaamde control letter gedateerd 2 mei 2000 en ondertekend door [verdachte], [medeverdachte3] (namens ICA Förbundet te Solna, Zweden) en [dhr. H.] (namens Canica te Oslo, Noorwegen). In de control letter staat onder meer het volgende te lezen:
“However, Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders ’ Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders’ mutual satisfaction, Ahold’s proposal to solve that issue will in the end be decisive”
Blijkens een geschrift (D/139 p. 4/4) is de zogenaamde side letter gedateerd 5 mei 2000. Deze brief is door [verdachte] [medeverdachte3] en [dhr. H.] ondertekend. In de side letter staat onder meer het volgende:
“Aware of the contents of your letter of May 2, 2000, ref. JGA/bm2032, this is to inform you that we do not agree with the interpretation given by you of our Shareholders’ Agreement.”
In het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/5 p. 3) staat dat de opmaak van de control letter op initiatief van [medeverdachte2] is gebeurd en dat hij de tekst heeft gemaakt. De control letters van Bompreço en Disco Ahold hebben als basis gediend. [secretaresse ], heeft deze control letter vervolgens uitgetikt.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 6 maart 2006 herkennen verdachten [medeverdachte3] ( p. 6) en [verdachte] (6) hun handtekeningen onder de genoemde brieven.
Blijkens het geschrift D/165, zijnde een e-mail d.d. 12 mei 2000 van [dhr. van de V.] aan [dhr. Van den D.], [dh. B.] en [dhr. van D.], heeft D&T de control letter inzake ICA Ahold ontvangen.
Control- en side letter [dhr. C. P.] Ahold
Blijkens een geschrift met reference AMM/bm2063 (D/140 p. 2/5) inzake [dhr. C. P.] Ahold is de zogenaamde control letter gedateerd 10 juli 2000 en ondertekend door [medeverdachte2] en namens La Fragua S.A. te Guatemala op 31 augustus 2000. In de control letter staat onder meer het volgende te lezen:
“However, Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders ’ Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders’ mutual satisfaction, Ahold’s proposal to solve that issue will in the end be decisive”
Blijkens het proces verbaal van terechtzitting van 6 maart 2006 p. 8 inzake [medeverdachte2] herkent [medeverdachte2] de handtekening op dit document van [dhr. C[dhr. C. P.]]
Blijkens een geschrift (D/140 p. 5/5) is de zogenaamde side letter gedateerd 18 september 2000. Deze brief is door [medeverdachte2] en [dhr. C. P.] ondertekend. [medeverdachte2] tekent met agreed op 23 oktober 2000. In de side letter staat onder meer het volgende:
“I have now discussed with the shareholders of Coban Holdings Inc. (Coban) the interpretation contained in your letter dated July 10, 2000, Ref.: AMM/bm2063.
According to your said letter Ahold understands that to the best interpretation of the Shareholders’ Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders’ mutual satisfaction, Ahold’s proposal to solve that issue will in the end be decisive. We do not agree with such interpretation.
Our interpretation of the Shareholders Agreement for [dhr. C. P.]-Ahold, N.V. is that all (major) decisions with regard to [dhr. C. P.]-Ahold N.V. will be made in consensus between you on one side and Coban on the other side.”
Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/10 p. 1 en 2) is de control letter door [secretaresse] in Zaandam getypt in zijn opdracht.
Jaarverslag / Form 20-F Ahold 2000
Uit de geschriften D/101 en D/121 volgt dat het jaarverslag 2000 is vastgesteld op 6 maart 2001 en Form 20-F 2000 op 9 april 2001. In daarin opgenomen jaarrekening zijn volledig geconsolideerd ICA Ahold (vanaf 1 mei 2000), Bompreço, Disco Ahold, [dhr. C. P.] Ahold en JMR.
Management letter Deloitte & Touche 2001
Blijkens het geschrift D/307 staat in de managementletter van D&T, gedateerd 28 februari 2001, aan de Raad van Commissarissen, Audit Committee en Raad van Bestuur staat inzake de geconsolideerde “financial statements” van Ahold over het jaar 2000 op p. 13 onder meer:
“We have had several discussions with management during previous years concerning the accounting for joint ventures under US GAAP. Ahold believes that they may consolidate based on the fact that they control the partnerships. This conclusion is further substantiated by actions since the moment Ahold entered into the different partnerships. Note that for Disco and ICA partnerships control letters were obtained. With respect to the JMR partnership we have concerns whether Ahold has actual control and have therefore included this partnership in our evaluation of misstatements under US GAAP for the year 1999.
We will do the same for 2000 but believe that the effect of the unadjusted differences, including the potential effect of pro-rata consolidation of JMR (which is acceptable under Dutch GAAP), are not material to the condensed balance and statement of earnings for 2000 under US GAAP as included in the financial statements on Form 20-F. Net earnings or stockholders’s equity under US GAAP are not impacted by pro-rata or integral consolidation. We remain concerned that the SEC may question your joint venture accounting.”
Verder staat op p. 14:
“We have not had any disagreements with management related to matters that are material to the Company’s 2000 financial statements.”
Jaarverslag / Form 20-F Ahold 2001
Uit de geschriften D/102 en D/121 volgt dat het jaarverslag 2001 is vastgesteld op 7 maart 2002 en de Form 20-F 2001 op 9 april 2002. In de daarin opgenomen cijfers zijn ICA Ahold, Disco Ahold, [dhr. C. P.] Ahold en JMR volledig geconsolideerd.
Management letter Deloitte & Touche 2002
Blijkens het geschrift D/332 staat in de management letter van D&T, gedateerd 28 februari 2002, aan de Raad van Commissarissen, Audit Committee en Raad van Bestuur inzake de geconsolideerde “financial statements” van Ahold over het jaar 2001 op p. 15-16 onder meer:
“We have had several discussions with management during previous years concerning the accounting for joint ventures under US GAAP. Ahold believes that they may consolidate based on the fact that they control these partnerships and that this conclusion is further substantiated by actions subsequent to the agreement of the different partnerships. We note that for the Disco and ICA partnerships control letters have been obtained. With respect to the JMR partnership we have concerns as to whether Ahold has actual control and have therefore included this partnership in our evaluation of misstatements under US GAAP in earlier years. We will do the same for 2001. Net earnings or stockholder’s equity under US GAAP are not impacted by pro-rata or integral consolidation. Nevertheless, we remain concerned that the SEC may question your joint venture accounting.
[dhr. C. P.] Ahold, the 50/50 joint venture of Ahold and La Fragua in Guatamala, El Salvador and Honduras has signed an agreement with the Costa Rican supermarket and hypermarket company CSU to form a new joint venture in which [dhr. C. P.] Ahold will have a share of approximately 66%, which was closed in January 2002. The new joint venture brings together all operations in the Central American region of both companies. As also mentioned in our third quarter reporting, we highly recommend that the Company assess the proper accounting for this joint venture in which Ahold ultimately holds an indirect 30% stake.”
Verder staat op p. 17:
“We have not had any disagreements with management related to matters that are material to the Company’s 2001 financial statements.”
Brief van 23 september 2002
Blijkens het geschrift D/145 p. 2 is er op 23 september 2002 een brief opgesteld gericht aan [verdachte]. Onderaan staat [dhr. A. F.] vermeld. In de brief staat onder meer het volgende:
"Therefore ICA Förbundet agrees to cede control of ICA Ahold AB to Royal Ahold provided that:
We maintain the existing spirit of cooperation between Ahold and ourselves.
Ahold will always respect the fundamental principles of the ICA idea.
You have confirmed to us that Ahold will always act in good faith and protect the interests of all shareholders."
In het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/24 p. 2-4) staat dat [medeverdachte2] heeft verklaard over D/145 dat deze gemaakt is door [verdachte] en hemzelf. Hij kan zich herinneren dat hij met [verdachte] aan mijn bureau heb gezeten om deze conceptbrief op te stellen. In zekere zin probeerden zij middels deze conceptbrief van 23 september 2002 nog duidelijker te maken dat Ahold het voor het zeggen had in de joint venture ICA Ahold, dit natuurlijk met uitzondering van het ICA idee. [medeverdachte2] wist niet, dat deze conceptbrief ook daadwerkelijk naar IFAB is gegaan en hij weet dus ook niet wat de reactie is geweest van de Zweden op deze conceptbrief van 23 september 2002. Op het moment van de conceptbrief was [medeverdachte3] niet meer betrokken bij IFAB en deze conceptbrief is gericht aan iemand anders namelijk [dhr. A. F.]
Bekend worden side letter ICA Ahold
Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1] (V-2/2 p. 9) heeft [medeverdachte1] na een gesprek met [dh. S.] en [dhr. van T.] op 21 oktober 2002 [dhr. de R.], voorzitter van de Raad van Commissarissen en het Audit Committee, op de hoogte gebracht van het bestaan van de 2e side letter van ICA Ahold. Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/7 p. 6) blijkt dat [medeverdachte2] en [dhr. V.] op 25 oktober 2002 Deloitte & Touche op de hoogte hebben gebracht van het bestaan van de 2e side letter van ICA Ahold.
Blijkens het geschrift D/83 heeft D&T, bij Ahold kenbaar gemaakt dat er een onafhankelijk onderzoek zou moeten plaatsvinden naar de ICA Ahold side letters. Blijkens een geschrift D/2 heeft dit onderzoek ook plaatsgevonden. Door middel van een brief d.d. 18 november 2002 van [dhr. de R.] (voorzitter van de Raad van Commissarissen) aan [mr. S.E. E.] (advocaat van De Brauw Blackstone Westbroek (ook wel: DBBW) wordt [mr. S.E. E.] verzocht een onderzoek te verrichten naar de control letter en side letter inzake ICA Ahold.
Afspraak omtrent het niet bekendmaken overige side letters
Uit het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/17 p. 11-12 ) verklaart [medeverdachte2] als volgt.
Op 16 november 2002 sprak ik telefonisch met [medeverdachte1] over de vraag of we bekend moesten maken dat er ook de sideletter ten aanzien van Bompreço en Disco Ahold bestonden. Dit gesprek vond plaats na het bekend worden van de sideletter ten aanzien van ICA Ahold. Het [mr. S.E. E.] onderzoek richtte zich in eerste instantie op ICA, maar zou ook worden uitgebreid naar de joint ventures Bompreço en Disco. Op 17 november 2002 heb ik weer telefonisch gesproken met [medeverdachte1] over de sideletter ten aanzien van Disco en Bompreço. [medeverdachte1] heeft mij toen expliciet gevraagd of ik met zijn voorstel eens was, zijnde het niet verstrekken van en het niet praten over de sideletter ten aanzien van Disco en Bompreço. Mijn reactie was dat ik aarzelde maar ik zei: “als jij dat vindt en gezien jouw argumenten dan praten we er niet over en geven we het niet aan [mr. S.E. E.].”.
Derde side letter ICA Ahold
Blijkens het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte1] (V-2/2 p. 10) werden er begin januari 2003 pogingen ondernomen om alsnog tot een verbeterde versie te komen van de Shareholders Agreement om de accountant te laten zien en om voldoende bewijsmateriaal aan te dragen voor voortgaande volledige consolidatie voor met name onder Dutch GAAP (V-2/7 p. 33).
Het gehele traject vanaf begin januari 2003 bij het opstellen van de zogenaamde 3e side letter van ICA Ahold zijn betrokken geweest: de voltallige Raad van Commissarissen, tenminste 7 partners van Deloitte & Touche, 2 partners van De Brauw, 1 senior partner van Freshfields, partners van White and Case, tenminste 5 senior Vice Presidents van Ahold, de voltallige Raad van Bestuur van Ahold, ten minste 8 mensen van het senior Management van ICA Ahold, Zweedse en Noorse advocaten, en Zweedse accountant, professor [prf. dr. J. K.], accountants van KPMG.
Uit het geschrift D/1001 blijkt dat er een ‘Supplement to the Shareholders Agreement dated 24 February 2000’, gedateerd 21 februari 2003, is. Deze is ondertekend door [verdachte], [dhr. D.], [dhr. S.] en [dhr. B.]
In het geschrift D/151, zijnde een brief van [verdachte] aan [dhr. D.] d.d. 20 maart 2003 staat onder meer het volgende:
"I confirm that the letter dated January 28, 2003 and the Supplement to the Shareholders Agreement dated February 21, 2003 regarding a possible consolidation of ICA Ahold AB in the accounts of Royal Ahold are not binding anymore since those documents fell short of their purpose."
Bekend worden overige side letters
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (AH/71 p. 30 e.v.) werd in het weekend van 22/23 februari 2003 bekend dat er naast de side letter voor ICA Ahold ook dergelijke side letters bestonden voor de joint ventures Bompreço, Disco Ahold en [dhr. C. P.] Ahold. Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van De Raad (G-3/1 p. 12) werd eerst het bestaan van de side letter van Disco Ahold bij meerdere personen binnen Ahold bekend,. Daarna is blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (AH/71 p. 35) deze informatie ook bij Deloitte & Touche terechtgekomen.
Aftreden verdachten
Naar aanleiding van het bekend worden van de side letters inzake Bompreço, Disco Ahold en [dhr. C. P.] Ahold heeft Ahold een maandag 24 februari 2003 een persbericht uitgebracht. In een geschrift D/7002, zijnde het persbericht is onder andere het volgende te lezen:
de jaarrekeningen van 2000 en 2001 en de interim resultaten 2002 zullen worden herzien;
de CEO en CFO aftreden, zijnde [medeverdachte1] en [medeverdachte2];
Ahold aankondigt zijn joint ventures ICA Ahold, JMR en Disco Ahold, onder zowel Dutch GAAP als US GAAP, proportioneel te zullen consolideren, met ingang van het boekjaar 2002;
Ahold ook de vergelijkende cijfers zal corrigeren naar proportionele consolidatie van ICA Ahold, JMR en Disco Ahold;
Daarnaast een correctie zal plaatsvinden van de financiële verslaglegging voor de proportionele consolidatie van Bompreço en [dhr. C. P.] Ahold over de periode dat het aandeel van Ahold in deze ondernemingen 50% bedroeg;
Het besluit tot proportionele consolidatie is genomen naar aanleiding van informatie die voorheen niet beschikbaar was voor de controlerende accountants.
Blijkens het geschrift zijnde het jaarverslag 2003 (p. 127) is [verdachte] per 20 februari 2004 afgetreden als lid van de Raad van Bestuur van Ahold.
Blijkens het ambtsedig opgemaakt overzichtsproces-verbaal (OPV [medeverdachte3] p. 3) is [medeverdachte3] in juni 2004 reglementair afgetreden als lid van de Raad van Commissarissen.
Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte als feit 1 primair is te laste gelegd.
Uit de tekst van de brief van 24 augustus 1998 van D&T aan [medeverdachte2] volgt dat D&T van oordeel was dat naar Amerikaans jaarrekeningenrecht aanpassing van de joint venture overeenkomst nodig was (“adjust”). Dit oordeel sluit aan bij de Amerikaanse verslaggevingvoorschriften, waar zoals onder feit 3 tweede gedeelte zal worden uiteengezet voor consolidatie naar US GAAP ‘control’ moet blijken uit een schriftelijk vastgelegde overeenkomst, statuten of een daarop gelijkend stuk. Ook de tekst van de control letter zelf verwijst naar de shareholders agreement.
Door de ondertekening van de control letter wordt vastgelegd dat in afwijking van de shareholders agreement partijen zijn overeengekomen dat als zich een situatie zou voordoen waarin de joint venture partners geen overeenstemming konden bereiken, het voorstel van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zou zijn. Partijen hebben hun handtekening onder de control letter gezet, terwijl de door Ahold gewenste aanpassing van de shareholders agreement door het ondertekenen van de side letter niet was overeengekomen.
Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/23 p. 6) blijkt dat hij heeft verklaard dat het niet anders kan, dan dat hij de control letter en side letter gelijktijdig aan verdachte heeft gegeven in de laatste week van april 2000. Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [dhr. van T.] (G-16/5 p. 5) heeft verdachte aan [dhr. van T.] aangegeven dat hij van [medeverdachte2] de control letter en side letter gelijktijdig heeft ontvangen en dat deze ondertekend moesten worden.
Uit het zogenaamde inktonderzoek, het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 17 januari 2005, blijkt aan met zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat op het moment dat verdachte zijn handtekening zet op de control letter D-139 2/4 de side letter D-139 3/4 eronder ligt.
Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte3] (V-6/3 p. 8) volgt dat de control letter in Stockholm is getekend en dat daarbij aanwezig waren verdachte en [dhr. H.].
Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [dhr. H.] (AH/34 p. 4-5) maakte [medeverdachte3] bij het tekenen van de brief wel een voorbehoud. [medeverdachte3] wilde daarover overleggen met zijn achterban, de ICA Förbundet retailers. Tevens verklaart [dhr. H.] dat hem verteld was dat de brief nodig was voor Dutch GAAP en dat de auditors het nodig hadden voor de consolidatie of zoiets. [medeverdachte3] verklaart blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (V-6/3 p. 4) dat hij nadat hij de control letter opnieuw gelezen had, hij kenbaar heeft gemaakt dat de control letter niet acceptabel was. Uit de verklaring van [dhr. H.] afgelegd bij de rechter-commissaris op 3 december 2004 (p.6) volgt dat [medeverdachte3] [dhr. H.] in het begin van de eerste week van mei 2000 belde en zei dat er een voorstel voor een control letter lag. [dhr. H.] heeft hem afgeraden om op het voorstel in te gaan. Een paar dagen na 5 mei 2000 hoorde [dhr. H.] telefonisch van [medeverdachte3] van de tweede side letter (p.7).
Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het bovenstaande vast dat de door Ahold in de control letter gestelde aanpassing van de shareholders agreement nooit is overeengekomen omdat de control letter werd getekend terwijl er een side letter was die de inhoud van de control letter herriep.
De stelling van [medeverdachte2] dat de control letter met de ondertekening van de side letter in stand bleef omdat de side letter een geheel ander doel diende dan de control letter, is niet aannemelijk geworden. De tekst van de side letter biedt hiervoor geen ruimte. Ook [medeverdachte3], één van de ondertekenaars, spreekt over een deleted letter. Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces verbaal van verhoor van [medeverdachte3] (V-6/3 p. 3) was de control letter in zijn beleving een ‘a deleted letter’, en had hij geen bestaansrecht meer omdat hij wist dat er een tweede brief was die de inhoud van deze brief volledig ontkende.
De stelling van [medeverdachte2] strookt ook niet met de in de vastgestelde feiten opgenomen conceptbrief van 23 september 2002 die Ahold aan ICA stuurt (D/145 2/2) waarin Ahold opnieuw probeert de overdacht van control vastgelegd te krijgen.
Anders dan de raadsman aanvoert volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen dat verdachte de control- en side letter gelijktijdig van [medeverdachte2] kreeg. De verklaring van [medeverdachte2] die, zoals hij zelf verklaart, is gebaseerd deels op basis van reconstructie en deels op basis van herinnering, is voldoende betrouwbaar. Mede omdat deze wordt ondersteund door de verklaring van [dhr. van T.]. Uit de bevindingen van het NFI kan worden afgeleid dat terwijl [verdachte] de control letter tekende de side letter er onder lag. Dit ondersteunt de verklaring van [medeverdachte2] dat verdachte de control en side letter gelijktijdig van [medeverdachte2] kreeg. De twee scenario’s met betrekking tot het NFI onderzoek die door de verdediging van verdachte naar voren zijn gebracht zijn theoretisch mogelijk, maar voor deze scenario’s is geen enkele ondersteuning is te vinden in het dossier en de rechtbank legt deze dan ook terzijde.
In zijn ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (V-3/23 p. 4-5) verklaart [medeverdachte2] dat het gezien de eenvoud van het document niet anders kan dan dat hij een uitleg heeft gegeven van de control letter aan verdachte en dat hij hem uitleg gegeven moet hebben van het doel en de strekking van de control letter, zodat verdachte dit kon meedelen aan de Scandinavische partners. Verder vindt [medeverdachte2] het, gezien de persoon [verdachte], niet aannemelijk dat [verdachte] aan hem geen uitleg zou hebben gevraagd over deze control letter en side letter. Verdachte verklaart zelf blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (V-4/2 p. 3) dat hij nog weet dat er op 2 mei 2000 aan de wens die [medeverdachte2] had ten aanzien van een brief voor de accountant is voldaan. Voorts verklaart [verdachte] nog dat hij de tekst van de brief gelezen heeft en dat de control- en side letter zijn aangeleverd door [medeverdachte2], omdat hij iets nodig had voor D&T. Hetgeen in die brieven is verwoord was naar zijn interpretatie niets anders dan dat Ahold “ business control” had, hetgeen overeenkwam met de werkelijkheid. Het tekenen door alle partijen was volgens hem slechts een formaliteit.
Gelet op deze verklaring van [medeverdachte2], de brief van 24 augustus 1998 van D&T, die in aanwezigheid van verdachte de vergadering van de Raad van Bestuur van 7 september 1998 is besproken, en de inhoud van de control letter zelf, staat naar het oordeel van de rechtbank de wetenschap van verdachte over het oogmerk van de control letter vast.
Voor de bewezenverklaring van medeplegen van artikel 225 Sr behoeft anders dan de raadsman van verdachte heeft aangevoerd verdachte niet zelf de stukken te hebben opgemaakt.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder feit 1 primair telastegelegde:
in de periode van 2 mei 2000 tot en met 5 mei 2000 te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of in Stockholm (Zweden) tezamen en in vereniging met een ander een brief D/139, te weten een zogeheten sideletter - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken, immers hebben verdachte en zijn mededader in voornoemde brief in strijd met de waarheid onder meer:
- de volgende vertaalde passage doen opnemen:
"Ahold begrijpt echter dat volgens de beste interpretatie van de Aandeelhoudersovereenkomst in het geval dat wij geen besluit in consensus kunnen bereiken over een bepaalde kwestie die wij niet kunnen oplossen tot wederzijdse tevredenheid van de aandeelhouders, dat in dat geval het voorstel van Ahold om die kwestie op te lossen uiteindelijk doorslaggevend zal zijn"
("Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders' Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders' mutual satisfaction Ahold's proposal to solve that issue will in the end be decisive") en
- ondertekend en door ICA Förbundet Invest AB en Canica AS doen ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde en
- daardoor doen voorkomen en/of vastgelegd en/of gesuggereerd dat Ahold en haar voornoemde wederpartijen overeengekomen waren dat voorstellen van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zouden zijn en dat Ahold overwegende zeggenschap had over de rechtspersoon ICA Ahold AB en
- een brief verzwegen, waarin de inhoud van voornoemde brief wordt weersproken door ICA Förbundet Invest AB en Canica AS,
zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.
Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte te laste is gelegd als feit 2 subsidiair.
Uit de bewijsmiddelen opgenomen onder de vaststaande feiten en feit 1 volgt dat de control letter inzake ICA Ahold aan D&T is overhandigd en dat de zogeheten control letter vals is omdat met deze control letter wordt gesuggereerd dat de joint venture partners zijn overeengekomen dat de voorstellen van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zijn, terwijl dat in werkelijkheid niet is overeengekomen, aangezien de control letter wordt ondertekend terwijl er een side letter is die de inhoud van de control letter herroept.
De side letter is door Ahold niet aan de accountant verstrekt. Zoals uit de vaststaande feiten blijkt raakte D&T op 25 oktober 2002 op de hoogte van de ICA side letter. Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/5 p.6 ) verklaart [medeverdachte2] ook de side letter inzake ICA Ahold niet aan D&T te hebben overhandigd.
Nu de accountant van oordeel was dat in verband met het Amerikaanse jaarrekeningenrecht aanpassing van de shareholders agreement nodig was, acht de rechtbank bewezen dat door de control letter wel en de side letter niet aan de accountant te verstrekken opzettelijk gebruik is gemaakt van de valse control letter ICA en opzettelijk voorhanden heeft gehad de valse control letter inzake ICA Ahold.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan deze door Ahold gepleegde valsheid in geschrifte.
Van feitelijk leiding geven door verdachte kan onder omstandigheden sprake zijn indien verdachte hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden maatregelen ter voorkoming van deze gedraging achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. Er kan pas sprake zijn van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans indien verdachte persoonlijk op de hoogte was van de verboden gedragingen. Verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van de gedragingen van [medeverdachte2].
Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen onder de vaststaande feiten en feit 1, staat vast dat verdachte op de hoogte was van het feit dat de control letter inzake ICA vals was. Tevens staat vast op grond van de vastgestelde feiten dat verdachte via de vergadering van de Raad van Bestuur op 7 september 1998 op de hoogte was van het feit dat de accountant voor de consolidatie van joint ventures naar Amerikaans jaarrekeningenrecht een aanpassing van de shareholders agreement nodig achtte. In die vergadering van de Raad van Bestuur werd blijkens de notulen beslist dat er een brief zou worden opgesteld waarin zou worden opgenomen dat Ahold de overwegende zeggenschap had. Voor zover deze wetenschap bij verdachte was weggezakt, hetgeen gelet op zijn achtergrond en positie in de Raad van Bestuur niet ondenkbaar is, werd hij hierop weer geattendeerd door de tekst van de control letter en de opmerkingen van [medeverdachte2] toen hij verdachte eind april 2000 de control- en side letter overhandigde. Indien er dan vervolgens geen wijziging plaatsvindt in de wijze van verslaglegging, een besluit dat met medeweten van verdachte als lid daarvan door de Raad van Bestuur wordt genomen, en Ahold ICA Ahold naar Amerikaans jaarrekeningenrecht volledig blijft consolideren, dan weet verdachte in aanmerking genomen zijn actieve rol en betrokkenheid bij ICA Ahold, ook al heeft hij geen financiële kennis of interesse, dat de valse control letter aan de accountant is overhandigd. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank de wetenschap van verdachte van het gebruik en het voorhanden hebben van de valse ICA control letter vast.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair telastegelegde:
Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) op tijdstippen in de periode van mei 2000 tot en met februari 2003 te Zaandam, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift als ware dit echt en onvervalst en/of een zodanig geschrift opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik, te weten:
een brief te weten een zogeheten sideletter (D/139) -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren en/of voorhanden hebben hierin dat Ahold dat geschrift heeft overhandigd aan Deloitte en Touche (de externe accountant van Koninklijke Ahold N.V.) en heeft opgenomen in de administratie van Koninklijke Ahold N.V. en bestaande die valsheid telkens hierin dat in voornoemd geschrift in strijd met de waarheid onder meer:
- de volgende vertaalde passage was opgenomen:
"Ahold begrijpt echter dat volgens de beste interpretatie van de Aandeelhoudersovereenkomst in het geval dat wij geen besluit in consensus kunnen bereiken over een bepaalde kwestie die wij niet kunnen oplossen tot wederzijdse tevredenheid van de aandeelhouders, dat in dat geval het voorstel van Ahold om die kwestie op te lossen uiteindelijk doorslaggevend zal zijn"
("Ahold understands that according to the best interpretation of the Shareholders' Agreement in the case that we reach no consensus decision on a certain issue which we are unable to resolve to shareholders' mutual satisfaction Ahold's proposal to solve that issue will in the end be decisive") en
- door Ahold is ondertekend en Ahold voornoemd geschrift heeft doen ondertekenen door ICA Förbundet Invest AB en Canica AS ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde en
- Ahold daardoor deed voorkomen en/of heeft vastgelegd en/of heeft gesuggereerd dat Ahold en haar voornoemde wederpartijen overeengekomen waren dat voorstellen van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zouden zijn en dat Ahold overwegende zeggenschap had over
ICA Ahold AB en
door Ahold een brief werd verzwegen en/of aan Deloitte en Touche werd onthouden waarin de inhoud van bovenstaande brief wordt weersproken door ICA Förbundet Invest AB en Canica AS,
aan welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, toen en daar, tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.
“Partners Put Option”
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft bij requisitoir geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 3, 4 en 5 opgenomen onderdeel dat betrekking heeft op de zogenaamde “Partners Put Option”, omdat de opzet op het niet vermelden van de “Partners Put Option”, in respectievelijk de toelichting op de balans en winst- en verliesrekening over 2000 en 2001. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk de “Partners Put Option” heeft verzwegen; voor zover dat al verplicht zou zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de jaarverslagen over 2000 en 2001, het prospectus van april/mei 2000 en de “Annual Reports on Form 20-F” van 2000 en 2001.
De verdediging
De verdediging van [verdachte] heeft ten aanzien van de “Partners Put Option” - zakelijk weergegeven -geconcludeerd dat er geen bewijs is dat de “Partners Put Option” ten onrechte niet in de jaarrekeningen, het prospectus van april/mei 2000 of de Forms 20-F is vermeld en heeft zich ter onderbouwing van dit standpunt bij dupliek aangesloten bij de verdediging van [medeverdachte1] (pleitnotities, tekstblokken 608-611 en 625) die zich op het standpunt stelt dat niet blijkt dat de “Partners Put Option” in voorboemde stukken vermoeld diende te worden..
Daarnaast heeft de verdediging van [verdachte] vrijspraak bepleit ten aanzien van dit onderdeel van de telastelegging omdat - zakelijk weergegeven - de “Partners Put Option” niet is verzwegen voor de banken en de accountant en er bij hun cliënt ten tijde van het opstellen van voornoemde documenten geen bewijs van wetenschap van het niet vermelden was. Van opzettelijk verzwijgen kan, aldus de verdediging, dan ook geen sprake zijn (pleitnota, tekstblokken 1077-1085).
Standpunt van de rechtbank
Op grond van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet eenduidig vast komen te staan of de “Parners Put Option” nu wel of niet vermeld, diende te worden in de toelichting op de balans en winst- en verliesrekening over 2000 en 2001, het prospectus van april/mei 2000 dan wel de “Annual Reports on Form 20-F” van 2000 en 2001. De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk de “Partners Put Option” heeft verzwegen; voor zover dat al verplicht zou zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3, 4 en 5 telastegelegde onderdeel dat betrekking heeft op de “Partners Put Option”.
Ten aanzien van het onder 3 eerste deel telastegelegde
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte als feit 3 in het eerste deel is te laste gelegd.
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het eerste deel van feit 3. Zij voert daartoe aan dat Ahold ten onrechte ICA Ahold heeft geconsolideerd omdat er geen sprake was van een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW, aangezien niet is komen vast te staan dat Ahold financieel en operationeel overwegende zeggenschap had. Het Openbaar Ministerie heeft hiertoe in haar requisitoir aansluiting gezocht bij de deskundige [prf. dr. J. K.].
De verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij voert daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Bij de beslissing om al dan niet te consolideren draait het om de vraag of de onderneming van oordeel is dat zij doorslaggevende invloed heeft op het beleid in de andere onderneming. Het gaat om het subjectief oordeel van de onderneming. De toetsing door de rechter van een beslissing van de ondernemingsleiding kan slechts marginaal zijn omdat enkel bij evident onjuiste beoordelingen en inschattingen de rechter kan ingrijpen. De aard van de strafprocedure brengt met zich mee dat de strafrechter nog marginaler toetst. Ahold gaf de voorkeur aan integrale consolidatie en niet is vastgesteld dat het management ten onrechte meende dat Ahold in de joint ventures feitelijk beleidsbepalend was.
Standpunt van de rechtbank
De rechtbank gaat er gelet op de tekst van de telastelegging van uit dat dit onderdeel van de telastelegging slechts ziet op Dutch GAAP.
De strafbepaling van artikel 336 Sr sluit aan, voorzover het een lichaam betreft dat valt onder artikel 2:360 BW, bij de betekenis die die woorden hebben in titel 9 artikel 2:362 lid 2 en 3 BW.
In artikel 2:406 BW is bepaald dat de rechtspersoon die aan het hoofd van een groep staat, verplicht is een geconsolideerde jaarrekening in de toelichting van zijn jaarrekening op te nemen. Het hoofd van de groep wordt hierna ook aangeduid met ‘moedervennootschap’, de andere leden van de groep met ‘dochtervennootschap’.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wetsgeschiedenis en de context van artikel 2:406 BW dat een rechtspersoon die niet aan het hoofd van een groep staat niet (integraal) mag consolideren.
Of sprake is van een groep als bedoeld in artikel 2:406 BW staat geregeld in artikel 2:24b BW. De tekst van die bepaling luidt sinds 1988:
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
Over de exacte invulling van de begrippen ‘economische eenheid’ en ‘organisatorische verbondenheid’ bestaat in de vakliteratuur niet volledige eenstemmigheid. Enerzijds zijn er deskundigen die op basis van artikel 1, lid 2, 7e Richtlijn (Richtlijn 83/349/EEG) menen dat voldoende is dat de moedervennootschap feitelijk op wezenlijke punten overheersende invloed heeft. Anderzijds menen sommige experts dat vereist is dat de moedervennootschap over de dochtervennootschap(pen) op basis van een regeling overheersende invloed uitoefent of daarover de centrale leiding heeft (vaak aangeduid met de uitdrukking ‘de jure control’) én dat die dochtervennootschappen zijn opgenomen in de totale organisatie van de moedervennootschap, daarvan ook deel uitmaakt en onderworpen is aan de richtlijnen van de moedervennootschap.
Voor de uitleg van artikel 2:24b jo artikel 2:406 BW acht de rechtbank tevens het volgende van belang. Blijkens artikel 2:410 BW zijn de bepalingen van titel 9 Boek 2 BW - een aantal niet van belang zijnde uitzonderingen daargelaten - van overeenkomstige toepassing op de geconsolideerde jaarrekening.
Dit betekent dat de grondnorm uit artikel 2: 362 BW naar het oordeel van de rechtbank ook op de geconsolideerde jaarrekening van toepassing is. De grondnorm uit artikel 2:362 lid 1 BW luidde van 14 februari 1997 tot 30 september 2004 als volgt:
De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon (…).
Uit deze norm kan worden afgeleid dat het bij het opstellen van een jaarrekening niet om een optimaal of maximaal inzicht gaat. Voldoende is dat het geboden inzicht tot een verantwoord oordeel in staat stelt. Van een schending van titel 9 Boek 2 BW kan dan ook eerst sprake zijn indien de ondernemer de ruimte die hem bij het opstellen van een jaarrekening in redelijkheid moet worden gelaten heeft overschreden. Anders gezegd de ondernemingsleiding komt bij het opstellen van de jaarrekening een zekere beoordelingsvrijheid toe (vgl. het zogenoemde KPN-arrest, HR 10 februari 2006, NJ 2006, 241).
Bij de invulling van de vraag of sprake is van een groepsmaatschappij speelt de grondnorm uit artikel 2:362 BW een rol. Dit betekent dat bij het opstellen van een geconsolideerde jaarrekening - en dus indirect ook bij de vraag of sprake is van een groep - geldt dat de ondernemingsleiding een zekere beoordelingsvrijheid toekomt. Van een schending van titel 9 Boek 2 BW kan dan ook eerst sprake zijn als de ondernemingsleiding in redelijkheid niet tot het standpunt had kunnen komen dat zij hoofd van een groep was.
Anders dan het Openbaar Ministerie mogelijk meent, doet aan het voorgaande niet af dat artikel 2:24b BW niet in titel 9 (De jaarrekening en het jaarverslag), maar in titel 1 (Algemene Bepalingen) voorkomt. In de wetsgeschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de wetgever de omschrijving van het begrip ‘groep’ bewust in titel 1 heeft opgenomen om daarmee artikel 2: 24b BW buiten het bereik van de grondnorm uit titel 9 Boek 2 BW te houden. Er bestaat ook geen valide wetsystematisch argument voor die opvatting. De rechtbank ziet haar oordeel bevestigd door de wetswijziging van artikel 2: 406 BW (Stb. 2005, 377) welke met ingang van 27 juli 2005 in werking is getreden en waarbij de wetgever de consolidatievereisten (vanaf genoemde datum ‘overheersende zeggenschap kunnen uitoefenen’, dan wel ‘het hebben van de centrale leiding’) in artikel 2:406 BW heeft geplaatst, zodat vanaf die datum bij de vraag of sprake is van een groep rechtstreeks uit genoemde wetsbepaling af te leiden valt dat de ondernemingsleiding een zekere beoordelingsvrijheid toekomt. In de wetsgeschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de wetgever op dit punt een wijziging van de bestaande situatie beoogde.
Niet is komen vast te staan dat Ahold in redelijkheid op basis van objectieve maatstaven niet tot het standpunt had kunnen komen dat Ahold ten aanzien van de rechtspersoon ICA Ahold hoofd was van de groep.
Immers op grond van het dossier en op basis van het verhandelde ter terechtzitting staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat Ahold op wezenlijke punten feitelijk overheersende invloed had over de rechtspersoon ICA Ahold.
Gelet op de ten tijde van de consolidatie bestaande standpunten van deskundigen was verdedigbaar dat volledig werd geconsolideerd indien een vennootschap binnen een groep overheersende invloed had. Nu in het dossier onvoldoende aanwijzingen zijn te vinden waaruit moet worden afgeleid dat Ahold in de telastegelegde periode in redelijkheid niet tot haar standpunt had kunnen komen, zoals bijvoorbeeld aanwijzingen van de accountant dat Ahold’s consolidatiewens ten aanzien van Dutch GAAP onjuist was, kon Ahold de genoemde rechtspersonen consolideren.
De enkele omstandigheid dat Ahold in februari 2003 besloot ICA Ahold vanaf 1 januari 2000 niet langer geconsolideerd in haar jaarrekeningen op te nemen, welk besluit er onder andere toe leidde dat de jaarrekeningen over 2000 en 2001 moesten worden herzien, kan niet als een zodanige aanwijzing worden gezien. Immers los van de omstandigheden waaronder die beslissing tot stand kwam, komt aan de ondernemingsleiding - zoals hierboven overwogen - een zekere beoordelingsvrijheid toe. Om die reden is denkbaar dat zowel integrale consolidatie als partiële consolidatie (als bedoeld in artikel 2:409 BW) of waardering tegen netto vermogenswaarde (als bedoeld in artikel 2:389, lid 2, BW) conform titel 9 Boek 2 BW mogelijk is.
De rechtbank maakt de conclusie van [prof. dr. J.H.R. van de P.] (welke het Openbaar Ministerie heeft overgenomen) dat het aangaan van onderhandelingen over het sluiten van een control letter met zich meebracht dat Ahold vanaf dat moment niet meer kon menen dat zij op wezenlijke punten feitelijk beleidsbepalend was, niet tot de hare omdat deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd met redengevende argumenten.
Verdachte dient op grond van het voorgaande te worden vrijgesproken van dit onderdeel onder feit 3.
Ten aanzien van het onder 3 tweede deel telastegelegde
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte te laste is gelegd als feit 3 tweede gedeelte.
Bij de beoordeling van dit feit dient allereerst te worden beantwoord de vraag of Ahold ICA Ahold naar Amerikaans jaarrekeningenrecht mocht consolideren.
Hierbij zijn onder meer de volgende documenten van belang:
1) de richtlijnen (Statements) afkomstig van de Financial Acounting Standard Board (FASB), met name de ARB 51;
2) de Regulations van de Securities and Exchange Commission (SEC), met name Rule 3A-02(a) [17 C.F.R. 210.3A-02(a)] en Regulation S-X [17 CFR Part 210] Reg. § 210.1-02;
3) de SEC-Opinie van 5 juli 1984 (Coopers & Lybrand and [B. C.].
Blijkens het geschrift (D/155 p. 13) bepaalt Richtlijn ARB 51 met betrekking tot het consolideren het volgende :
There is a presumption that consolidated statements are more meaningful than separate statements and that they are usually necessary for a fair presentation when one of the companies in the group directly or indirectly bas a controlling financial interest in the other companies.
The usual condition for a controlling financial interest is ownership of a majority voting interest, and, therefore, as a general rule ownership by one company, directly or indirectly of over fifty per cent of the outstanding voting shares of another company is a condition pointing toward consolidation.
Als SEC-registrant diende Ahold zich tevens te houden aan de regelgeving van de SEC. In het verslag van de deskundige [dhr. D. S.] van Kroll inc. d.d. 27 maart 2006 staat opgenomen Rule 3A-02(a) waarin staat met betrekking tot consolideren:
In deciding upon consolidation policy, the registrant must consider what financial presentation is most meaningful in the circumstances and should follow in the consolidated financial statements principles of inclusion or exclusion which will clearly exhibit the financial position and results of operations of the registrant. There is a presumption that consolidated statements are more meaningful than separate statements and that they are usually necessary for a fair presentation when one entity directly or indirectly has a controlling financial interest in another entity. Other particular facts and circumstances may require combined financial statements, an equity method of accounting, or valuation allowances in order to achieve a fair presentation. In any case, the disclosures required by § 210.3A-03 should clearly explain the accounting policies followed by the registrant in this area, including the circumstances involved in any departure from the normal practice of consolidating majority owned subsidiaries and not consolidating entities that are less than majority owned. Among the factors that the registrant should consider in determining the most meaningful presentation are the following:
(a) Majority ownership: Generally, registrants shall consolidate entities that are majority owned and shall not consolidate entitles that are not majority owned. The determination of "majority ownership" requires a careful analysis of the facts and circumstances of a particular relationship among entities. In rare situations, consolidation of a majority owned subsidiary may not result in a fair presentation, because the registrant, in substance, does not have a controlling financial interest (for example, when the subsidiary is in legal reorganization or in bankruptcy, or when control is likely to be temporary). In other situations, consolidation of an entity, notwithstanding the lack of technical majority ownership, is necessary to present fairly the financial position and results of operations of the registrant, because of the existence of a parent-subsidiary relationship by means other than record ownership of voting stock
Uit voornoemd deskundigeverslag blijkt voorts nog het volgende. De SEC definieert – in Regulation S-X (17 CFR Part 210) Reg. § 210.1-02 – ‘control’ als volgt:
Control. The term "control" (including the terms "controlling," "controlled by" and "under common control with") means the possession, direct or indirect, of the power to direct or cause the direction of the management and policies of a person, whether through the ownership of voting shares, by contract, or otherwise.
Op 27 november 1984 heeft de SEC in de zaak Coopers & Lybrand and [dhr. M. C.] (Admin. Proc. File No. 3-6381) een opinie over consolideren op basis van ARB 51 en Rule 3A-02 afgegeven.
The first question to be considered here and in similar situations is the possibility of the need for consolidation. "The purpose of consolidated statements is to present, primarily for the benefit of the shareholders and creditors of the parent company, the results of operations and the financial position of a parent company and its subsidiaries essentially as if the group were a single enterprise" ARB … No. 51. P1. It is presumed that consolidated financial statements are more meaningful than separate financial statements and that they are usually necessary when one entity in the group directly or indirectly has a controlling financial interest in another. …
Ownership … of a majority voting interest usually evidences "a controlling financial interest" within the meaning of ARB No. 51. Thus, "ownership by one company, directly or indirectly, of over fifty percent of the outstanding voting shares of another company" must be considered "a condition pointing toward consolidation." ARB No. 51 P2.
The general rule favoring consolidation when majority ownership is present is reflected in Rule 3A-02(a) of Regulation S-X […. 201.3A-02(a)] which provides in part "that the registrant shall not consolidate: (1) Any subsidiary which is not majority owned * * *" Rule 3A-02(a) was intended as an anti-manipulation provision designed to prevent a company from utilizing consolidation to artificially enhance reported operating results by consolidating the results of other entities when, as is normally the case in the absence of majority ownership, the requisite control relationship is lacking.
There do, however, arise situations in which control, apart from actual majority ownership, strongly suggests the need for consolidation in order to accurately depict the economic realities of the relationship between two entities. In deciding on consolidation policy …"the aim should be to make the financial presentation which is most meaningful in the circumstances." ARB No. 51, P3 (emphasis supplied). Substance must govern form in the application of accounting principles. APB Statement No. 4. In view of these overriding aims, consolidation may be required in the absence of majority ownership in form where one entity in substance achieves the same effect as majority ownership through control by contract or otherwise. ….
Uit bovenstaande documenten leidt de rechtbank inzake de mogelijkheid voor Ahold om te consolideren het volgende af.
Ook naar US GAAP is het doel van consolideren om de jaarresultaten en de vermogens van de moedervennootschap en haar dochterondernemingen te presenteren als ware er sprake van één onderneming. De veronderstelling hierbij is dat geconsolideerde jaarrekeningen waardevoller zijn dan afzonderlijke jaarrekeningen en dat ingeval sprake is van een vennootschap met een ‘controlling financial interest’ in een andere vennootschap geconsolideerde jaarrekeningen normaliter nodig zijn om een ‘fair presentation’ (getrouw beeld) te verkrijgen. Een ‘controlling financial interest’ is doorgaans aanwezig indien de moeder meer dan 50% van de stemrechten in de dochter bezit. Hoofdregel volgens US GAAP is dat een moedervennootschap een meerderheidsdeelneming wel en een minderheidsdeelneming niet consolideert. Onder omstandigheden kan ‘control’ op iets anders dan op de meerderheid van de stemrechten zijn gebaseerd in welk geval ook een minderheidsaandeelhouder mag consolideren.
Onder ‘control’ verstaat de SEC de macht om op basis van stemrechten, een overeenkomst of ‘iets anders’ een lichaam te besturen en haar beleid te bepalen.
Op basis van de uitleg die de SEC aan de ARB 51 en aan Rule 3A-02 (a) geeft mag naar het oordeel van de rechtbank een vennootschap als Ahold consolideren als zij de meerderheid van de stemrechten bezit (uitzonderingen, die voor deze strafzaak niet relevant zijn, daargelaten). Zij mag ook consolideren als zij op basis van een overeenkomst of iets anders ‘control’ heeft over de dochtervennootschap.
Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op het verband waarin de SEC deze woorden gebruikt en de strekking van de ARB 51 en Rule 3A-02 (a), zoals die volgt uit de hierboven opgenomen opinie, onder ‘overeenkomst of iets anders’ in dit verband een schriftelijk vastgelegde overeenkomst, statuten of iets dergelijks worden verstaan.
Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat een vennootschap die geen ‘control’ heeft of de ‘control’ moet delen met een andere vennootschap naar US GAAP (zogenaamde ‘joint control’) niet mag consolideren. Zolang ‘invloed’ niet tot ‘control’ leidt, is invloed een onvoldoende basis om naar US GAAP te consolideren.
Niet is komen vast te staan dat Ahold op basis van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst of iets dergelijks control had. Uit de vaststaande feiten volgt immers dat volgens de joint venture-overeenkomst de stemrechten gelijkelijk waren verdeeld en uit het overwogene onder feit 1 volgt dat een wijziging op dat punt van die joint venture overeenkomst nooit is overeengekomen. Ook de zogenaamde deadlock-procedure duidt op ‘joint control’.
Zolang Ahold derhalve geen meerderheid van de stemrechten in ICA Ahold bezat mocht Ahold genoemde vennootschappen op basis van US GAAP niet consolideren.
Dit standpunt wordt in het dossier gedeeld door de volgende personen:
- Blijkens het geschrift D/71 stelt [dhr. T.] van KPMG dat de SEC uitsluitend een schriftelijk vastgelegde overeenkomst (of iets dergelijks) accepteert als basis voor control; de intentie van de joint venture-partijen is niet relevant.
- Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (AH/78) verlangt [dhr. O.] van D&T US een ‘agreement’ en gaat hij impliciet uit van een geschreven document als basis voor ‘control’.
- Door [mw. Van I.], medewerker van Ahold, die blijkens het geschrift D/160 p. 2 in haar notitie van 26 januari 2000 opmerkt dat een aandeelhouder die slechts 50% of minder van de aandelen bezit alleen mag consolideren indien uit de joint venture overeenkomst of uit de statuten blijkt dat sprake is van control.
- Door de onderzoekers van de Ondernemingskamer die samenvattend in hun deskundigenverslag in tekstblok 129 concluderen dat US GAAP bepaalt dat een vennootschap een deelneming slechts volledig kan consolideren als zij de andere vennootschap door middel van stemrechten, overeenkomst of anderszins, beslissingen kan opleggen en dat zij nergens uitlatingen hebben aangetroffen die hiermee strijdig zijn.
Ook indien de rechtbank ervan uitgaat dat de ondernemingsleiding bij beoordelen van de vraag of sprake is van ‘control’ een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, is Ahold is bij haar destijds genomen besluiten om naar US GAAP te consolideren – gelet op bovenstaande overwegingen van de rechtbank en de geïsoleerdheid van het destijds door Ahold ingenomen standpunt - niet binnen die ruimte gebleven.
Voorzover de verdediging zich op onderdelen uit de Appendix A 20 bij de FAS 94, de EIFT 96-16 en/of de EIFT 97-2 beroept, overweegt de rechtbank het volgende.
Op pagina 13 en 14 van het deskundigenrapport van [prof. dr. L.] (D/155) staat het volgende citaat uit de Appendix A 20 bij de FAS 94:
The (Rechtbank: Financial Accounting Standard) Board has tentatively concluded that the concept should be based primarily on control rather than on ownership of a majority of voting interest, which is the most common but not the only means of controlling a subsidiary. However, the Board has not yet reached agreement on some significant issues, including precisely how to determine if means other than majority ownership have resulted in control and what techniques of consolidation would best report the effects of noncontrolling (minority) interests that arise because subsidiaries are only partially owned. Since more considerations of those matters is needed, the Board's tentative conclusions on a concept of reporting entity for business enterprises is not yet ready to be issued.
Uit dit citaat kan echter niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat ‘control’ een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is. Daar komt bij dat bovenstaande conclusie van de Board blijkens het deskundigenverslag van [prof. dr. J.H.R. van der P.] op pagina 19 nog altijd niet tot een definitieve richtlijn heeft geleid.
Blijkens een geschrift D/277 p. 3 staat in de EIFT 96-16 ‘Investor's Accounting for an Investee When the Investor Has a Majority of the Voting Interest but the Minority Shareholder or Shareholders Have Certain Approval or Veto Rights’ dat de meerderheidsaandeelhouder niet mag consolideren indien een minderheidsaandeelhouder ‘participating rights’ heeft. Bezit de minderheidsaandeelhouder slechts ‘protective rights’ dan is consolidatie door de meerderheidsaandeelhouder, blijkens het deskundigenverslag van [prof. dr. L.] D/155 p. 14, wel toegestaan. Zoals volgt uit de titel van deze EIFT, de bovenstaande samenvatting, en gelet op de opvatting van [prof. dr. van der P.] en het standpunt van [dhr. T.], is de rechtbank van oordeel dat de EIFT 96-16 niet toestaat dat er geconsolideerd wordt in een situatie dat een aandeelhouder met 50% of minder van de stemrechten slechts beperkte ‘participating rights’ heeft (en dus geen control heeft). Reeds om die reden kan uit de EIFT 96-16 niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat control een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is.
Ook het beroep op de EIFT 97-2 ‘Physician Practice Management Entities and Certain Other entities with Contractual Management Arrangements’ (D/277, pagina 3/7 en Rapport OK tekstblok 124) verwerpt de rechtbank. Deze EIFT houdt - samengevat - in dat als sprake is van een ‘controlling financial interest’ ingevolge een overeenkomst die cumulatief aan 6 voorwaarden voldoet, consolideren - ook zonder het bezit van de meerderheid van de stemrechten - is toegestaan (D/277, pagina 3/7). Reeds omdat Ahold met betrekking tot de joint venture ICA niet cumulatief aan de 6 voorwaarden voldeed (D/278, pag. 4/7, en het Deskundigenrapport [prof. dr. van der P.], Hoofdstuk 5, pagina 20; waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat [prof. dr. van der P.] met EITF 92 bedoeld EIFT 97-2) kan uit de EIFT 97-2 niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat control een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is.
Ahold heeft ICA Ahold in de jaarrekening – zoals die in de in de tenlastelegging genoemde jaarverslagen zijn opgenomen – geconsolideerd. Ahold mocht gelet op het vorenoverwogene genoemde vennootschap naar Amerikaans jaarrekeningenrecht niet consolideren.
Verdachte wordt verweten dit in het jaarverslag niet tot uitdrukking te hebben gebracht onder “het resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde staten.”.
Over waarom dit onderdeel is opgenomen in het jaarverslag verklaart [dhr. V.] in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (V-5/11 p. 2) als volgt:
“Dit is ter informatie opgenomen. De Nederlandse beursautoriteiten schrijven voor dat dezelfde informatie gelijktijdig aan alle markten ter beschikking moeten worden gesteld. Als gevolg van het feit dat Ahold ook aan de Amerikaanse beurs genoteerd staat moet Ahold bij de SEC een Form 20-F filen. Onderdeel van de Form 20-F is een reconciliatie van het netto resultaat en het eigen vermogen naar US GAAP. Deze informatie moet dus ook aan de Nederlandse markt beschikbaar worden gesteld.
Overigens is dit een verplichting van de Nederlandse beurs. De Wet op de Nederlandse Jaarrekening schrijft dit niet voor. Dit is dan ook geen onderdeel van de jaarrekening.”
Die verplichting blijkt uit de in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling AH/87 p. 7-8) opgenomen tekst van artikel 25 van het Fondsenreglement van de Amsterdamse effectenbeurs die voor zover van belang luidt:
“De uitgevende instelling welker aandelen, of certificaten hiervan, zijn toegelaten en waarvan de aandelen tevens zijn toegelaten tot de officiële notering aan:
in één of meer andere Lid-Staten of werkzame effectenbeurzen, moet ervoor zorgdragen dat aan de markt van elk der beurzen, waar toelating is verkregen, gelijkwaardige informatie wordt verstrekt. ”
Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (AH/87 p.2) moet in een Form 20-F een zogenaamde ‘reconciliation note’ worden opgenomen. Deze “reconciliation” tussen home country GAAP en US GAAP moet een beschrijving bevatten van de verschillen tussen home country GAAP en US GAAP en een cijfermatig aansluiting bevatten van de verschillen tussen home country GAAP en US GAAP. Alle materiële verschillen moeten in de “reconciliation note” worden opgenomen. Men is vrij in het bepalen welke methode gebruikt wordt voor de aansluiting van home country GAAP naar US GAAP. Welke methode ook gebruikt wordt, een lezer moet in staat zijn om een US GAAP balans te kunnen reconstrueren vanuit de informatie welke in de “reconciliation note” gegeven is. De meest gehanteerde methode is de aansluiting van eigen vermogen en netto resultaat volgens home country GAAP naar eigen vermogen en netto resultaat volgens US GAAP. In sommige situaties kan deze informatie niet genoeg zijn om een US GAAP balans te reconstrueren. Bijvoorbeeld als een verschil tussen home country GAAP en US GAAP een effect heeft op elke balanspost. In dat geval is het mogelijk noodzakelijk om een verkorte balans onder US GAAP op te nemen.
Getuige [dhr. S.] verklaart blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (G-25/1 p. 20) dat, als er onder Dutch GAAP volledig geconsolideerd wordt en onder US GAAP niet, er een verandering zal optreden in de reconciliatie. De omvang van het resultaat en eigen vermogen onder US GAAP verandert niet. Het verschil zal tot uiting komen in de samenstelling van het resultaat en het vermogen, er vinden verschuivingen plaats. Er zal een regel resultaat deelnemingen in de reconciliatie van het resultaat komen en een regel deelnemingen in de reconciliatie van het eigen vermogen. Door het wel consolideren onder Dutch GAAP en niet consolideren onder US GAAP zullen er verschuivingen binnen de reconciliatie plaatsvinden van de bestaande verschillen naar resultaat deelneming en deelneming. Vanzelfsprekend zal ook de condensed financial statements volgens US GAAP in Form 20F veranderen.
Getuige [dhr. E.] bevestigt blijkens het proces-verbaal van verhoor (G-1/1 p.7) dat wanneer de joint ventures volgens US GAAP niet volledig meegeconsolideerd mochten worden en volgens Dutch GAAP wel dit verschil in de Form 20-F en het Nederlandse jaarverslag tot uitdrukking zal komen in het overzicht van de aansluiting tussen Dutch GAAP naar US GAAP, de reconciliatie.
Getuige [dhr. S.] verklaart blijkens het proces-verbaal van verhoor (G-2/2 p. 2) over het jaarverslag 2002 dat de deconsolidatie van de joint ventures er in de aansluiting toe heeft geleid dat de betreffende joint ventures zijn opgenomen in de regel aandeel in resultaat deelnemingen welke voorheen was onderverdeeld in de regels daarboven. Van de totaal 588 miljoen Euro aandeel in resultaat van joint ventures heeft 566 miljoen Euro betrekking op de herrubricering van goodwill die betrekking heeft op de joint ventures naar aandeel in resultaat van joint ventures.
Naar het oordeel van de rechtbank had Ahold gelet op het vorenstaande in haar jaarverslagen onder het kopje “het resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde staten” tot uitdrukking dienen te brengen dat naar US GAAP niet mocht worden geconsolideerd. Nu dit is nagelaten, is het geschrift in zoverre in strijd met de waarheid opgesteld. In de geschriften zijnde de jaarverslagen van Koninklijke Ahold N.V. over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/99 p. 84, D/100 p. 78, D/101 p. 78 en D/102 p. 73-73) staan immers enkel de volgende verschillen genoemd, waarbij geldt dat niet in elk jaarverslag elk verschil is genoemd:
- Goodwill
- Pensioenen
- Herwaardering van het onroerend goed
- Herstructureringskosten USA
- Voorzieningen
- Overige aanpassingen
- Winst verkoop onroerend goed
- SFAS 133
- Overige
betrekking hebbend op SOP 98-I
- Verwaterde winst per gewoon aandeel volgens US GAAP
- Belastingeffecten
- Dividend cumulatief preferente financieringsaandelen
- Dividend gewone aandelen.
Over de verantwoordelijkheid voor het jaarverslag verklaarde [medeverdachte2] blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (V-3/1 p. 15 en 16) dat [medeverdachte1] het voorwoord maakte en dat de beschrijvende teksten voornamelijk gemaakt werden door de afdeling communicatie en dat de afdeling controlling, waar B. [dhr. V.] verantwoordelijk voor was, voor het cijfermatig gedeelte zorgde. Daarnaast had de externe accountant ook een hele belangrijke rol. Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/11 p. 3) is de Raad van Bestuur verantwoordelijk voor de gehele jaarrekening. De stem van ieder lid van de Raad van Bestuur was even zwaar, met uitzondering van [medeverdachte1] die als CEO de zwaarste stem had. De verantwoordelijkheid werd collectief gedragen binnen de Raad van Bestuur. Er werd geluisterd naar de specifieke deskundigheid van het betreffende lid. De leden van de Raad van Bestuur waren niet alleen formeel verantwoordelijk voor de jaarrekening, maar zij voelden zich ook verantwoordelijk voor de gehele jaarrekening. [medeverdachte2] was in de Raad van Bestuur weliswaar verantwoordelijk voor het financiële beleid, maar ieder lid had de verantwoordelijkheid voor het geheel en dus ook voor het financiële beleid en de jaarrekening. Blijkens de geschriften, zijnde de jaarverslagen van Koninklijke Ahold N.V. over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/99 p. 7, D/100 p. 13, D/101 p.11 en D/102 p. 7), zijn de jaarverslagen ook namens de Raad van Bestuur ondertekend door [medeverdachte1].
Zoals uit de bewijsmiddelen opgenomen onder de voorgaande feiten blijkt wist verdachte gezien de brief van D&T van 24 augustus 1998 en gelet op hetgeen [medeverdachte2] hem had verteld toen hij de brieven inzake ICA Ahold overhandigde dat voor consolidatie naar US GAAP een aanpassing van de joint venture overeenkomst nodig was. Nu verdachte ook wist dat die aanpassing er ten aanzien van ICA Ahold niet was en hij heeft nagelaten zulks bij de bespreking van het jaarverslag te vermelden, heeft hij het jaarverslag samen met anderen vals opgemaakt.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder feit 3 na de woorden "en/of" telastegelegde:
op tijdstippen in de periode van maart 2001 en maart 2002, te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens een geschrift getiteld:
"resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde Staten", zoals opgenomen in de jaarverslagen 2000 en 2001 (D/101 en D/102), zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens in strijd met de waarheid in voornoemde "resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde Staten"
- nagelaten te doen vermelden en/of nagelaten te doen verwerken dat volledige consolidatie door Ahold N.V. van de rechtspersoon ICA Ahold AB niet mogelijk was naar het Amerikaans jaarrekeningenrecht (US GAAP),
zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.
Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van het aan verdachte onder feit 4 primair en subsidiair telastegelegde tot vrijspraak gerequireerd.
De verdediging
Bij pleidooi (pleitnota, tekstblokken 1353-1363) heeft de verdediging van [verdachte] eveneens vrijspraak bepleit.
Standpunt van de rechtbank
De rechtbank is met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als pleger, medepleger of als feitelijk leidinggever opzettelijk de onder 4 primair en subsidiair telastegelegde feiten heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Aan een beoordeling van het subsidiair gevoerde verweer dat - kortgezegd - sprake zou zijn van veranderde wetgeving en de meest gunstige bepaling dient te worden toegepast, komt de rechtbank derhalve niet toe.
Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte te laste is gelegd als feit 5 subsidiair.
Zoals is opgenomen onder feit 3 eerste gedeelte heeft Ahold naar Nederlands jaarrekeningenrecht JMR ten onrechte geconsolideerd. Nu de consolidatie van de omzet -/ balansgegevens van JMR cijfermatig absoluut en relatief van een dermate gering gewicht zijn, hetgeen Ahold en de accountants in de telastegelegde periode ook meenden, kan het oogmerk niet worden bewezen.
In de 20-F’s, welk in de telastelegging zijn genoemd, zijn de balansen en resultatenrekeningen opgesteld naar Dutch GAAP. De rechtspersoon ICA Ahold is daarin geconsolideerd opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank diende zoals is overwogen onder feit 3 tweede gedeelte in ieder geval in de “reconciliation note” in de Form 20-F tot uitdrukking te worden gebracht dat genoemde rechtspersoon niet naar US GAAP mochten worden geconsolideerd.
Nu is nagelaten dit tot uitdrukking te brengen, is in de Form 20-F in strijd met de waarheid gesuggereerd dat Ahold ‘control’ had over de genoemde geconsolideerde rechtspersoon terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was. In de geschriften zijnde de Forms 20-F van Ahold over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/119 p. 71-71, D/120 p. 79-80, D/121 p. 104 e.v. en D/122 p.115 e.v. ) staan immers enkel de volgende verschillen genoemd, waarbij geldt dat niet in elke Form 20-F elk verschil is genoemd:
- Goodwill
- Pensions
- Revaluation of real estate
- Revaluation of tangible fixed assets
- Restructuring costs
- Reorganization costs
- Sale-leaseback of property
- Derivatives
- Software costs
- Deferred taxes
- Settlement of Cross-participations
- Other provisions
- Dividend cumulative preferred financing shares
- Diluted net earnings per common share
- Proposed dividends on common shares
- Earnings per share
- New accounting pronouncements
- Other ( SOP 98-I)
- Comprehensive income
Blijkens de geschriften zijn de de Forms 20-F van Ahold over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/119 p. 77, D/120 p. 86, D/121 p. 112. en D/122 p.128. ) door [medeverdachte1] als president van de Raad van Bestuur getekend op respectievelijk 12 april 1999, 12 april 2000, 9 april 2001 en 9 april 2002.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan deze door Ahold gepleegde valsheid in geschrifte.
Onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen onder de vaststaande feiten en de feiten 1 en 2 wist verdachte dat de control letter inzake ICA vals was. Tevens was verdachte op de hoogte van het doel van de control letter.
Voorts wist verdachte als lid van de Raad van Bestuur dat er geen wijziging had plaatsgevonden in de wijze van verslaglegging naar US GAAP. Verdachte wist dan ook dat ICA Ahold in de Form 20-F ten onrechte naar US GAAP zou worden opgenomen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
ten aanzien van het onder feit 5 subsidiair telastegelegde:
Koninklijke Ahold N.V. op tijdstippen in april 2001 (D/121) en april 2002 (D/122) te Zaandam, gemeente Zaanstad, meermalen, telkens een zogeheten "Annual report on Form 20-F" - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft Ahold telkens in strijd met de waarheid in voornoemd "Annual report on Form 20-F" gesuggereerd dat Ahold overwegende zeggenschap ('control') had over alle in de "Annual report on Form 20-F" genoemde geconsolideerde rechtspersonen, terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was en
- genoemde documenten ondertekend ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven,
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,
aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, toen en daar, telkens tezamen en in vereniging met anderen feitelijk leiding heeft gegeven.
Ten aanzien van het onder 6 telastegelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte als feit 6 subsidiair te laste is gelegd.
Zoals uit de bewijsmiddelen opgenomen onder de vaststaande feiten en de feiten 1 en 2 blijkt:
- is de control letter inzake ICA Ahold vals;
- is side letter inzake ICA Aholdniet aan de accountant verstrekt;
- en raakte D&T pas op de hoogte van deze side letter op 25 oktober 2002.
Tevens staat -onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen onder feiten 1 en 2- vast dat Ahold wist dat de accountant van oordeel was dat naar Amerikaans jaarrekeningenrecht een aanpassing van de joint venture overeenkomst nodig was en dat die aanpassing nooit is overeengekomen. Door het onder deze omstandigheden verstrekken aan de accountant van de control letter inzake ICA Ahold is het oogmerk en de listige kunstgreep bewezen.
Anders dan het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast zoals al eerder is overwogen dat de accountant van oordeel was dat de control letter naar Nederlands jaarrekeningenrecht nodig was.
De verdediging van verdachte heeft nog betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het oorzakelijk verband tussen het ingezette (bedrieglijke) middel en het resultaat.
De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de raadsman terecht heeft betoogd dat voor de strafbaarheid ingevolge artikel 326 Sr oorzakelijk verband moet bestaan tussen de aangewende (bedrieglijke) middelen en de door de dader beoogde afgifte van het goed. Dit causale verband ligt besloten in het bestanddeel "bewegen tot" in de delictsomschrijving van de in genoemd artikel strafbaar gestelde oplichting.
Om te kunnen spreken van "bewegen tot" is echter reeds voldoende dat zonder de aanwending van het (bedrieglijke) middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd.
Het bewijs daarvan volgt naar het oordeel van de rechtbank al uit het feit dat naar het oordeel van de accountant naar Amerikaans jaarrekeningenrecht een aanpassing van de overeenkomst was vereist. Voorts verwijst de rechtbank naar de e-mail van 5 april 2000 (D/279) waarin [dhr. O.] aangeeft dat de control letters er moeten komen voor volledige consolidatie onder US GAAP. Dat de accountants uiteindelijk akkoord gaan met de belofte dat de control letters er zo spoedig mogelijk aankomen doet daar niet aan af.
De verdediging van verdachte heeft voorts nog betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het bestanddeel “goed”.
Anders dan de verdediging betoogt is naar het oordeel van de rechtbank een accountantsverklaring en/of auditor report vatbaar om voor een bezitter waarde te hebben. Daarmee is het een goed als bedoeld in artikel 326 Sr. Voor de bewezenverklaring van het afgeven van de accountantsverklaring en/of auditors report is voldoende dat uit de bewijsmiddelen volgt dat die goederen zijn afgegeven, hetgeen volgt uit de volgende bewijsmiddelen.
Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 1999 (D/100 p. 77):
“Accountantsverklaring
We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 2 januari 2000 en van het resultaat over 1999 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.
Deloitte en Touche accountants
Amsterdam, 7 maart 2000”.
Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 2000 (D 101 p. 75):
“Accountantsverklaring
We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 31 december 2000 en van het resultaat over 2000 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.
Deloitte en Touche accountants
Amsterdam, 6 maart 2001”.
Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 2001 (D/102 p. 72):
“Accountantsverklaring
We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 30 december 2001 en van het resultaat over 2001 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.
Deloitte en Touche accountants
Amsterdam, 7 maart 2002”.
Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 1999 (D/120 p. 49):
Independent Auditors Report:
In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. at January 2, 2000, January 3, 1999 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended January 2, 2000, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands.
Generally accepted accounting principles in the Netherlands vary in certain respects from generally accepted accounting principles in the United States. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended January 2, 2000 and the determination of stockholders’equity at January 2, 2000 and January 3, 1999 to the extent summarized in Note 23
Deloitte & Touche Accountants
March 7, 2000”.
Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 2000 (D/121 p. 64):
Independent Auditors Report:
In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. as of December 31, 2000, January 2, 2000 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended December 31, 2000, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands.
....
Generally accepted accounting principles in the Netherlands vary in certain respects from generally accepted accounting principles in the United States. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended December 31, 2000 and the determination of stockholders’equity at December 31, 2000 and January 2, 2000 to the extent summarized in Note 23.
Deloitte & Touche Accountants
march 6, 2001”.
Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 2001 (D/122 p. 69):
Independent Auditors Report:
In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. as of December 30, 2001 and December 31, 2000 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended December 30, 2001, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands.
Accounting principles generally accepted in the Netherlands vary in certain respects from accounting principles generally accepted in the United States of America. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended December 30, 2001 and the determination of stockholders’equity as of December 30, 2001 and December 31, 2000 to the extent summarized in Note 27.
Deloitte & Touche Accountants
March 7, 2002”.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting van D&T door Ahold.
Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen onder de feiten 1 en 2 staat vast dat verdachte wist wat het doel was van de valse control letter en dat die valse control letter aan de accountant is overhandigd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de wetenschap van verdachte bij de oplichting van D&T bewezen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
ten aanzien van het onder feit 6 primair telastegelegde:
Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) in de periode van april 2000 tot en met april 2002, te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of Amsterdam, meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen Deloitte & Touche
Registeraccountants (Deloitte en Touche) heeft bewogen tot de afgifte van goedkeurende
accountantsverklaringen en "Auditors' Reports" (D/101, p. 75 en D/102,
p. 72, en D/121, p. 64 en D/122, p. 69 en D/335 en D/336), hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -
listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- telkens een brief, betrekking hebbende op de rechtspersoon ICA Ahold AB (D/139 1/4) aan Deloitte & Touche overhandigd, waarin telkens in strijd met de waarheid was opgenomen dat tussen Ahold en haar wederpartijen is overeengekomen dat in het geval dat geen consensus zou worden bereikt over een bepaalde kwestie, het voorstel van Ahold
uiteindelijk doorslaggevend zou zijn en
- telkens een brief, waarin de inhoud van bovenstaande brieven wordt weersproken door ICA Förbundet Invest AB/Canica SA (D/139 3/4) aan Deloitte & Touche onthouden
waardoor Deloitte & Touche werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,
aan welke bovenomschreven strafbare gedragingen hij, verdachte, toen en daar, telkens tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.
Ten aanzien van het onder 7 telastegelegde
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is telastgelegd onder feit 7 primair en subsidiair.
Aan verdachte wordt onder feit 7 primair overtreding van artikel 225 lid 1 Sr te laste gelegd.
Het verwijt betreft - zakelijk weergegeven - het opnemen in een “supplement to the shareholdersagreement dated 24 February 2000 (D/1001)” van ondermeer de navolgende passage, luidend in de Nederlandse taal:
“(...) dat er geen afspraken of overeenkomsten tussen hen of wie dan ook van hen bestaan (i) met betrekking tot deze zaak afgezien van welke hierin zijn opgenomen, of ( ii) die (of de ongeldigheid of niet-uitvoerbaarheid of het niet nakomen waarvan) de geldigheid of de uitvoerbaarheid van dit bijvoegsel kunnen beïnvloeden (...)”
terwijl voor en/of tijdens het opmaken van dit supplement tussen verdachte en/of haar mededader(s) en een of meer ander(en) een aanvullende afspraak is gemaakt (D/151) die niet in meergenoemd supplement is opgenomen, en welke afspraak - voor zover van belang – luidt, in de Nederlandse taal:
“(...) dat indien ze (te weten voornoemde brief) er niet in is geslaagd om haar doel te bereiken, zij als niet geldig zou worden beschouwd (..)”
terwijl bij hem het oogmerk voorlag om dat supplement als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.
Subsidiair is hem te laste gelegd dat Ahold dat feit heeft begaan, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) leiding of opdracht daartoe gaf; een verwijt dat wordt bestreken door artikel 225 lid 1 Sr jo. artikel 51 Sr.
Het Openbaar Ministerie
Bij requisitoir en bij repliek heeft het Openbaar Ministerie een en andermaal geconcludeerd tot bewezenverklaring van dit feit in die zin dat [verdachte] heeft te gelden als medepleger en [medeverdachte1] als feitelijk leidinggever. Als pleegplaats houdt het Openbaar Ministerie aan Zaandam, althans Nederland.
Deze conclusie baseert het Openbaar Ministerie - zakelijk weergegeven - op het navolgende.
Na het bekend worden van de ICA side letter is de accountant van Ahold (D&T Nederland en US) tot de conclusie gekomen dat ICA Ahold gedeconsolideerd moest worden.
Vervolgens is met inzet van man en macht getracht de joint venture partner in ICA Ahold een control letter te laten tekenen die de accountant zou kunnen overtuigen dat de consolidatie in stand kon blijven. Daartoe is een aantal brieven opgemaakt waarmee werd getracht dit doel te bereiken (D/12, D/13, D/14, D/15, D/16, D/17), welke brieven mede in samenspraak met de accountant zijn gemaakt.
Al deze brieven hebben uiteindelijk niet het gewenste resultaat opgeleverd.
Vervolgens is ook na contact van de accountant met [medeverdachte1] (fax 3 februari 2003) afgesproken in het te ondertekenen “supplement to the shareholdersagreement” op te nemen dat er geen andere afspraken zijn dan in deze overeenkomst opgenomen. Nadien is evenwel gebleken - het Openbaar Ministerie verwijst daarbij ondermeer naar de verklaring van [dhr. D.] (G/44,) [dhr. O.] (AH/78), [dhr. van de V.] (D/490) - dat de accountant niet op de hoogte was van de aanvullende afspraak (ook wel aangeduid als de gentleman’s agreement) die is neergelegd in D/151 (brief d.d. 20 maart 2003 van [verdachte] aan [dhr. D.]) alsook in D/150 (brief d.d. 14 maart 2003 van [dhr. D.] (ICA Förbundet) aan [verdachte]).
Dat betekent, aldus het Openbaar Ministerie, dat het eerder bedoelde supplement niet de waarheid bevat en dus valselijk is opgemaakt.
De verdediging
De verdediging van [verdachte] komt tot de conclusie dat in deze niets anders dan vrijspraak kan volgen (pleitnota, tekstblokken 1424-1498).
Zij voert aan dat de onderhandelingen over het tot stand komen van deze derde side letter in alle openheid zijn gevoerd en dat D&T daar niet alleen van op de hoogte was, maar ook initiërend was bij het tot stand komen daarvan.
Zij verwijst daarbij ondermeer naar de verklaringen van [medeverdachte1] (V-2/7, pagina’s 35-38) en D/490 (bespreking [medeverdachte1]/[dhr. D.]). De verdediging stelt dat D&T accoord zou zijn met consolidatie als het supplement zou worden ondertekend, welke ondertekening ook feitelijk heeft plaatsgevonden op 21 februari 2003. De omstandigheid dat vervolgens op 23 februari 2003, om andere redenen, de accountant niet meer accoord kan gaan met deze derde side letter, maakt duidelijk waarom [dhr. D.] in zijn brief van 14 maart 2003 (D/150) ondermeer schrijft:
“your auditors considered these documents to fall short of their purpose. Thus, these documents are not valid or binding, as Royal Ahold has determined that ICA Ahold AB shall be proportionally consolidated by Royal Ahold”
en in de brief vervolgens vraagt om een schriftelijke bevestiging daarvan, welke bevestiging [verdachte] bij brief van 20 maart 2003 heeft gegeven. Samenvattend, zo stelt de verdediging: de mondelinge afspraak dat het supplement zou vervallen als het niet aan zijn doel zou beantwoorden had geen enkele bijbedoeling om buiten het supplement te houden wat er eigenlijk in moest.
Standpunt van de rechtbank.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat in deze het oogmerk van verdachte niet gericht moet zijn geweest op het vervalsen maar op het gebruik van het - in dit geval - supplement. Dat betekent dat het voor een bewezenverklaring van het oogmerk beslissend zal zijn of verdachte de bedoeling had en het dus een noodzakelijk en door hem gewild gevolg was het betreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken (NJ 1998, 610 en NJ 1998,694).
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank het standpunt van [medeverdachte1] juist (zie V-2/7, pagina 35) dat in elk geval vanaf begin januari 2003 een grote groep mensen waaronder de Raad van Commissarissen, partners van D&T, advocaten, Raad van Bestuur Ahold, Senior Vice presidents Ahold, mangement ICA Förbundet ([dhr. N.], [dhr. D.], [dhr. O.]), management Canica ([dhr. H.], [dhr. S.]) en externe deskundigen op de hoogte zijn geweest van de onderhandelingen die moesten leiden tot de totstandkoming van een aanvullende overeenkomst waaruit zou blijken van “decisive influence” waardoor Ahold ICA Ahold naar Dutch en US GAAP kon blijven consolideren.
Aannemelijk is ook dat D&T vanaf het begin op de hoogte was van deze onderhandelingen, en daarbij een beslissende rol had omdat het document immers ten behoeve van haar werd opgemaakt.
In januari 2003 zijn meerdere door Ahold, ICA Ahold/ICA Förbundet en Canica ondertekende documenten opgesteld die naar het oordeel van D&T steeds niet voldeden. Uit de stukken van het dossier blijkt dit op overtuigende wijze. Zie bijvoorbeeld de fax van D&T aan [medeverdachte1], waarin de door Ahold, ICA Förbundet en Canica ondertekende brief niet wordt geaccepteerd: “that the letter of today (..) falls short of their requirements”.
De brief van 22 januari 2003 wordt dan vervolgens ook ingetrokken door ICA Förbundet op 24 januari 2003, waarin ondermeer de volgende passage is opgenomen:
“The proposed letter agreement dated 22 January 2003, with the purpose of clarifying the decision making process in order to seek to provide Royal Ahold with the possibility to consolidat ICA Ahold AB in its accountants, has been considered by your auditors to fall short of their requirements. As the letter agreement does not suffice to allow Royal Ahold to consolidate, the, purpose of it has not and will not be accomplished. The proposed letter agreement has been rejected on your part, as you have now suggested amendments thereto. ICA Förbundet Invest AB is of the opinion that there is a mutual understanding of the parties that the proposed letter agreement is not valid under these circumstances. We would therefore like, your written confirmation that the proposed letter agreement is not binding on the parties thereto.” (D-24).
Nadien is er nog veelvuldig contact geweest met D&T, ten behoeve van wie de brief werd gemaakt, omdat zij met de consolidatie naar het verleden en naar de toekomst accoord zouden moeten gaan.
Zulks blijkt ondermeer ook uit de fax van van [dhr. D.] aan [medeverdachte1] (D/493). Vervolgens is een nieuw ontwerp nog ter sprake gekomen in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 14 februari 2003. Ook komt er rond 20 februari 2003 nog een rapport van [prof. dr. J. K.] over de dan roulerende draft.
Uiteindelijk leiden het overleg en de onderhandelingen tot een brief die is ondertekend door alle betrokken partijen op 21 februari 2003. Deze gang van zaken wordt ook nog bevestigd door hetgeen de getuige [dhr. D.] daarover heeft verklaard bij de rechter-commissaris (zie diens verklaring p. 25-41).
Door de gebeurtenissen die zich afspeelden in het weekend van 23 februari 2003 en ondermeer leidden tot het besluit tot deconsolideren, is bij brieven van 14 en 20 maart 2003 het supplement ingetrokken.
Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat voor eenieder duidelijk was dat als de ondertekende brief niet zou voldoen aan de voorwaarden die de accountant stelde deze zijn gelding zou verliezen. Dat was altijd de onderliggende gedachte. Niet valt in te zien waarom die gedachte ook niet leidend was bij het tot stand komen van de brief van 21 februari 2003. De verklaring van [dhr. D.] in dit opzicht overtuigt de rechtbank niet van het tegendeel.
Hoewel op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast staat dat een en ander niet is opgenomen in het supplement van 21 februari 2003, kan niet worden bewezen dat het niet opnemen van deze afspraak gebeurde met het oogmerk het als echt en onvervalst te gebruiken. Verdachte zal derhalve van het hem onder 7 primair en subsidiair te laste gelegde dienen te worden vrijgesproken.
Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
Het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd - onder overlegging van een schriftelijk requisitoir en onder handhaving van zijn eis bij repliek - dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daartoe heeft het Openbaar Ministerie - samengevat - de navolgende argumenten gebruikt.
Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen in het Nederlandse bedrijfsleven in het algemeen en in de beursgenoteerde naamloze vennootschap Koninklijke Ahold N.V. in het bijzonder ongekend ernstig geschonden, hetgeen blijkt uit het koersverlies van miljarden euro’s na 24 februari 2003. Verdachte heeft door zijn gedragingen het vertrouwen in de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van Ahold ernstig beschaamd.
Ook heeft verdachte door het verzwijgen van essentiële informatie voor de accountant en het gemak waarmee hij belangrijke beslissingen zoals consolidatie van joint ventures dacht te kunnen afdoen het vertrouwen dat aandeelhouders en andere belanghebbenden moeten kunnen stellen in financiële rapportages van de onderneming in ernstige mate geschonden. Extra verwijtbaar is dat verweten strafbare gedragingen geen incidenten zijn, maar zich uitstrekken over vele jaren.
Naar opvatting van het Openbaar Ministerie moeten bij het opleggen van de straf generaal preventieve strafdoeleinden een belangrijke rol spelen. De straf zal uitdrukking moeten geven aan afkeuring die moet gelden voor frauduleuze handelingen en normbevestigend moeten zijn in aanmerking nemend de omstandigheden dat het hier om strafbare feiten gaat gepleegd op het niveau van raad van bestuur en Raad van Commissarissen.
Tenslotte heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat de schade die verdachten hebben veroorzaakt zich ook uitstrekt buiten Nederland en er melding van gemaakt dat naar Amerikaanse maatstaven de verweten gedragingen zouden resulteren in een gevangenisstraf van 360 maanden.
Dat leidt het Openbaar Ministerie tot de slotsom dat slechts een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, bij de hoogte waarvan rekening is gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij niet uit was op persoonlijk voordeel en de gevolgen die de publiciteit voor verdachtes persoonlijk leven heeft gehad.
De verdediging
De verdediging is van oordeel dat verdachte van al de te laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Voor zover de rechtbank mocht komen tot een andere conclusie dan dient, in aanmerking genomen de misstanden in het vooronderzoek, de vernietigde loopbaan en de sterk gehavende reputatie van verdachte geen straf of maatregel te worden opgelegd. Voor dat laatste is ook reden omdat de door het Openbaar Ministerie gerequireerde straf alleen maar gericht is geweest op goedkoop effectbejag.. Bij dat laatste heeft de verdediging in het bijzonder nog verwezen naar de door het Openbaar Ministerie getrokken parallel met het Amerikaanse rechtsstelsel.
Standpunt van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van na te noemen straffen in het bijzonder het navolgende laten meewegen.
Verdachte, die al vele jaren binnen Ahold en haar dochters werkzaam was en in die zin mede beeldbepalend was voor het concern, heeft in zijn functie als lid van de Raad van Bestuur van Ahold, door de bewezen geachte gedragingen het vertrouwen geschonden dat in hem werd gesteld. Dat geldt niet alleen de vele werknemers van Ahold in binnen – en buitenland en in zijn specifiek werkgebied Europa, de klanten van Ahold , de vele tienduizenden kleine en grote beleggers, de ondernemingen binnen Europa waarvoor hij in zijn functie binnen de Raad van Bestuur verantwoordelijk was, maar ook voor de Raad van Commissarissen van Ahold, en in het bijzonder voor de accountant Deloitte &Touche, die reeds jarenlang de huisaccountant van het concern was.
Verwijtbaar is ook dat verdachte door zijn handelen het aanzien van het bedrijfsleven in het algemeen, en het aanzien van het concern Ahold in het bijzonder heeft beschadigd. Tevens is verdachtes handelen, zij het in een wat verder verwijderd verband gelet op zijn rol, slecht geweest voor het vertrouwen dat het publiek moet kunnen stellen in de juistheid van jaarverslagen.
Vaststaat dat de na 23 februari 2003 bekend geworden feiten omtrent het tekenen en verzwijgen van de side letters de samenleving zeer hebben geraakt.
De rechtbank tekent daarbij aan dat de afgelopen jaren in de pers en daarbuiten veelvuldig een vergelijking is gemaakt tussen de gang van zaken bij enerzijds Ahold en bij Parmalat en Enron anderzijds. Naar opvatting van de rechtbank gaat die vergelijking echter in alle opzichten mank. Er is geen sprake geweest van een “onware”of “valse” balans of resultatenrekening naar Dutch GAAP.
Verwijtbaar is dat verdachte actief betrokken is geweest bij het tot stand komen van de control letter en de side letter voor ICA Ahold en hem kan ook worden aangerekend wat er voor het overige binnen Ahold onder verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur heeft plaatsgevonden in het kader van de bewezen geachte valsheid in geschrift en oplichting.
De rechtbank houdt verdachte mede verantwoordelijk voor hetgeen er is gebeurd en is van oordeel dat de door verdachte bepleitte betrekkelijke onwetendheid als het gaat om “haute finance”hem niet kan disculperen. Bovendien acht zij het onaannemelijk dat een persoon met de ervaring als verdachte in dit opzicht zo onwetend zou zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn niet alleen deze factoren bepalend voor de strafmaat maar dient ook nog het navolgende een rol te spelen.
De op te leggen straffen dienen uitdrukking te geven aan de afkeuring die moet gelden voor frauduleuze handelingen door personen als verdachte, die maatschappelijk in hoog aanzien staan en voor velen – binnen en buiten Ahold – als voorbeeld hebben gediend. Hoewel niet kan worden vastgesteld in het kader van deze strafprocedure in hoeverre tussen verdachtes handelen en het instorten van de aandelenkoers op 24 februari 2003 een rechtstreeks verband bestaat (er is een aantal genoegzaam bekende factoren te noemen die eind 2002/begin 2003 het voortbestaan van de onderneming bedreigde), hem kan wel worden verweten dat ook zijn strafbare handelen mede tot onrust heeft geleid bij beleggers.
Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit was op enig persoonlijk financieel gewin of voordeel. Wel is aannemelijk te achten dat verdachte in de veronderstelling leefde, hoe laakbaar en onjuist ook, te handelen in het belang van de onderneming.
Ook weegt mee dat verdachte zich geconfronteerd heeft gezien met de nadelige gevolgen van publiciteit, voor zover die veroorzaakt is door het strafproces.
Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat zij verdachte zal vrijspreken van een aantal hem te laste gelegde feiten. Dat moet, waar het Openbaar Ministerie bij het formuleren van haar eis is uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten, leiden tot strafvermindering.
De rechtbank acht het bewezen verklaarde – zoals hier voren overwogen – ernstig, maar niet zodanig dat slechts een (gedeeltelijk) vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Daarbij speelt een rol de omstandigheid dat de kerndelicten betrekking hebben op valsheid in geschrift en oplichting en de rechtbank de boekhoudkundige kwesties die in dit strafdossier een belangrijke rol spelen niet kwalificeert als het “Ahold boekhoudschandaal”. In een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur komt de ernst van de gedragingen, naar opvatting van de rechtbank, in voldoende mate tot uitdrukking.
Daarnaast zal de rechtbank een geldboete opleggen, waarbij zij steeds als uitgangspunt neemt de maximaal mogelijke geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,--) als in de verschillende strafrechtbepalingen aangegeven. De rechtbank zal daarbij de voor verdachte meest gunstige bepaling toepassen en derhalve buiten beschouwing laten de verhoging van de geldboete van de vijfde categorie tot € 67.000,-- als opgenomen in de wet van 22 december 2005 (Stb. 2006, nr. 11).
Met betrekking tot de hoogte van de op te leggen geldboete overweegt de rechtbank dat deze de draagkracht van verdachte niet te boven gaat. Ter zitting heeft verdachte daar weliswaar maar beperkt over verklaard, maar uit de stukken, met name ook uit de jaarverslagen en uit de mededeling daaromtrent van verdachte valt op te maken dat hij tot 1 april van dit jaar een salaris van Ahold heeft ontvangen. Gelet op de hoogte van dit salaris, is er bij verdachte draagkracht aanwezig.
De rechtbank houdt voor de vervangende hechtenis die in de plaats dient te worden gesteld bij gebreke van betaling en verhaal van de op te leggen geldboete de periode aan van maximaal 1 jaar als opgenomen in artikel 24c lid 3 Sr.
Waar de rechtbank de rol van verdachte echter anders waardeert dan die van de andere verdachten in deze strafzaak, komt zij zowel voor wat betreft de voorwaardelijke gevangenisstraf, als de geldboete tot een ander oordeel dan bij de andere verdachten.
Tenslotte overweegt de rechtbank nog het volgende.
Het Openbaar Ministerie heeft bij het bepalen van zijn eis als referentiekader ook verwezen naar de straffen waarop de verdachten in de Verenigde Staten van Noord Amerika (VS) op grond van daar geldende Federale richtlijnen (Federal Sentencing Guidelines) zouden kunnen rekenen, indien zij daar zouden zijn vervolgd, neerkomend op een straf van 360 maanden.
De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
De door het Openbaar Ministerie genoemde federale richtlijnen hebben na een beslissing van het Amerikaanse Hoog Gerechtshof uit 2005 (zie United States v. Booker, 160 L. Ed 2d 621, 125 S.Ct.738 (2005) hun “mandatory ” karakter verloren en zijn een adviesinstrument voor de rechter. Bovendien zal de Amerikaanse rechter bij het opleggen van een straf onder meer ook rekening moeten houden met de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit door verdachte is begaan, de ernst van het feit en het bestaan van een strafblad.
Nog afgezien dus van de vraag of daadwerkelijk een dergelijke straf zou worden opgelegd door een Amerikaanse rechter verschilt het Nederlandse strafrechtelijke systeem in zijn historie en in zijn hedendaagse uitwerking zo wezenlijk van het Amerikaanse strafrechtelijk systeem dat de rechtbank niet anders kan doen dan dit referentiekader in dit geval terzijde te schuiven. Niet meer is duidelijk dan dat binnen het Amerikaanse rechtssysteem vergrijpen als de onderhavige als ernstig worden beschouwd.
Het gaat evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet aan om Amerikaanse maatstaven in een Nederlands strafproces als richtsnoer te gebruiken.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24c, 47, 51, 56, 57, 225 en 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10. Beslissing
Verklaart het onder 2 primair, 4 primair en subsidiair, 5 primair, 6 primair en het onder 7 primair en subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 5 subsidiair en 6 subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde:
voortgezette handeling van
medeplegen van valsheid in geschrift
en
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het onder 5 subsidiar bewezenverklaarde:
valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
ten aanzien van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde:
oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete ter hoogte van € 120.000,- (honderd twintig duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van een jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.G. Bauduin, voorzitter,
mrs. P.F. Goes en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Zouw en J.M. de Ruijter, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2006.