ECLI:NL:RBALM:2012:BW4449
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing executoriaal beslag wegens niet-betekening overgang executiebevoegdheid
In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van executoriaal beslag dat door gedaagde is gelegd op basis van een verstekvonnis tussen eiser en hun overleden moeder. Eiser stelt dat gedaagde niet bevoegd is tot executie omdat niet is aangetoond dat hij enig erfgenaam is en de executiebevoegdheid niet aan hem is betekend zoals vereist volgens art. 431a Rv.
Gedaagde verschijnt niet in rechte, waarna verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter neemt de stellingen van eiser als vaststaand aan. Gezien het ontbreken van betekening van de overgang van executiebevoegdheid, wordt het beslag opgeheven en wordt gedaagde verboden opnieuw beslag te leggen of andere executiemaatregelen te treffen uit hoofde van het verstekvonnis.
Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling aan eiser van hetgeen eiser mogelijk aan gedaagde heeft betaald op grond van het verstekvonnis, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Het executoriaal beslag wordt opgeheven en gedaagde wordt verboden opnieuw beslag te leggen, onder verbeurte van een dwangsom.