ECLI:NL:RBALM:2011:BP6619
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Lecq
- Blankestijn
- Heijink
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot doorhaling erkenning kind afgewezen wegens bescherming gezinsleven
In deze zaak verzocht de officier van justitie de rechtbank Almelo om doorhaling van een akte van erkenning van een kind, omdat de erkenner ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van het kind. De erkenning was in 1994 gedaan, waarbij de erkenner met toestemming van de moeder het kind erkende en het kind zijn achternaam kreeg.
De rechtbank stelde vast dat op het moment van erkenning destijds een absoluut erkenningsverbod gold voor gehuwde mannen die niet met de moeder waren gehuwd. Echter, de erkenner en de moeder hadden een band die gelijkgesteld kon worden met een huwelijk en er bestond een nauwe persoonlijke betrekking tussen de erkenner en het kind. Dit werd bevestigd door alle betrokkenen tijdens de zitting.
De rechtbank oordeelde dat het doorhalen van de erkenning een ongeoorloofde inbreuk zou vormen op het recht op gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro en dat het onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen in strijd is met artikel 14 EVRM Pro. De erkenning werd daarom gehandhaafd en het verzoek tot doorhaling afgewezen.
De beslissing weerspiegelt de ontwikkeling in het recht waarbij het belang van het kind en het gezinsleven prevaleren boven formele erkenningsbelemmeringen uit het verleden. De rechtbank benadrukte dat onder het huidige recht de erkenning geoorloofd zou zijn geweest, waardoor de bestaande situatie in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek tot doorhaling van de akte van erkenning wordt afgewezen en de erkenning blijft gehandhaafd.