ECLI:NL:RBAMS:2001:AD3777
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.C. Bachrach
- Rechtspraak.nl
Schending redelijke termijn door SVB leidt tot matiging terugvordering kinderbijslag
Eiser ontving kinderbijslag voor zijn zoon X, maar verweerder (SVB) stelde dat over bepaalde perioden ten onrechte kinderbijslag was uitgekeerd omdat X niet in belangrijke mate door eiser werd onderhouden. Verweerder vorderde terugbetaling van het bedrag van ƒ4.736,- over het vierde kwartaal 1992 tot en met het derde kwartaal 1994. Eiser betwistte dit en stelde dat hij wel degelijk in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het onderhoud.
De rechtbank beoordeelde de bewijsvoering en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de noodzakelijke bijdragen leverde, onder meer omdat de vermeende betalingen aan zijn vader niet konden worden bewezen en de betaalde ziekenfondspremie niet aantoonbaar voor zijn rekening kwam. Daarom was de terugvordering terecht.
Daarnaast stelde eiser dat de SVB de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro had overschreden door niet tijdig te beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank stelde vast dat de termijn was begonnen op 4 februari 1998 en dat de vertraging veroorzaakt werd door het zoekraken van het dossier bij verhuizing van verweerder. Hoewel deze schending niet leidde tot het vervallen van de terugvorderingsplicht, rechtvaardigde het wel een compensatie.
De rechtbank matigde daarom het terugvorderingsbedrag met ƒ450,- en veroordeelde de SVB tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarna de rechtbank zelf in de zaak voorzag.
Uitkomst: De rechtbank matigt de terugvordering kinderbijslag met 450 gulden wegens schending van de redelijke termijn en vernietigt het bestreden besluit.