ECLI:NL:RBAMS:2004:AR8435

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/097228-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens medeplegen accijnsdelicten en valsheid in geschrift

De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 december 2004 de vordering tot overlevering van een persoon aan de Letse justitiële autoriteiten op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Riga City Latgale Region Court. De opgeëiste persoon werd verdacht van medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Wet op de accijns en het gebruik van vals geschrift.

Tijdens de zitting op 17 december 2004 werd de opgeëiste persoon gehoord, bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank stelde vast dat de feiten zowel in Letland als in Nederland strafbaar zijn en dat de strafdreiging in beide landen voldoende zwaar is, namelijk een vrijheidsstraf van ten minste twaalf maanden.

De opgeëiste persoon ontkende schuld, maar kon dit niet overtuigend aantonen. Zijn raadsman voerde aan dat overlevering zou leiden tot schending van mensenrechten, met name artikel 6 EVRM Pro, maar de rechtbank vond geen concrete aanwijzingen dat de persoon in Letland niet eerlijk zou worden behandeld.

Gezien de naleving van de wettelijke voorwaarden voor overlevering en het ontbreken van gegronde bezwaren, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Letland toe wegens medeplegen van accijnsdelicten en valsheid in geschrift.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE KAMER 9B
Parketnummer: 13/097228-04
RK nummer: 04/4419
Uitspraak: 24 december 2004
UITSPRAAK
Inzake overlevering in het kader van een Europees aanhoudingsbevel.
GEZIEN de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 november 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door de Letse justitiële autoriteit Sanita Rutenberga, rechter bij het Riga City Latgale Region Court of the Republic of Latvia d.d. 15 oktober 2004. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende: [adres].
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting “De Kruisberg” te Doetinchem,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld ter openbare zitting van deze recht-bank en kamer van 17 december 2004, waar zijn gehoord de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk Russisch.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt ten grondslag een beslissing van het Riga City Central Region Court (Letland) d.d. 13 januari 1998. Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Letland strafbare feiten. De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Van de Engelse vertaling hiervan is een door de griffier gewaarmerkte kopie als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Letse nationaliteit heeft.
4. Dubbele strafbaarheid
De feiten zijn zowel naar het recht van Letland als naar Nederlands recht strafbaar. Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Hij heeft dit tijdens het verhoor ter zitting echter niet kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan die feiten, is niet gebleken.
6. Overige verweren
De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de mensenrechten in Letland niet worden gerespecteerd en dat overlevering van de opgeëiste persoon een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro tot gevolg kan hebben.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de nieuwe lidstaten gebonden zijn aan het EVRM en dat er geen concrete aanleiding is om te verwachten dat er ten aanzien van déze opgeëiste persoon sprake is van flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld en ook niet aannemelijk is geworden dat er concrete aanwijzingen bestaan dat de opgeëiste persoon in Letland behandeld zal worden in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
7. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
De artikelen 5, 25 en 97 van de Wet op de accijns.
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
RECHTDOENDE
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten behoeve van strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,
mrs. F. Salomon en R. de Ruijter, rech-ters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Boyer, grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2004.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.