ECLI:NL:RBALK:2005:AT8841

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
6 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
79770/fa rk 05-273
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 4 BWArt. 1:157 lid 5 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging onderhoudsplicht wegens arbeidsongeschiktheid na echtscheiding

De vrouw verzocht de rechtbank om verlenging van de onderhoudsplicht van de man tot haar levensonderhoud, gebaseerd op artikel 1:157 lid 5 BW Pro, nadat de wettelijke termijn van twaalf jaar na de echtscheiding was verstreken. De man verzette zich tegen dit verzoek, stellende dat de behoeftigheid van de vrouw voortkomt uit haar arbeidsongeschiktheid en dat zij aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering.

De rechtbank stelde vast dat partijen in 1993 zijn gescheiden en dat de vrouw sinds 1999 arbeidsongeschikt is en een WAO-uitkering ontvangt. De onderhoudsbijdrage werd in 2003 vastgesteld vanwege haar arbeidsongeschiktheid, maar de wettelijke onderhoudsplicht eindigde in mei 2005. De vrouw diende tijdig een verzoek in tot verlenging van deze termijn.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw gedurende tien jaar na de echtscheiding in haar eigen levensonderhoud voorzag en dat de onderhoudsbijdrage slechts werd vastgesteld vanwege haar arbeidsongeschiktheid, een omstandigheid los van het huwelijk. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het beëindigen van de onderhoudsplicht onredelijk is. Bovendien kan de vrouw een aanvullende bijstandsuitkering aanvragen als haar inkomen onder het bijstandsniveau daalt.

De rechtbank wees het verzoek tot verlenging van de onderhoudsplicht af.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de onderhoudsplicht wordt afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid van de vrouw geen verband houdt met de huwelijksgerelateerde behoefte.

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
zaak- en rekestnummer: 79770 / FA RK 05-273
datum: 6 juli 2005
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
in de zaak van:
[verzoekster/de vrouw],
wonende te Heiloo,
verzoekende partij,
procureur: mr. N.M. Bindhammer,
tegen:
[gerekwestreerde/de man],
wonende te Heiloo,
gerekwestreerde,
procureur: mr. C. de Bie-Koopman.
Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Ter griffie van deze rechtbank is op 6 april 2005 een verzoekschrift van de vrouw ingekomen waarin, op grond van artikel 157 lid 5 van Pro boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, wordt verzocht ten laste van de man een uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen van Euro 508,81 bruto per maand tot en met de maand mei 2011 althans tot een door de rechtbank te bepalen datum.
De man heeft daarop een verweerschrift ingediend, strekkende tot afwijzing van het verzoek.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2005, alwaar zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Bindhammer, en de man, bijgestaan door mr. De Bie-Koopman.
DE BEHANDELING VAN DE ZAAK
De vrouw voert als grond voor het verzoek aan dat zij nog steeds behoefte heeft aan de bij beschikking van 19 november 2003 vastgestelde bijdrage en dat beëindiging van deze uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in artikel 157 lid 4 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde wettelijke termijn van zo ingrijpende aard is dat, ongewijzigde handhaving van die termijn, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling zijn de volgende relevante feiten en omstandigheden gebleken:
Partijen zijn op [huwelijksdatum] gehuwd, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren (waarvan de jongste in 1975). Tussen partijen is bij vonnis van 15 april 1993 de echtscheiding uitgesproken, welke op 11 mei 1993 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Destijds is de bij de man beschikbare draagkracht aangewend voor het vaststellen van een bijdrage ten behoeve van de destijds minderjarige kinderen. De vrouw heeft na de echtscheiding een cursus administratief medewerkster gevolgd, na afronding waarvan zij voor 28 uur per week is gaan werken. In 1999 is de vrouw arbeidsongeschikt geraakt en ontvangt sedertdien een WAO-uitkering; deze uitkering bedraagt thans Euro 922,20 bruto per maand. Op 3 juni 2003, 10 jaar na de echtscheiding, heeft de vrouw zich gewend tot deze rechtbank en verzocht ten laste van de man een uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen. Dit heeft geleid tot de vaststelling van een uitkering van Euro 491,= per maand, zijnde het toenmalige maximale voor alimentatie beschikbare bedrag aan de zijde van de man, met ingang van 3 juni 2003. Deze alimentatieverplichting eindigt van rechtswege twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, derhalve 11 mei 2005, tenzij de onderhoudsgerechtigde binnen drie maanden na de beëindiging een verzoek indient en alsnog verzoekt om een nadere termijn vast te stellen.
De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw om een nadere termijn vast te stellen; primair omdat de man van oordeel is dat de behoeftigheid van de vrouw is ontstaan door haar arbeidsongeschiktheid en zij, indien de termijn om een aanvullende uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te voldoen niet wordt verlengd, een beroep kan doen op een aanvullende (bijstands)uitkering. Subsidiair heeft de man tot zijn verweer aangevoerd dat hij sedert 1 september 2004 als gevolg van prepensioen onvoldoende draagkracht heeft om de destijds vastgestelde uitkering nog langer te voldoen, maar dat hij heeft afgezien van een verzoek tot vermindering van de vastgestelde onderhoudsverplichting omdat hij ervan uitging dat deze per 11 mei 2005 van rechtswege zou eindigen.
De rechtbank stelt voorop dat de onderhoudsplicht van de man, gelet op het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 BW Pro met ingang van 11 mei 2005 is geëindigd. Dit neemt echter niet weg dat de vrouw krachtens artikel 1:157 lid 5 BW Pro, binnen 3 maanden sinds de beëindiging is verstreken, om verlenging van de termijn van onderhoudsplicht van de man kan vragen.
De vrouw heeft haar verzoek tijdig gedaan. Echter, naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesteld dat beëindiging van de door de man te leveren aanvullende uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn, in dit geval beëindiging per 11 mei 2005, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd. Daartoe overweegt zij dat de vrouw pas tien jaar na het einde van het huwelijk een verzoek heeft gedaan om ten laste van de man een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw gedurende die hele periode heeft afgezien van partneralimentatie omdat de het de man aan draagkracht ontbrak omdat hij tevens een bijdrage in de zorg en opvoeding van de inmiddels meerderjarige kinderen van partijen betaalde. De vrouw heeft gedurende die tien jaar in eigen levensonderhoud voorzien. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat zij verder niet behoeftig was. Dat de rechtbank een onderhoudsbijdrage ten laste van de man heeft vastgesteld, vloeit louter voort uit het feit dat de wetgever er (in zijn algemeenheid) voor heeft gekozen dat de voormalig echtgenoot gedurende twaalf jaar na het einde van het huwelijks onderhoudsplichtig is. Na verloop van die twaalf jaar komt die onderhoudsplicht in beginsel te vervallen. De rechtbank ziet onvoldoende redenen om van dat beginsel af te wijken. Daarbij is voor de rechtbank doorslaggevend de omstandigheid dat de ten behoeve van de vrouw vastgestelde onderhoudsbijdrage is vastgesteld omdat de vrouw als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid behoefte kreeg aan een aanvulling op haar WAO-uitkering. Dat is echter een omstandigheid die los staat van het toenmalige huwelijk van partijen en deze dient na verloop van genoemde twaalf jaar niet aan de man te worden toegerekend. Voorts weegt mee dat de vrouw, indien zij met haar uitkering beneden het bijstandsniveau voor alleenstaanden komt te verkeren, de mogelijkheid heeft om aanspraak te maken op een aanvullende (bijstands)uitkering.
Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden afgewezen
DE BESLISSING
De rechtbank :
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf lid van gemelde kamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2005 in tegenwoordigheid van D.J. Witsen, griffier.