8.Aan dit verzoek legt Wilgaerden, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.
-Op 25 november 2010 heeft het managementteam van Wilgaerden besloten bedrijfskleding in te voeren. Door het dragen van bedrijfskleding kunnen medewerkers zich onderscheiden en zijn zij voor cliënten, bezoekers van de locaties, artsen en anderen herkenbaar. Bovendien zorgt bedrijfskleding voor een professionele, vakbekwame en uniforme uitstraling van Wilgaerden. Een ruime meerderheid van de zorgteams stond achter dit besluit van het managementteam. De invoering is regelmatig besproken met de onderdeelcommissie, waarin de ondernemingsraad is vertegenwoordigd, en in de onderdeelcommissie is dit goedgekeurd.
-Tijdens het werkoverleg van 19 oktober 2011 is [werknemer] van dit voornemen op de hoogte gesteld. Nadat op de locatie Kersenboogerd het dragen van een poloshirt op 26 april 2012 verplicht was gesteld, heeft [werknemer] geweigerd dit poloshirt te dragen omdat dit, volgens haar, haar eigenwaarde zou aantasten. De leidinggevende van [werknemer] en de plaatsvervangend leidinggevende van [werknemer] hebben [werknemer] hierop aangesproken.
-Op 2 augustus 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [B], zorgmanager, en [werknemer]. Leegwater heeft [werknemer] gewezen op haar verplichting bedrijfskleding te dragen en op het nut en de gebruikelijkheid daarvan. [werknemer] bleef echter volharden in haar standpunt dat het dragen van een poloshirt haar eigenwaarde aantast. Aan het einde van dat gesprek heeft Wilgaerden [werknemer] verzocht met ingang van, uiterlijk, 15 augustus 2012 bedrijfskleding te gaan dragen.
-Op 13 augustus 2012 hebben Leegwater en [werknemer] opnieuw met elkaar gesproken. Leegwater heeft [werknemer] toen opnieuw verzocht de bedrijfskleding te gaan dragen.
-Bij brief d.d. 20 augustus 2012 heeft [werknemer] aan Wilgaerden meegedeeld dat het poloshirt niet zou passen en dat zij zich zou schamen indien ze het poloshirt zou dragen. [werknemer] heeft daarbij aangegeven dat zij bereid is haar privékleding aan te passen aan de kleur van het poloshirt en te voorzien van het logo van Wilgaerden.
-De toonzetting van deze brief was defensief en verwijtend. Naar aanleiding van de ontvangst van het verslag van het gesprek van 13 augustus 2012 heeft [werknemer] bij brief van 30 augustus 2012 aangevoerd dat zij nooit de kans heeft gehad het poloshirt te passen en dat zij van plan was 10 kilo af te vallen en dat zij daarna het poloshirt opnieuw wilde gaan passen.
-Op 31 augustus 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Leegwater, mevrouw [C] (teamleider van [werknemer]) en [werknemer]. Tijdens dat gesprek heeft [werknemer] desgevraagd gezegd dat zij in een maand tijd 10 kilo kon afvallen. Leegwater heeft [werknemer] toen meegedeeld dat zij daar de gelegenheid voor zou krijgen en dat [werknemer] uiterlijk 1 oktober 2012 het poloshirt diende te dragen. Daarbij heeft Leegwater aan [werknemer] meegedeeld dat, indien zij in haar weigering zou volharden, er voor Wilgaerden niets anders zou resten dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
-Bij brief d.d. 4 september 2012 heeft [werknemer] haar standpunt opnieuw uiteengezet. Ook de toonzetting van deze brief was defensief en verwijtend. Net als van haar eerdere brieven, heeft [werknemer] ook van deze brief een kopie naar de directie verzonden.
-Op 5 september 2012 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft [werknemer] meegedeeld dat zij het poloshirt niet zou gaan dragen. Leegwater heeft vervolgens het dossier aan personeelszaken van Wilgaerden overgedragen.
-Op 10 september 2012 heeft [werknemer] aan Leegwater meegedeeld dat Wilgaerden een dossier aan het opbouwen is en dat het gesprek van 5 september 2012 niet juist in het gespreksverslag was weergegeven.
-Bij brief van ook 10 september 2012 heeft [werknemer] zich rechtstreeks tot de directie van Wilgaerden gewend met het verzoek ermee akkoord te gaan dat zij geen poloshirt zal dragen.
-Op 22 oktober 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer], haar gemachtigde en de heer [A] (hoofd P&O). [A] heeft [werknemer] daarop meegedeeld dat Wilgaerden [werknemer] tegemoet komt door haar tot 30 oktober 2012 de kans te geven eerst af te vallen. Naar aanleiding van die bespreking en het gespreksverslag dat ervan is opgemaakt, heeft [werknemer] op 29 oktober 2012 een reactie geschreven waarin zij een aantal uitlatingen doet die ongepast zijn.
-Na het indienen van het onderhavige verzoek is [werknemer] op de werkvloer campagne voor zichzelf gaan voeren. Dit heeft tot veel onrust op de werkvloer geleid. [C] heeft [werknemer] daarom verzocht niet met de collega’s over deze zaak te praten. [werknemer] heeft daar weer meteen op gereageerd. Daarbij laat [werknemer] merken dat zij geen oog heeft voor de belangen van Wilgaerden maar slechts voor die van haarzelf.
-Na haar ziekmelding op 7 november 2012 heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat [werknemer] niet ziek is maar dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. [werknemer] heeft zich derhalve ten onrechte ziek gemeld en is zonder reden niet op het werk verschenen. Desondanks heeft het tot 5 december 2012 geduurd voordat er weer een gesprek tussen Wilgaerden en [werknemer] plaatsvond. Er is toen gesproken over werkhervatting onder de voorwaarde dat [werknemer] het poloshirt zou dragen. [werknemer] weigerde dat opnieuw.