ECLI:NL:RBAMS:2001:AA9706
Rechtbank Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Instellen gerechtelijk vooronderzoek wegens foltering in Suriname in 1982
Op 4 december 2000 heeft de officier van justitie te Amsterdam gevorderd dat een gerechtelijk vooronderzoek wordt ingesteld tegen verdachte wegens gedragingen in Suriname in 1982. De verdachte wordt primair verdacht van handelen in strijd met de Wet Oorlogsstrafrecht, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk vanwege het ontbreken van een gewapend conflict in Suriname ten tijde van de feiten.
De subsidiaire verdenking betreft handelen in strijd met de Uitvoeringswet Folteringverdrag. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat vervolging hiervoor in Nederland mogelijk is en niet strijdig is met het legaliteitsbeginsel. Op grond hiervan is voldoende grond om een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen.
De rechter-commissaris wijst de vordering primair af, wijst de subsidiaire vordering toe en stelt een gerechtelijk vooronderzoek in. Tevens kan het onderzoek naar het bestaan van een gewapend conflict worden meegenomen indien nodig.
Deze beschikking betreft een belangrijke afweging over de bevoegdheid en ontvankelijkheid van vervolging voor internationale misdrijven gepleegd in het buitenland, waarbij het legaliteitsbeginsel en de toepasselijkheid van het folteringsverbod centraal staan.
Uitkomst: Gerechtelijk vooronderzoek ingesteld voor subsidiaire verdenking van foltering, primaire verdenking van oorlogsmisdrijven afgewezen.