ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1494
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van parkeervergunningen en bezwaar tegen Uitwerkingsbesluit Prinses Irenebuurt Amsterdam
Eisers, bewoners van de Prinses Irenebuurt te Amsterdam, maakten bezwaar tegen het Uitwerkingsbesluit van 26 februari 2002 en tegen de verlenging van de geldigheidsduur van hun parkeervergunningen. Zij voerden aan dat hun bezwaren tegen het Uitwerkingsbesluit ontvankelijk moesten worden verklaard en dat de invoering van betaald parkeren in strijd was met eerder gegeven garanties.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het Uitwerkingsbesluit terecht niet-ontvankelijk was verklaard, omdat het besluit een algemeen verbindend voorschrift is en het bezwaar niet binnen de juiste procedure kon worden ingediend. Wel werd geoordeeld dat het beroep gegrond was voor zover het betrekking had op de parkeervergunningen en dat het bestreden besluit vernietigd moest worden vanwege het niet nemen van een besluit over de proceskostenvergoeding.
Verder werd vastgesteld dat de besluiten tot verlenging van de parkeervergunningen niet meer geëffectueerd werden en dat het beroep daarop geen procesbelang meer had. Ten aanzien van de invoering van het regime van betaald parkeren werd geoordeeld dat de betreffende besluiten geen formele besluiten in de zin van de Awb zijn en daarom niet ontvankelijk waren voor beroep.
De rechtbank veroordeelde het stadsdeel tot vergoeding van de proceskosten van eisers en tot vergoeding van het griffierecht. Het beroep werd niet ontvankelijk verklaard voor zover het gericht was tegen het niet tijdig beslissen op bezwaren en ongegrond voor zover het bezwaar tegen het Uitwerkingsbesluit betrof.
Uitkomst: Het beroep is deels gegrond verklaard en het stadsdeel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.