ECLI:NL:RBALM:2011:BQ1784
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over onkostenvergoeding tijdens ziekte en misbruik executiebevoegdheid
In deze zaak stond een executiegeschil centraal tussen Nedic en haar voormalige werknemer, die sinds november 2010 arbeidsongeschikt was en op staande voet was ontslagen. De kantonrechter had eerder bepaald dat Nedic een netto onkostenvergoeding van €1.000 per maand aan de werknemer moest betalen, ook gedurende diens ziekteperiode. Nedic vorderde in kort geding dat de executie van dit vonnis zou worden geschorst, stellende dat het vonnis op een juridische en feitelijke misslag berust omdat de vergoeding enkel voor daadwerkelijk gemaakte reiskosten zou gelden.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aan hem was om een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te schorsen, tenzij sprake was van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag of een noodtoestand bij de geëxecuteerde. Uit de stukken bleek dat de vaste autokosten en afschrijving doorliepen tijdens ziekte, waardoor het recht op onkostenvergoeding niet zonder meer kon worden uitgesloten. De stelling van Nedic dat het vonnis op een misslag berustte, werd verworpen, mede omdat de werknemer betwistte dat de vergoeding slechts een voorschot op werkelijk gemaakte kosten betrof.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de executie van het vonnis geen misbruik van executiebevoegdheid opleverde en wees zowel de primaire als subsidiaire vorderingen van Nedic af. Nedic werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de werknemer ook tijdens arbeidsongeschiktheid recht heeft op de onkostenvergoeding, en dat de executie van het vonnis terecht plaatsvond.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Nedic af en veroordeelt haar in de proceskosten.