ECLI:NL:RBALK:2005:BA1311
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Teruggeleiding minderjarige naar Nieuw Zeeland op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank Alkmaar om teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder van Nieuw Zeeland naar Nederland was overgebracht zonder toestemming van de vader. De moeder voerde verweer dat het gezag feitelijk alleen door haar werd uitgeoefend en dat terugkeer het kind aan ernstig gevaar zou blootstellen.
De rechtbank stelde vast dat zowel de vader als de moeder gezamenlijk gezag hadden volgens Nieuw Zeelands recht en dat de vader ook na de overbrenging actief betrokken bleef. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De moeder kon onvoldoende aantonen dat terugkeer een ernstig risico voor het kind zou vormen, zoals bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag. Ook was de Centrale Autoriteit voldoende actief geweest om een minnelijke regeling te bewerkstelligen. De rechtbank gelastte daarom de teruggeleiding van het kind uiterlijk 2 november 2005 en verplichtte de moeder tot medewerking, bij gebreke waarvan het kind aan de vader zou worden overgedragen.
Uitkomst: De rechtbank gelast de teruggeleiding van de minderjarige naar Nieuw Zeeland uiterlijk 2 november 2005.