ECLI:NL:RBAMS:2006:AV0514
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.G. Kemmers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde bedrijfspand op basis van reële huur in zakelijke transactie
Eiser en zijn compagnon verkochten in 2000 hun aandelen in C BV, exploitant van een bedrijfspand, waarbij de huurovereenkomst van het pand werd voortgezet tegen dezelfde huurprijs als voorheen. De verhuurster was een BV waarvan eiser en zijn compagnon aandeelhouders waren. De huur bedroeg in de jaren 2001-2004 circa €120.000 per jaar.
Verweerder stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2003 vast op €1.943.000, gebaseerd op een taxatierapport waarin de huurwaarde werd bepaald aan de hand van vergelijkingsobjecten en een kapitalisatiefactor van 12,1. Eiser betwistte deze waarde en stelde dat de waarde op €1.175.000 moest worden vastgesteld, gebaseerd op een minnelijke taxatie.
De rechtbank oordeelde dat de door verweerder gehanteerde waarde niet in stand kon blijven omdat de huurwaarde hoger was vastgesteld dan de reële huur uit de zakelijke transactie. De minnelijke taxatie kon niet als uitgangspunt dienen omdat deze niet voldeed aan de wettelijke voorschriften en een andere peildatum had. De rechtbank stelde de WOZ-waarde daarom vast op €1.452.000 (12,1 x €120.000).
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak en beschikking, en gelastte vergoeding van het griffierecht aan eiser. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep en cassatie.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het bedrijfspand wordt vastgesteld op €1.452.000 per 1 januari 2003.