ECLI:NL:RBALM:2007:BA6311

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
23 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
84767 FA RK 07-222
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:200 BWArt. 1:207 BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling vaderschap afgewezen wegens bestaand ouderschap

Verzoeker verzocht de rechtbank om vaststelling van het vaderschap van het kind N. en benoeming van een bijzonder curator die namens het minderjarige kind een verzoek tot ontkenning van het vaderschap zou kunnen indienen. De rechtbank overwoog dat het kind N. geboren is binnen het huwelijk van belanghebbenden en derhalve twee ouders heeft, waardoor vaststelling van het vaderschap niet mogelijk is volgens artikel 1:207, tweede lid BW.

De bijzonder curator, benoemd om de belangen van het minderjarige kind te behartigen, achtte het niet in het belang van het kind om nu een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in te dienen. De rechtbank volgde deze mening en gaf geen opdracht tot een dergelijk verzoek. De emotionele en economische zekerheid van het kind binnen het gezin van belanghebbenden werd als zwaarwegend beschouwd.

De rechtbank verklaarde verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek tot benoeming van een bijzonder curator, maar niet-ontvankelijk in het verzoek tot vaststelling van het vaderschap. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2007 door rechter M.H.H.A. Moes.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van het vaderschap is niet-ontvankelijk verklaard omdat het kind twee ouders heeft en de bijzonder curator geen verzoek tot ontkenning indient.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector Civiel
zaaknummer: 84767 FA RK 07-222
datum beschikking: 23 mei 2007 (mhm)
Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
[Verzoeker],
verder ook [Verzoeker] te noemen,
wonende te [Woonplaats],
verzoeker,
procureur: mr. A. Ruesink,
tegen
1. [Belanghebbende 1],
2. [Belanghebbende 2],
verder ook [Belanghebbende 1] c.s. te noemen,
beiden wonende te [Woonplaats],
belanghebbenden,
procureur: mr. [Verzoeker] Beuving,
Voorts wordt als belanghebbende aangemerkt: mr. M.J.A. Oortman, bijzonder curator van N. [Achternaam Belanghebbende 2], geboren op 3 februari 2004 te [Geboorteplaats].
Het procesverloop
De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen in de beschikkingen van 22 maart 2007 en 4 april 2007 is overwogen en beslist.
Op 11 april 2007 is er een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank ingekomen.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 14 mei 2007. Ter zitting zijn verschenen: [Verzoeker] vergezeld door mr. Ruesink, [Belanghebbende 1] c.s. vergezeld door mr. Beuving, en mr. Oortman namens de minderjarige. De standpunten van partijen zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
De beschikking is bepaald op heden.
De vaststaande feiten
[Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] zijn op 24 juni 1988 te [Plaats Huwelijk] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:
- A. , geboren op 27 oktober 1988 te H.;
- B, geboren op 1 februari 1991 te Y;
- C., geboren op 30 december 1992 te Y;
- E.,geboren op 28 maart 1994 te Y;
- N.,geboren op 3 februari 2004 te Y.
[Belanghebbende 1] en [Verzoeker] hebben gedurende een bepaalde periode een relatie gehad. [Belanghebbende 2] heeft na de geboorte van E. een sterilisatie ondergaan.
De standpunten van partijen
[Verzoeker] verzoekt in het petitum van het verzoekschrift vaststelling van het vaderschap van de N. met benoeming van een bijzonder curator. In het lichaam van het verzoekschrift verzoekt hij de rechtbank op de voet van artikel 1:212 BW Pro een bijzonder curator te benoemen die de belangen van N. zal behartigen en die zelfstandig een verzoek tot ontkenning van het vaderschap bij de rechtbank kan indienen.
Aan zijn verzoeken legt hij het – kort weergegeven – het navolgende ten grondslag. Hij heeft gedurende enige tijd met [Belanghebbende 1] samengewoond. [Belanghebbende 1] heeft op enig moment te kennen gegeven van [Belanghebbende 2] te willen scheiden. In de periode rond de echtscheiding in juni 2003 bleek [Belanghebbende 1] zwanger te zijn. [Belanghebbende 1] besloot vlak voor de geboorte van N. toch definitief bij [Belanghebbende 2] te willen blijven. In de periode na de geboorte is er tussen [Verzoeker] en [Belanghebbende 1] contact geweest en heeft [Verzoeker], op verzoek van [Belanghebbende 1], de babykamer in zijn woning klaargemaakt. [Verzoeker] heeft sinds de geboorte N. zo’n tien keer gezien, waarvan drie keer bij hem thuis. [Verzoeker] acht het in het belang van N. dat vastgesteld wordt dat hij, [Verzoeker], zijn vader is. [Belanghebbende 1] weigert hieraan mee te werken.
[Belanghebbende 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [Verzoeker] in zijn verzoek, dan wel tot afwijzing van dat verzoek. Zij erkennen dat het zou kunnen zijn dat [Verzoeker] de vader is van N., doch stellen dat N. geboren is uit het huwelijk van [Belanghebbende 1] c.s. Zij wijzen er voorts op dat in artikel 1:200 BW Pro limitatief wordt aangegeven welke personen op de grond dat de vader niet de biologische ouder van het kind is, het vaderschap kunnen ontkennen. De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de verwekker niet de mogelijkheid te bieden om het vaderschap te ontkennen. Voor wat betreft de vaststelling van het vaderschap verwijzen [Belanghebbende 1] c.s. naar het bepaalde in artikel 1: 207 BW. Tevens achten zij het niet in het belang van N. dat de verzoeken van [Verzoeker] worden toegewezen.
De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing
1. Met betrekking tot het verzoek tot benoeming van een bijzonder curator merkt de rechtbank op dat artikel 1:212 BW Pro als een lex specialis ten opzichte van artikel 1:250 BW Pro dient te worden aangemerkt, zodat [Verzoeker] in zijn verzoek tot benoeming van een bijzonder curator ten behoeve van N. kan worden ontvangen.
2. Het kind kan gedurende zijn minderjarigheid, vertegenwoordigd door een daartoe benoemde bijzondere curator, het vaderschap ontkennen en een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning bij de rechtbank indienen. Daarbij is niet vereist dat het kind in staat is tot een redelijke waardering van de belangen die bij een dergelijk verzoek van hemzelf een rol spelen. Er kunnen zich evenwel omstandigheden voordoen waarin het belang van een zeer jeugdig kind meebrengt dat over de ontkenning van het vaderschap niet wordt beslist voordat het kind zelf daarover een weloverwogen oordeel kan vormen.
3. Mr. Oortman heeft ter terechtzitting te kennen gegeven het niet in het belang van N. te achten indien hij thans ten behoeve van de minderjarige een verzoek tot ontkenning van het vaderschap zou indienen.
De rechtbank deelt de mening van de curator. N. is thans drie jaar oud en is niet in staat tot een redelijke waardering van de belangen die bij een dergelijk verzoek een rol spelen. Bovendien groeit hij sinds zijn geboorte op in het gezin van [Belanghebbende 1] c.s. Daarmee is de economische en emotionele zekerheid van een gezinsleven voor N. gegeven. Weliswaar is gebleken dat binnen de relatie van [Belanghebbende 1] c.s. zich bij tijd en wijle problemen voordoen, doch dit hoeft er niet toe te leiden dat daarmee een einde komt aan voormelde zekerheid. Het belang van N. bij een gezinsleven dient te prevaleren boven het privébelang dat [Verzoeker] heeft bij een onderzoek naar het biologisch vaderschap. Een en ander brengt met zich dat de rechtbank de bijzonder curator niet zal opdragen een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in te dienen.
4. De rechtbank acht het overigens wel in het belang van N. dat [Belanghebbende 1] c.s. hem te zijner tijd inlichten omtrent de onzekerheid met betrekking tot het antwoord op de vraag wie daadwerkelijk zijn biologische vader is. Het is vervolgens aan N. om, als hij in staat is zelf daarover een weloverwogen oordeel te vormen, de keuze te maken of hij al dan niet een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap bij de rechtbank indient.
5. Nu de bijzonder curator namens N. geen verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap zal indienen en de rechtbank hem ook niet een dergelijke opdracht zal geven, dient het verzoek tot vaststelling van het vaderschap niet ontvankelijk te worden verklaard. Immers, uit het bepaalde onder artikel 1:207, tweede lid BW volgt dat vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft.
6. [Verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.
De beslissing
De rechtbank:
I. Verklaart [Verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek tot benoeming van een bijzonder curator.
II. Verklaart [Verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van het vaderschap.
III. Veroordeelt [Verzoeker] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Belanghebbende 1] c.s. begroot op € 1.103,--,
waarvan te voldoen aan de griffier van deze rechtbank:
€ 149,25 wegens in debet gesteld griffierecht,
€ 904,-- wegens salaris van de procureur,
en aan de procureur van [Belanghebbende 1] c.s. € 49,75 wegens niet in debet gesteld griffierecht.
IV. Verklaart onderdeel III. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
V. Wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H.H.A. Moes en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2007 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.