ECLI:NL:RBALM:2012:BY8446
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- G. van Eerden
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering nieuwe bankgarantie vlak voor einde huurovereenkomst
De zaak betreft een kort geding tussen een verhuurder en huurder van bedrijfsruimte, waarbij de verhuurder vordert dat de huurder een nieuwe bankgarantie stelt na het inroepen van de eerdere garantie. De huurovereenkomst loopt tot 31 december 2012 en is rechtsgeldig opgezegd. De verhuurder baseert haar vordering op de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte, waarin is opgenomen dat bij het aanspreken van de bankgarantie een nieuwe garantie moet worden gesteld.
De huurder betwist de vordering en voert aan dat er geen huurachterstand is, dat de onderlinge verstandhouding slecht is en dat het verzoek tot nieuwe bankgarantie een actie is om de huurder financieel te benadelen. Tevens stelt de huurder dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat een alternatief voorstel om een bedrag op een derdenrekening te storten niet is geaccepteerd.
De voorzieningenrechter overweegt dat er geen aanwijzingen zijn van substantiële herstelkosten of bodemverontreiniging en dat de nieuwe bankgarantie slechts veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst zou gelden. Gezien de omstandigheden en belangen van partijen is het niet redelijk om de huurder te verplichten een nieuwe bankgarantie te stellen. De vordering wordt daarom afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot het stellen van een nieuwe bankgarantie wordt afgewezen vanwege belangenafweging en het ontbreken van spoedeisend belang.