ECLI:NL:RBAMS:2004:AR8430

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/097250-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale handel in verdovende middelen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 december 2004 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB is uitgevaardigd wegens verdenking van medeplegen van handelen in strijd met het verbod op verdovende middelen, strafbaar gesteld in Duitsland en Nederland.

De opgeëiste persoon, die zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit bezit, voerde onschuld aan en betwistte zijn betrokkenheid bij de feiten die op 18 en 23 december 2003 zouden zijn gepleegd. De rechtbank vond echter dat de schuld niet was weerlegd en dat het bewijs voldoende was om het vermoeden van schuld te handhaven.

De Duitse justitiële autoriteit gaf de garantie dat, indien de opgeëiste persoon tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze in Nederland kan ondergaan. De rechtbank oordeelde dat aan alle wettelijke eisen van de Overleveringswet was voldaan en dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro niet opging, mede omdat het bewijs en de medeverdachten zich in Duitsland bevinden.

Daarom werd de overlevering toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel. De uitspraak bevestigt het belang van internationale samenwerking bij de bestrijding van drugshandel en de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor strafvervolging wegens medeplegen van illegale handel in verdovende middelen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
NEGENDE MEERVOUDIGE KAMER B
Parketnummer: 13/097250-04
RK nummer: 04/4353
Uitspraak: 24 december 2004
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 november 2004 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit, hoofdofficier van justitie Kuhn van het parket te Hamburg. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
wonende: [adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 december 2004. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam gehoord.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt ten grondslag een arrestatiebevel van het Amtsgericht Hamburg d.d. 20 augustus 2004.
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt. Uitgaande van het recht van de uitvaardigende staat is zij in redelijkheid tot dan oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 van de OLW, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Op deze feiten is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.
6. Terugkeergarantie
De opgeëiste persoon heeft, behalve de Turkse, ook de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid OLW bedoelde garantie geeft.
De Duitse justitiële autoriteit heeft de volgende garantie gegeven:
Die Justizbehörde Hamburg hat zugesichert dass der Beschuldigte im Falle der Verurteilung zu einer Freiheitsstrafe oder sonstigen Sanktion diese Strafe auf seinen Antrag in den Niederlanden verbüssen kann, und das Umwandlungsverfahren gemäss Artikel 11 des Pro Übereinkommens über die Überstellung verurteilter Persoene vom 21. März 1983 zur Anwending kommen kann.
De feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van Pro het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74) zal kunnen worden omgezet.
7. Overige verweren
De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de overlevering ten aanzien van de feiten die zouden zijn gepleegd op 18 december 2003 en 23 december 2003 niet dient te worden toegestaan aaangezien niet duidelijk is wat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten is.
Voorts dient de overlevering niet te worden toegestaan, aldus de raadsman, vanwege de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro. De opgeëiste persoon is Nederlander en de feiten zijn geheel in Nederland gepleegd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten, zoals omschreven in het EAB onder e) voldoende duidelijk zijn. Vervolgens heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van de weigering op grond van artikel 13 OLW Pro, aangezien het bewijsmateriaal zich in Duitsland bevindt, de medeverdachten in Duitsland woonachtig en gedetineerd zijn, het onderzoek in Duitsland gaande is en de Duitse rechtsorde is geschonden. Het belang van Duitsland prevaleert boven het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij vervolging en berechting in Nederland.
Nu het EAB betrekking heeft op lijstfeiten, moeten de feiten zodanig zijn omschreven dat de rechtbank kan beoordelen of de uitvaardigende justitiële autoriteit die feiten in redelijkheid als lijstfeit heeft kunnen aanmerken. Daarvan is in dit geval sprake.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar vordering af te zien van de weigerings-grond van artikel 13 OLW Pro.
8. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de Overleveringswet daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten behoeve van strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit-ter,
mrs. F. Salomon en R. de Ruijter, rech-ters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Boyer, grif-fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2004.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Overleveringswet staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.