ECLI:NL:RBAMS:2005:AS8838
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.R.M. Vermolen
- L.E. Kalff
- B.M. Vroom-Cramer
- Rechtspraak.nl
Toestaan overlevering opgeëiste persoon aan Denemarken wegens moord en doodslag
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Denemarken op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 19 december 2004. De verdachte, geboren in 1970 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van moord en doodslag, feiten die onder nummer 14 van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen.
De verdediging voerde aan dat de verdachte mocht vertrouwen op niet-vervolging, gebaseerd op een brief van de Deense politie van 29 september 2004 waarin werd gesteld dat geen verdenkingen tegen hem bestonden. Deze informatie werd later door de Deense autoriteiten gecorrigeerd en als een vergissing bestempeld. Ook werd een beroep gedaan op een flagrante schending van het recht op een redelijke termijn (artikel 6 EVRM Pro), hetgeen door de rechtbank werd verworpen wegens gebrek aan bewijs van een dergelijke schending.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 29 september 2004 geen officiële verklaring van niet-vervolging was en dat de inhoudelijke beoordeling van de vervolging aan de Deense rechter toekomt. Het feit waarvoor overlevering werd gevraagd voldoet aan de eisen van de Overleveringswet, en de verdachte kon zijn onschuld niet aantonen. Daarom werd de overlevering toegestaan.
Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk, waarmee de beslissing definitief is.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Denemarken toe wegens moord en doodslag.