ECLI:NL:RBALK:2012:BW5459

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
18 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
128011 - FA RK 11-331
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 3:13 BWArt. 1:250 BWArt. 3 onder a Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 95 Boek 10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring erkenning en vervangende toestemming tot erkenning van minderjarige door verwekker

De man verzocht de rechtbank om de erkenning van zijn minderjarige kind door een andere man nietig te verklaren en hem vervangende toestemming te geven om het kind te erkennen, omdat hij de biologische vader is. De vrouw had de zwangerschap verzwegen en de man in de waan gelaten dat een ander de vader was. Hierdoor kon de man niet tijdig om erkenning vragen.

De rechtbank hanteerde de minder strikte maatstaf voor misbruik van bevoegdheid, omdat de man niet wist van de zwangerschap en daardoor niet kon verzoeken om erkenning. De vrouw had in redelijkheid geen toestemming kunnen geven aan de niet-verwekker. De erkenning door de andere man werd daarom nietig verklaard.

De belangen van de minderjarige en de man bij een juridische erkenning werden afgewogen tegen die van de vrouw. Er was geen sprake van schade aan de minderjarige of de vrouw. De rechtbank verleende de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige, waarmee de juridische situatie werd aangepast aan de feitelijke situatie.

Uitkomst: Erkenning door niet-verwekker wordt nietig verklaard en man krijgt vervangende toestemming tot erkenning van zijn minderjarige kind.

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
HZ
zaak- en rekestnummer: 128011 / FA RK 11-331
datum: 18 januari 2012
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
in de zaak van:
[NAAM MAN],
wonende te [woonplaats]l, gemeente Medemblik,
verzoekende partij, tevens verwerende partij,
advocaat: mr. L.M. Wagemaker,
tegen:
[NAAM VROUW],
wonende te [woonplaats], gemeente Medemblik,
en
[NAAM 1],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande of elders,
gerekwestreerde,
niet verschenen.
Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man, de vrouw en de heer [naam 1].
HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Ter griffie van deze rechtbank is op 5 april 2011 het verzoekschrift van de man ingekomen, waarin wordt verzocht:
Primair:
a. te verklaren voor recht dat de erkenning van de minderjarige [kind 1], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum 1], door de heer [naam 1] op grond van artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig is;
b. te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hoorn gehouden is tot doorhaling van de akte van erkenning door de heer [naam 1], binnen een door de rechtbank te bepalen termijn;
c. te bepalen dat de ten deze te wijzen beschikking in de plaats komt van de toestemming van vrouw tot erkenning van de minderjarige door de man.
Secundair:
d. om op grond van artikel 1:250 van Pro het BW een bijzondere curator te benoemen om de belangen van de minderjarige te behartigen.
Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft deze rechtbank mr. L. Bosch, advocaat te Hoorn, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige.
Bij bericht van 27 juni 2011, bij de rechtbank ingekomen op 28 juni 2011, heeft de bijzondere curator de akte uitlating bijzondere curator ingediend.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De heer [naam 1] heeft geen verweerschrift ingediend.
De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1]. Dit verzoekschrift is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 128802 / FA RK 11-453. De man heeft in die procedure verweer gevoerd en tevens een zelfstandig verzoek ingediend inzake omgang en gezag.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2011, waarbij beide procedures gelijktijdig zijn behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Wagemaker, alsmede de vrouw, bijgestaan door mr. Maasdam. De heer [naam 1] is -alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen middels een advertentie in een landelijk dagblad -niet verschenen. De bijzondere curator is niet verschenen.
DE BEHANDELING VAN DE ZAAK
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aangevoerd.
Partijen hebben samengewoond van september 1995 tot december 1999. Uit de relatie van partijen zijn drie kinderen geboren: de eerder genoemde minderjarige [kind 1] en op [geboortedatum 2] is [kind 2] geboren en op [geboortedatum 3] [kind 3]. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Hun hoofdverblijfplaats is bij de vrouw. De man heeft [kind 2] en [kind 3] erkend. De man wil, op grond dat hij de verwekker is van de minderjarige [kind 1], deze minderjarige ook erkennen. De man is altijd onderdeel geweest van het leven van de minderjarige. Zij noemt hem papa en de man heeft een omgangsregeling met haar, evenals met de andere twee kinderen. Erkenning zal de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige niet schaden. Ook zal erkenning de belangen van de minderjarige niet schaden. De relatie tussen partijen is beëindigd tijdens de zwangerschap van de vrouw van de minderjarige. De vrouw heeft deze zwangerschap verzwegen voor de man. Kort daarop kreeg de vrouw een kortstondige relatie met de heer [naam 1]. De vrouw heeft de man doen geloven dat de heer [naam 1] de verwekker was. De vrouw heeft kort na de geboorte van de minderjarige de heer [naam 1] toestemming verleend tot erkenning van de minderjarige. Dit om te voorkomen dat de man zijn rechten als juridisch vader zou opeisen. De vrouw heeft daarmee misbruik van haar bevoegdheid gemaakt. Zij heeft de heer [naam 1] toestemming gegeven met het oogmerk de belangen van de man te schaden. De erkenning is hiermee nietig op grond van misbruik van recht, aldus de man.
De bijzondere curator heeft het volgende in de akte uitlating naar voren gebracht.
De vrouw heeft tegenover de bijzondere curator verklaard dat zij de man niet heeft verteld dat hij de vader was van de minderjarige, omdat hij destijds een nieuwe relatie had en zij die niet wilde verstoren. De heer [naam 1] wist dat hij niet de vader van de minderjarige was. De vrouw heeft de man over de minderjarige verteld toen de minderjarige drie jaar oud was. Partijen hebben zich verzoend en er zijn nog twee kinderen geboren. De man heeft deze kinderen erkend. Over erkenning van de minderjarige is nooit gesproken. De relatie is vervolgens verbroken. De vrouw heeft een nieuwe partner met wie zij een zoon heeft. Acht jaar na de geboorte van de minderjarige heeft de man aangegeven dat hij de minderjarige wil erkennen. De minderjarige heeft een omgangsregeling met de man. De minderjarige heeft geen contact met de heer [naam 1] en weet dat hij niet haar vader is. De vrouw vindt het verzoek van de man niet terecht. Hij is te laat en hij is slechts een weekendvader. Ook betaalt de man geen alimentatie. De minderjarige heeft volgens de vrouw aangegeven dat zij niet wil dat de man haar erkent.
De man heeft bij de bijzondere curator verklaard dat hij niet wist dat de vrouw zwanger was toen de relatie werd verbroken. De man verkeerde in de veronderstelling dat de heer [naam 1] de vader van het kind van de vrouw was. De minderjarige heeft na haar geboorte een tijd bij de zus van de vrouw gewoond. De man kwam hier regelmatig over de vloer, maar wist niet dat het kind zijn dochter was. De man heeft, nadat partijen weer een relatie hadden en de twee andere kinderen geboren waren, niet om erkenning van de minderjarige verzocht, omdat de relatie goed verliep. Na het verbreken van de relatie is er een omgangsregeling met de drie kinderen overeengekomen. Die verloopt goed. Het contact met de vrouw over de kinderen is redelijk.
De bijzondere curator concludeert dat de vrouw de man niet in de gelegenheid heeft gesteld om de minderjarige te erkennen. De vrouw had een belangenafweging kunnen maken, waarbij zij de belangen van de man had moeten wegen en op basis daarvan in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming aan de heer [naam 1] had kunnen komen. De bijzondere curator concludeert voorts dat erkenning door de man in het belang van de minderjarige is. De weerstand van de vrouw biedt onvoldoende grond om de belangenafweging in het voordeel van de vrouw uit te laten vallen. Er is geen sprake van dat erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van kind zou schaden.
De vrouw heeft, anders dan bij de bijzondere curator, geen verweer gevoerd. Ter zitting heeft de vrouw verklaard in te stemmen met de verzoeken van de man.
De rechtbank overweegt als volgt.
internationaal privaatrecht
Gelet op het feit dat de vrouw de Thaise nationaliteit heeft, de man de Nederlandse nationaliteit heeft, de heer [naam 1] de Nederlandse nationaliteit heeft en de minderjarige zowel de Thaise als de Nederlandse nationaliteit heeft, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Deze vraag kan op grond van het bepaalde in artikel 3, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevestigend worden beantwoord, nu de man, de vrouw en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welk rechtsstelsel op het verzoek van toepassing is. Artikel 95 van Pro Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek, geldig met ingang van 1 januari 2012, bepaalt dat indien de moeder of het kind de Nederlandse nationaliteit bezit, dan onder alle omstandigheden het Nederlandse recht op de toestemming van toepassing is, ongeacht het eventuele bezit van een andere nationaliteit.
beoordeling van de verzoeken
De rechtbank stelt voorop dat op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting vast staat dat de heer [naam 1] niet de verwekker is van de minderjarige. Indien de vrouw misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om toestemming tot erkenning te geven doordat de minderjarige - met toestemming van de vrouw - door een andere man dan de verwekker is erkend, op grond van de artikelen 1:204, eerste lid 1, onder c, in samenhang met artikel 3:13 van Pro het BW, de verwekker de erkenning door de andere man alsnog kan aantasten door vervangende toestemming tot erkenning aan de rechter te verzoeken op grond van artikel 1:204, derde lid van het BW. Wordt deze verleend, dan zal de erkenning door de juridische vader worden doorgehaald. De wetgever heeft hiermee de belangen van de verwekker willen beschermen.
In de jurisprudentie zijn twee maatstaven ontwikkeld. In de gevallen waarin de verwekker om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, maar dit heeft nagelaten, kan de verwekker met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de moeder gedane erkenning van de minderjarige door een ander aantasten, indien deze toestemming is gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden (ook wel genoemd: de strikte maatstaf). In de gevallen waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, dient de volgende maatstaf te worden gehanteerd: of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder, telkens in verband met de belangen van het kind, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen (de zogenoemde: minder strikte maatstaf). Derhalve dient eerst bepaald te worden welke maatstaf op de onderhavige situatie van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat de man, mede gelet op de verklaring van de vrouw tegenover de bijzondere curator, niet wist dat de vrouw een kind kreeg en dat hij er ook niet van op de hoogte was dat hij de verwekker was van dat kind. De man verkeerde derhalve in de onmogelijkheid om de vrouw te verzoeken in te stemmen met erkenning van de minderjarige of de rechtbank te verzoeken vervangende toestemming te verlenen. De rechtbank dient derhalve de minder strikte maatstaf te hanteren.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming aan de heer [naam 1] had kunnen komen. De relatie tussen partijen is tijdens de zwangerschap verbroken, zonder dat de man wist dat de vrouw zwanger was. De vrouw had nog maar een zeer korte relatie met de heer [naam 1] toen zij hem toestemming verleende tot erkenning van de minderjarige. Zowel de vrouw als de heer [naam 1] wisten dat de heer [naam 1] niet de verwekker is van de minderjarige. De vrouw heeft er, om haar moverende redenen, bewust voor gekozen de man destijds niet op hoogte te stellen van het feit dat hij de verwekker was van de minderjarige en heeft de man doen geloven dat de heer [naam 1] de vader was. De vrouw heeft de man daarmee de mogelijkheid ontnomen een verzoek tot (vervangende toestemming tot) erkenning in te dienen, zowel bij de vrouw als -in geval van haar weigering- bij de rechtbank.
Zowel de minderjarige als de man hebben er belang bij dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend. De vrouw heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat haar belang destijds zwaarder woog dan dat van de man en de minderjarige. De vrouw had dan ook in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming tot erkenning van de minderjarige aan de heer [naam 1] kunnen komen.
Vervolgens dient de rechtbank het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning te beoordelen. Het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de overige belangen van het kind. Van schade aan de belangen van de minderjarige is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige reële risico's zijn dat de minderjarige belemmerd wordt in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit is noch gesteld, noch gebleken. Integendeel, partijen hebben, nadat de vrouw de man op de hoogte had gesteld van het feit dat hij de verwekker is van de minderjarige, opnieuw een relatie gekregen en nog twee kinderen gekregen. De man heeft deze kinderen wel met toestemming van de vrouw erkend. De bijzondere curator heeft gesteld dat het van belang is voor de minderjarige dat de juridische situatie overeenkomt met de feitelijke situatie. Voor de minderjarige is van belang dat zij op de hoogte is van haar afstamming. De minderjarige weet dat de man haar vader is en heeft een nauwe persoonlijke betrekking met hem. Het is in haar belang dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke. De vrouw heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met het verzoek van de man om vervangende toestemming.
De rechtbank zal de erkenning door de heer [naam 1] gedaan nietig verklaren en zal de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige verlenen. Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning door de heer [naam 1] geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
DE BESLISSING
Verklaart nietig de akte van erkenning opgemaakt in de gemeente Hoorn op 15 mei 2000, aktenummer ref.100746/2000 en gelast de doorhaling van de latere vermelding van deze erkenning bij geboorteakte nummer 100746 van het jaar 2000, voorkomende in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Hoorn, betreffende de minderjarige [kind 1], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum 1].
Verleent de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [kind 1], geboren in de gemeente Hoorn op [geboortedatum 1].
Draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hoorn.
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2012 in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier.