ECLI:NL:RBALK:2003:AI0396

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
24 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
225/2003 AVK
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 RvArt. 129 RvArt. 254 RvArt. 237 RvArt. 238 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering inzake buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten tussen Bartels en Begro c.s.

In deze kortgedingprocedure vordert Bartels betaling van een bedrag van 60.374 euro van Begro c.s., bestaande uit diverse vennootschappen en natuurlijke personen. Bartels vermindert haar eis tijdens de zitting, waarna Begro c.s. het gevorderde bedrag alsnog betaalt. De voorzieningenrechter oordeelt dat Begro c.s. hierdoor in het ongelijk is gesteld en veroordeelt hen in de proceskosten.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van 1.542 euro worden afgewezen omdat niet is aangetoond dat deze kosten betrekking hebben op werkzaamheden die niet reeds door de wettelijke vergoedingen worden gedekt. Daarnaast wordt ingegaan op de beslagkosten die Begro c.s. betwist, stellende dat de beslagen prematuur en onterecht zijn gelegd. De voorzieningenrechter vindt echter dat Bartels voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beslagen noodzakelijk waren als zekerheid voor betaling van geleverde goederen.

Begro c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Ook is het niet aannemelijk dat de gedaagden zonder beslag zouden hebben betaald, aangezien zij niet op eerdere sommaties hebben gereageerd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Begro c.s. wordt veroordeeld in proceskosten en de beslagkosten worden toegewezen, terwijl de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

DE RECHTBANK TE ALKMAAR
KG nummer: 225/2003 AVK
Uitspraak: 24 juli 2003
De voorzieningenrechter van de rechtbank te Alkmaar, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:
de vennootschap naar Duits recht
BARTELS GEMÜSEHANDEL GMBH,
gevestigd te 25709 Helse/Dithmarschen, Duitsland,
EISERES IN KORT GEDING,
procureur mr. C.H.P. de Boer,
advocaat mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,
tegen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEGRO IMPORT-EXPORT GROENTEN EN FRUIT B.V. gevestigd te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAARLIMPEX FRESH FOOD B.V., gevestigd te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEGRO HOLDING B.V., gevestigd te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 4]., gevestigd te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam gedaagde 5] ., gevestigd te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel,
6. [gedaagde 6], wonende te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk,
7. [gedaagde 7], wonende te Warmenhuizen, gemeente Harenkarspel,
GEDAAGDEN IN KORT GEDING,
procureur mr. A.A. Aarste Tuijn.
Partijen worden hierna genoemd: eiser enerzijds Bartels en gedaagden anderzijds gezamenlijk Begro c.s..
HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bartels heeft gesteld overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Bij akte vermindering eis, tevens akte van procureur tot procureur van 16 juli 2003, heeft zij haar vordering verminderd met een bedrag van 60.374,- euro.
Begro c.s. heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van Bartels een pleitnotitie, overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.
DE BEHANDELING VAN DE ZAAK
1. Nu gelet op het bepaalde in de artikelen 82 jº 129 jº 254 Rv een eis in kort geding slechts ter zitting gewijzigd (in casu veranderd) kan worden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat Bartels pas ter zitting geacht wordt zijn eis dusdanig verminderd te hebben en wel in die zin dat deze geen inhoudelijke behandeling meer behoeft en slechts de toewijsbaarheid van de gevorderde buitengerechtelijke incasso- en proceskosten, waaronder de kosten van de beslagen, aan de orde zal komen. Nu Begro c.s. het bedrag van 60.374,- euro eerst heeft betaald na uitbrengen van de dagvaarding, wordt Begro c.s. geacht de in het ongelijk gestelde partij te zijn. Op die grond zal hij worden veroordeeld in de (proces)kosten van dit geding.
2. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten à 1.542,- euro zullen worden afgewezen, nu onvoldoende gesteld is dat deze kosten betrekking hebben op andere werkzaamheden dan die waarvoor de artikel 237 tot Pro en met 240 Rv reeds een vergoeding plegen in te sluiten.
3. Met betrekking tot de beslagkosten geldt het volgende. Begro c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslagkosten van de onder gedaagden 3 t/m 7 gelegde beslagen niet door hem gedragen hoeven worden, aangezien de beslagen prematuur en op valse gronden zijn gelegd.
De voorzieningenrechter wijst erop dat de kosten van het beslag op grond van artikel 706 Rv Pro van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij summierlijk blijkt dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Hiervan is de voorzieningenrechter voorshands niets gebleken. Naar zijn voorlopig oordeel heeft Bartels, aangezien hij ook tevergeefs heeft gesommeerd, niet op ondeugdelijke gronden aan de beslagen ten grondslag gelegd dat zij noodzakelijk waren als zekerheidstelling voor betaling van de geleverde goederen, waarvoor ook de bestuurders van de beherend vennoten aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatig handelen. Begro c.s. heeft daartegen onvoldoende aangevoerd waaruit voorshands de conclusie dient te worden getrokken dat zich een uitzondering als genoemd in artikel 706 Rv Pro heeft voorgedaan. Dat de gedaagden sub 3 tot en met 7, zoals gesteld, ook zonder beslaglegging betaald zouden hebben acht de voorzieningenrechter weinig aannemelijk. Immers als niet weersproken staat vast dat deze gedaagden in het geheel niet gereageerd hebben op de sommaties van 27 juni 2003. Dat de raadsman van de gedaagden toen op vakantie was, laat onverlet dat er wel gereageerd had kunnen worden. De gevorderde beslagkosten liggen derhalve voor toewijzing gereed.
4. Het van toepassing zijnde griffierecht zal ten slotte worden bepaald aan de hand van de in de dagvaarding gevorderde hoofdsom. Artikel 2 lid 4 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken bepaalt immers dat in geval van vermindering van eis het griffierecht niet wordt verminderd.
DE BESLISSING
De voorzieningenrechter:
- veroordeelt Begro c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Bartels begroot op 4.317,55 euro aan verschotten en op 1.474,- euro aan salaris van de procureur;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Gewezen door mr. J. Blokland, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2003 in tegenwoordigheid van mr. A.F. van Kooij, griffier.