ECLI:NL:RBAMS:2005:AT7154

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13.097.270-2004
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 6 Overleveringswet
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering voor drugshandel ondanks Nederlandse nationaliteit en gezinssituatie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 juni 2005 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Zweden op grond van een Europees aanhoudingsbevel. De verdachte wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, feiten die deels in Nederland en deels in Zweden zouden zijn gepleegd.

De verdediging voerde aan dat overlevering niet passend is vanwege de Nederlandse nationaliteit van de verdachte, het feit dat de strafbare feiten zich grotendeels op Nederlands grondgebied afspeelden, en zijn zorg voor een ernstig ziek zoontje. Daarnaast werd betoogd dat de verdachte als 'first offender' onwenselijk lang in Zweeds voorarrest zou verblijven.

De rechtbank overwoog dat de zorg voor het kind beperkt is tot weekenden en maandagen en dat de strafbare feiten ook in Zweden strafbaar zijn. De officier van justitie stelde dat de belangen van het Zweedse strafrechtelijk onderzoek zwaarder wegen dan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank wees het verweer af en besloot de overlevering toe te staan, waarbij werd gewaarborgd dat de verdachte na veroordeling zijn straf in Nederland kan uitzitten.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Zweden toe ondanks bezwaren over nationaliteit en gezinssituatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULP KAMER
Parketnummer: 13.097.270-2004
RK nummer: 05/1393
Datum uitspraak: 3 juni 2005
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1[geboortedatum] 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 15 april 2005 door de justitiële autoriteit, de “Prosecutor” van “The International prosecutor’s office in Stockholm, Zweden” (Kammaraklagare van Internationella aklagarkammaren i Stockholm). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1969,
[adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2005. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge (gemeente Goes) gehoord.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt ten grondslag “A detention order, issued on 11 Oct. 04 by the Stockholm district court, section 13, with case number B6132-04”.
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Zweden strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de Overleveringswet, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Op deze feiten is bovendien naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard deels betrokken te zijn geweest bij de in het EAB genoemde strafbare feiten.
Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is dan ook niet gebleken.
6. Terugkeergarantie
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de Overleveringswet bedoelde garantie geeft.
De “Director of prosecution, on behalf of the Prosecutor General” en de “Deputy Chief Prosecutor” van “The Swedisch Prosecution Authority” hebben de volgende garantie gegeven:
Conditions laid down by a foreign state in connection to surrender to Sweden shall apply in Sweden according to Chapter 2 section 8 of the Penal Code. Consequently, if [opgeëiste persoon] is convicted to a custodial sentence or detention order, [opgeëiste persoon] will be returned to the Netherlands in order to serve the sentence after the judgement has gained legal force. The Netherlands may convert the sentence in accordance with Article 11 of the Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4.1 bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op, respectievelijk:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A en B gegeven verbod.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van deze feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van Pro het VOGP zal kunnen worden omgezet.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW
6.1 Uit de stukken blijkt dat het feit waarvoor de Zweedse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.
6.2 De raadsman heeft verzocht de overlevering niet toe te staan nu:
- de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft;
- de feiten die de opgeëiste persoon verweten worden zich geheel op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld;
- de opgeëiste persoon een ernstig ziek zoontje heeft en het grootste deel van de zorg van het zoontje op zich neemt;
- de opgeëiste persoon ondanks de terugkeergarantie lange tijd in Zweden in voorarrest zal dienen te verblijven, hetgeen, gezien het feit dat hij “first offender” is als ook gezien zijn gezinssituatie, onwenselijk is.
Subsidiair bepleit de raadsman aanhouding teneinde het openbaar ministerie te verzoeken navraag te doen of het mogelijk is bij een toelaatbaar verklaring van de overlevering van de opgeëiste persoon met de feitelijke overlevering te wachten tot het moment dat de inhoudelijke behandeling van de strafzak in Zweden begint.
6.3 Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.
Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:
Enerzijds is gebleken dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en gelet op de gezinssituatie en de zorgen voor zijn zoontje belang heeft bij vervolging en berechting in Nederland, doch anderzijds blijkt dat:
? het strafrechtelijk onderzoek in Zweden is aangevangen;
? de mededaders/medeplichtigen inmiddels al in Zweden zijn vervolgd en veroordeeld;
? de getuigen, van wie het noodzakelijk is dat zij gehoord worden, zich in Zweden bevinden, te weten de mededaders/medeplichtigen die nu in Zweden hun straf uitzitten en de politieagenten die [opgeëiste persoon] hebben geobserveerd toen hij in augustus 2004 in Zweden en Finland was;
? de bewijsmiddelen – onder meer de tapgesprekken – zich in Zweden bevinden;
? de strafbare feiten meer impact gehad hebben in Zweden dan in Nederland;
? de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling in Zweden in het kader van de WOTS terug kan komen naar Nederland om daar zijn straf verder uit te zitten.
Deze overwegingen wegen naar het oordeel van de officier van justitie zwaarder dan het persoonlijke belang van de opgeëiste persoon.
6.4 De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de verklaring van de opgeëiste persoon, ter zitting afgelegd, blijkt dat zijn zoontje weliswaar medische problemen heeft geen levensbedreigende ziekte heeft en dat de zorg die de opgeëiste persoon aan zijn zoontje verleent zich beperkt tot de weekenden en de maandag.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet Pro bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling aan te houden om het openbaar ministerie nadere vragen te stellen.
7. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
8. Toepasselijke wetsartikelen
de artikelen 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;
de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], aan de “Prosecutor” van “The International prosecutors office in Stockholm, Zweden” (Kammaraklagare van Internationella aklagarkammaren i Stockholm) ten behoeve van het in Zweden tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,
mrs. R.B. Kleiss en B.M. Vroom-Cramer, rech-ters,
in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2005.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.