ECLI:NL:RBAMS:2005:AT9506
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Recourt
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning imam
Verzoeker, een Keniaanse imam met een langdurige verblijfsvergunning voor arbeid bij een islamitische stichting, werd geconfronteerd met besluiten van de Minister die zijn verblijfsrecht beëindigden, zijn verblijfsvergunning introkken en hem ongewenst verklaarden. Hij maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om voorlopige voorzieningen om zijn verblijf in Nederland te waarborgen totdat op zijn bezwaren was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen procesbelang had bij het verzoek om uitzetting te verbieden tegen de besluiten van 13 en 14 juni 2005, omdat hem al was toegezegd dat hij Nederland niet hoefde te verlaten totdat op het bezwaar tegen het besluit van 13 juni was beslist. Wel was er een concreet procesbelang bij het verzoek om schorsing van de werking van de ongewenstverklaring van 15 juni 2005, omdat voortduring van zijn verblijf zonder schorsing strafbaar zou zijn.
De rechter wees het verzoek toe om de werking van de ongewenstverklaring te schorsen totdat op het bezwaar was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek tot het verkrijgen van een verbod op uitzetting tegen de andere besluiten werd niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De werking van de ongewenstverklaring is geschorst totdat op het bezwaar is beslist, terwijl het verzoek tot uitzettingsverbod tegen andere besluiten niet-ontvankelijk is verklaard.