ECLI:NL:RBALM:2011:BR6386
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- M.H. van Rhijn
- Rechtspraak.nl
Schorsing werking relatiebeding na faillissement werkgever in kort geding
Eiseres was sinds 1 december 2005 in dienst van Rechtspraktijk X en had een relatiebeding in haar arbeidsovereenkomst. Na faillissement van Rechtspraktijk X op 1 december 2010 werd de curator benoemd en werden de activa verkocht aan twee kopers, waarbij een aantal werknemers werd overgenomen, maar eiseres niet.
Eiseres wilde in maart 2011 samen met een voormalig collega een letselschadepraktijk starten in hetzelfde pand als de voormalige nevenvestiging van Rechtspraktijk X. Zij vorderde in kort geding schorsing van het relatiebeding omdat dit haar ernstig zou belemmeren.
De curator voerde verweer dat eiseres geen spoedeisend belang had, onvoldoende had gesubstantieerd en dat hij een zwaarwegend belang had bij handhaving van het beding vanwege de verkoop van activa. De kantonrechter oordeelde dat schorsing in kort geding mogelijk is en dat eiseres een spoedeisend belang heeft.
De curator had geen reëel belang meer bij handhaving van het beding omdat de arbeidsovereenkomst was beëindigd en de activa waren verkocht. De curator kon zich niet beroepen op het beding namens de kopers, omdat geen contractuele relatie bestond. De kantonrechter vond dat eiseres onbillijk werd benadeeld en schorste de werking van het relatiebeding met ingang van 1 september 2011.
De curator werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter schorst de werking van het relatiebeding met ingang van 1 september 2011 wegens onbillijke benadeling na faillissement en beëindiging arbeidsovereenkomst.