ECLI:NL:RBAMS:2000:AA5920
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering vreemdeling in afwachting verblijfsvergunning
Verzoekster, een Britse nationaliteit houdende vreemdeling, had een bijstandsuitkering toegekend gekregen die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen per 1 december 1999 werd beëindigd. Verzoekster had op 13 december 1999 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend en was ten tijde van het besluit nog in afwachting van een onherroepelijke beslissing hierop.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet, omdat zij in afwachting was van een beslissing op haar verblijfsaanvraag en niet uitgezet kon worden. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Koppelingswet en artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw), die het recht op bijstand koppelt aan het verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelt dat het beëindigen van de bijstand zonder inachtneming van de Awb-termijnen niet rechtsgeldig is en dat het discriminatieverbod uit artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) in dit geval betekent dat de toepassing van de Koppelingswet op verzoekster disproportioneel is. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst en wordt verweerder veroordeeld tot het verlenen van bijstand onder aftrek van inkomsten vanaf 22 januari 2000.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot beëindiging van de bijstand wordt geschorst.