ECLI:NL:RBALM:2010:BO1054

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
22 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
110275 - FA RK 10-402
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bijdrage studiekosten jong-meerderjarige zoon na 21 jaar

De rechtbank Almelo behandelde een geschil tussen ex-echtelieden over de bijdrage van de vader in de studiekosten van hun zoon die in Amerika studeerde. De moeder had de kosten voorgeschoten en vorderde vergoeding van de helft van de kosten op grond van een derdenbeding in het echtscheidingsconvenant en subsidiair regresrecht.

De rechtbank oordeelde dat na het 21e levensjaar van de zoon geen automatische onderhoudsverplichting van de vader meer bestaat, tenzij er sprake is van behoeftigheid. De moeder kon niet aannemelijk maken dat de zoon behoeftig was of dat er overleg had plaatsgevonden tussen zoon en vader over de studiekosten in Amerika. De vader had bovendien expliciet aangegeven niet te willen dat de zoon naar Amerika zou gaan.

Gezien het ontbreken van een overeengekomen verplichting en het vereiste overleg, kon de moeder geen vordering op de vader doen gelden. Het verzoek werd daarom afgewezen en partijen droegen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot vergoeding van de helft van de studiekosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector civiel recht
Zaaknummer: 110275 / FA RK 10-402 (TB)
Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken
d.d. 22 september 2010,
in de zaak van:
[verzoekster]
verder ook de vrouw of de moeder te noemen,
wonende te [woonplaats], [adres],
verzoekster,
advocaat: mr. J.H. Beek,
tegen
[belanghebbende],
verder ook de man of de vader te noemen,
wonende te [woonplaats], [adres],
belanghebbende,
advocaat: mr. I. Kruiders.
Het procesverloop
Op 24 maart 2010 heeft deze rechtbank een tussenvonnis tussen partijen gewezen. Bij dat vonnis is onder meer de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond verwezen naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank, belast met de behandeling van familiezaken teneinde voort te procederen overeenkomstig de regels voor een verzoekschriftprocedure.
Op 2 juni 2010 heeft de vrouw aanvullende stukken overgelegd, zoals bevolen in genoemd tussenvonnis.
Op 25 augustus 2010 heeft een mondelinge behandeling ter zitting plaats gehad.
Er verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Beek, en de man, bijgestaan door mr. Kruiders.
De beschikking is bepaald op heden.
De beoordeling
De rechtbank neemt hier over hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in genoemd tussenvonnis van 24 maart 2010.
In genoemd tussenvonnis zijn de standpunten van partijen weergegeven. Voorzover nog vereist, worden hierna alsnog nadere standpunten van partijen verwoord.
Ter zitting is door de advocaat van de vrouw toegelicht dat het verzoek van de vrouw primair is gegrond op de door [zoon] aan de vrouw gecedeerde vordering op zijn vader, op basis van het derdenbeding in het echtscheidingsconvenant, en dat het verzoek subsidiair grondslag vindt in het regresrecht van de vrouw om datgene van de man terug te vorderen dat zij heeft voorgeschoten aan kosten van levensonderhoud en studie van [zoon].
De man heeft zijn standpunten en weren gehandhaafd, zoals verwoord in het vonnis van 24 maart 2010.
Door de vrouw is een door beide partijen getekend convenant overgelegd, dat door de vrouw is getekend op 7 mei 2002 en door de man op 7 april 2002. In dat convenant hebben partijen de gevolgen van hun echtscheiding geregeld. De rechtbank neemt dat convenant als uitgangspunt van de beoordeling van het onderhavige geschil. Dit omdat in het convenant in artikel 2.3. is overeengekomen “De jongste zoon, [zoon], kan niet volledig in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun beider inkomens bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [zoon], een en ander door de ouders met hem te overleggen”.
Ter zitting is gebleken dat partijen niet wezenlijk van mening verschillen over de bedoeling van deze bepaling. De vrouw heeft nog opgemerkt dat is opgenomen dat “naar rato” zou worden bijgedragen, omdat zij destijds niet werkte. De man heeft opgemerkt dat hij heeft bedoeld bij te dragen aan een normale studie in Nederland.
Met de man is de rechtbank van oordeel dat er na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar niet langer zonder meer een wettelijke onderhoudsverplichting van hem jegens [zoon] bestaat.
Echter: op grond van artikel 1:392 BW Pro kan de verplichting tot levensonderhoud na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar weliswaar door de rechter worden bepaald maar uitsluitend in het geval er sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de tot levens-onderhoud gerechtigde. Ook kan de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud bestaan als dit tussen de betrokkenen is overeengekomen.
Van behoeftigheid in de zin van artikel 1:392 BW Pro is slechts sprake ingeval het onderhoudsgerechtigde kind niet beschikt en evenmin kan beschikken over de middelen waarover hij in redelijkheid zou moeten kunnen beschikken.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond of op andere wijze aannemelijk geworden dat sprake is geweest van behoeftigheid bij [zoon] vanaf zijn 21e levensjaar. Immers: door de vrouw is gesteld dat zij heeft zorggedragen voor de kosten van levens-onderhoud en studie van [zoon] in Amerika omdat de man tot bijdragen in die kosten niet in staat was, dan wel niet wilde bijdragen. De vordering betreft de helft van deze door de vrouw gedragen kosten.
Op deze grond heeft [zoon] geen vordering op de man in verband met zijn door de vrouw gedragen kosten.
De rechtbank leidt voorts uit genoemd artikel 2.3 af dat tussen partijen een voorbehoud is gemaakt. Er wordt immers met zo veel woorden bepaald dat er sprake moet zijn van overleg tussen de ouders en [zoon] wanneer aanspraak gemaakt wordt op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet aangetoond op aannemelijk gemaakt dat er een verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan [zoon] is op grond van in het echtscheidingsconvenant opgenomen derdenbeding.
Immers: de man heeft uitdrukkelijk gesteld dat er, voorafgaande aan [zoon]s vertrek naar Amerika, door [zoon] niet met hem is overlegd over een aldaar te volgen studie en de daarmee gepaard gaande kosten. Uit de door de vrouw aangedragen feiten en omstandigheden kan de rechtbank evenmin afleiden dat er overleg tussen de man en [zoon] is geweest dan wel dat de man ermee heeft ingestemd dat in ieder geval een deel van de kosten van het vertrek naar Amerika op hem zouden worden afgewenteld. Sterker nog: ter zitting is door de vrouw met zo veel woorden verklaard dat de man haar heel duidelijk heeft gemaakt dat hij niet wilde dat [zoon] naar Amerika zou gaan. [Zoon] was op dat moment al vertrokken naar Amerika.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit vorenstaande dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van behoeftigheid van [zoon] of van een geëffectueerd derdenbeding ten aanzien van [zoon], op grond waarvan [zoon] een vordering op de man heeft. Nu [zoon] geen vordering op zijn vader heeft kan van cessie van die vordering aan zijn moeder evenmin sprake zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw evenmin aangetoond of op andere wijze aannemelijk gemaakt dat zij een regresvordering op de man heeft.
Door de man is verwezen naar vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat ouders onderling geen verhaalsaanspraak hebben wat betreft de kosten van levensonderhoud en studie van hun kinderen.
Met de vrouw is de rechtbank weliswaar van oordeel dat in de door de man aangehaalde jurisprudentie geen zelfde situatie als de onderhavige aan de orde is.
In casu is immers niet enkel de wettelijke onderhoudsplicht aan de orde, maar is ook sprake van een overeenkomst tussen de man en de vrouw, vastgelegd in een convenant, en in het bijzonder in artikel 2.3 van dat convenant.
Ook in het kader van deze beoordeling is echter van belang dat het vereiste overleg met de man niet heeft plaatsgevonden en dat, naar eigen zeggen van de vrouw, de man haar heel duidelijk heeft gemaakt dat hij niet wilde dat [zoon] naar Amerika zou gaan. Dat de vrouw zelfstandig heeft besloten om [zoon] alleen financieel te ondersteunen dient dan ook voor haar eigen rekening en risico te blijven.
De man is, gelet op het ontbreken van het vereiste overleg, op grond van genoemde bepaling niet gehouden om de vrouw de helft van de door haar gedragen kosten te betalen.
De slotsom van vorenstaande is dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Om reden dat partijen ex-echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de wijze dat elke partij de eigen kosten draagt.
De beslissing
De rechtbank:
1. Wijst het verzoek van de vrouw af.
2. Compenseert de proceskosten die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. T.M. Blankestijn en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2010 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.