ECLI:NL:RBAMS:2005:AU1627
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-procedure
Eiser diende op 8 mei 1995 een aanvraag in voor een WAO-uitkering. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Na een eerdere gegronde uitspraak werd het bezwaar opnieuw beoordeeld, maar het bezwaar werd alsnog ongegrond verklaard. Eiser stelde dat de procedure onredelijk lang duurde, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde, en vorderde immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de totale duur van de procedure, bijna vijf jaar na het bezwaar, de redelijke termijn overschreed. Er was geen rechtvaardiging voor deze lange duur, noch was de zaak complex. De rechtbank stelde vast dat eiser daadwerkelijk spanning en frustratie had ondervonden door de vertraging en kende een immateriële schadevergoeding toe van € 2.450,-, gebaseerd op een basisbedrag van € 1.000,- per jaar, aangepast met een reductiefactor vanwege de levensstandaard in Marokko.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten van € 805,- en vergoedde de gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht van € 31,-. Het bestreden besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van immateriële schade van € 2.450,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.