ECLI:NL:RBAMS:2003:AF5870
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Homologatie akkoord surséance van betaling UPC ondanks bezwaar schuldeiser
In deze zaak stond de homologatie van een akkoord in de surséance van betaling van UPC centraal. UPC had een lening van USD 856,8 miljoen via dochtermaatschappij Belmarken Holding B.V. afgesloten, welke was overgedragen aan de moedermaatschappij UGC. Schuldeiser ICH maakte bezwaar tegen de homologatie, stellende dat UGC bevoordeeld werd boven andere schuldeisers door de hoge preferente vordering uit de Belmarken lening en dat de stemgerechtigdheid van de 'beneficial owners' van obligatieleningen onterecht was toegelaten.
De rechtbank overwoog dat de Belmarken lening geen schuld van UPC zelf betrof, maar van een dochtermaatschappij, waardoor UGC geen crediteur van UPC was en dus niet bevoordeeld kon zijn. Ook werd geoordeeld dat de stemgerechtigdheid van de economische eigenaren van de obligatieleningen terecht was erkend, omdat de juridische eigenaar (de trustee) geen stemrecht had en het in strijd zou zijn met de economische werkelijkheid en de Faillissementswet om hen uit te sluiten.
De rechtbank verwierp daarmee de bezwaren van ICH en vond geen andere gronden om de homologatie te weigeren. Het akkoord werd dan ook gehomologeerd en het salaris van de bewindvoerder vastgesteld. De uitspraak bevestigt de toepassing van het faillissementsrecht in groepsverband en de bescherming van economische belangen van schuldeisers bij stemprocedures.
Uitkomst: De rechtbank homologeert het akkoord in de surséance van betaling van UPC ondanks het bezwaar van schuldeiser ICH.