ECLI:NL:RBALK:2000:AA5944

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
10 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/1235 GEMWT en 99/1813 GEMWT
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • M. Zijp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WoningwetArt. 125 GemeentewetArt. 5:25 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kostenverhaal bestuursdwang bij verkoop woning en niet-eigenaar overtreder

De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil over de vraag wie de kosten van bestuursdwang moet dragen voor het verwijderen van illegale woonvoorzieningen op de bovenverdieping van een garage. De voorzieningen waren door de voormalige eigenaar aangebracht zonder vergunning. Na verkoop van het perceel aan een nieuwe eigenaar, legde het college van burgemeester en wethouders een bestuursdwangaanschrijving op gericht aan de huidige eigenaar, met de mededeling dat de kosten op de overtreder, de voormalige eigenaar, zouden worden verhaald.

Eiser, de voormalige eigenaar, betoogde dat hij niet langer aansprakelijk kon worden gehouden voor de kosten omdat hij geen eigenaar meer was. De rechtbank oordeelde dat het verbod op bouwen zonder vergunning zich richt tot de bouwer en dat eiser als bouwer de overtreder is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De verkoop van het perceel verandert hieraan niets en kan de wettelijke regeling van kostenverhaal niet teniet doen.

De rechtbank stelde vast dat de woonvoorzieningen niet vergunningvrij waren en dat het bestuursorgaan bevoegd was bestuursdwang toe te passen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak werd gedaan op grond van artikel 8:84 en Pro 8:86 Awb, waarbij direct in de hoofdzaak werd beslist.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voormalige eigenaar als overtreder aansprakelijk blijft voor de kosten van bestuursdwang ondanks verkoop van de woning.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Alkmaar
Sector Bestuursrecht
President
UITSPRAAK
op grond van artikel 8:84 en Pro 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.
Reg.nr: 99/1235 GEMWT en 99/1813 GEMWT
Inzake: [eiser], eiser,
tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit.
Het besluit van verweerder van 13 juli 1999.
2. Zitting.
Datum: 6 januari 2000.
Eiser is, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, vergezeld van zijn vrouw.
Verweerder is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde C. Langedijk, ambtenaar van de gemeente.
3. Feiten welke als vaststaande worden aangenomen.
Bij besluit van 12 februari 1999 heeft verweerder [huidige eigenaar] (hierna:[huidige eigenaar]) aangeschreven om de keuken, de badruimte en het woon- en slaapvertrek op de bovenverdieping van de garage/opslagruimte op zijn perceel aan de [adres] te [plaats] binnen zes weken na verzending van dit besluit te verwijderen. Daarbij is vermeld dat indien hieraan niet wordt voldaan, de genoemde voorzieningen op kosten van de overtreder, dit is eiser, zullen worden verwijderd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 februari, door verweerder ontvangen op 26 februari 2000, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 juli 1999, verzonden op 23 juli 1999, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 augustus 1999, bij de rechtbank ingekomen op 4 augustus 1999, beroep ingesteld. Bij brief van 26 augustus 1999 heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld.
Bij brief van 15 september 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 5 december 1999 heeft eiser de president verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bewijsmiddelen.
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering.
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Het geschil betreft het verhaal van de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang indien [huidige eigenaar] niet voldoet aan de aanschrijving om de keuken, de badruimte en het woon- en slaapvertrek op de bovenverdieping van de garage/opslagruimte op zijn perceel aan de [adres] te [plaats] te verwijderen. Eiser meent dat die kosten niet op hem mogen worden verhaald.
Niet in geschil is dat eiser de woonvoorzieningen op de bovenverdieping heeft aangebracht voordat hij het perceel met woning en bijgebouwen op 1 oktober 1997 verkocht aan [huidige eigenaar].
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang en wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Vast staat dat de bestaande garage/opslagruimte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[bestemmingsplan]". Voor de bouw ervan is echter in 1989 vrijstelling en vergunning verleend. In 1993 is dat wederom gebeurd voor het vergroten van het gebouw met een verdieping. Dit gebouw en het gebruik ervan als garage/opslagruimte zijn derhalve toegestaan. De verleende vergunningen hadden echter geen betrekking op het aanbrengen van woonvoorzieningen. Vast staat dat noch voor het aanbrengen daarvan noch voor het gebruik als woonruimte op enig moment vergunning of vrijstelling is verleend.
Eiser betwist dat een vergunning nodig was voor het aanbrengen van de aangeschreven voorzieningen. De president overweegt dat, nu deze voorzieningen niet ten dienste staan van het toegestane gebruik, zij niet kunnen worden aangemerkt als - vergunningvrije - veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet. Een bouwvergunning was dan ook vereist.
Verweerder was derhalve bevoegd om te besluiten tot toepassing van bestuursdwang.
Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. In dit geval kan dat naar het oordeel van de president niet worden verlangd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiser in zijn beroepschrift betoogt dat hij bij de verkoop van zijn perceel aan [huidige eigenaar] deze volledig heeft ingelicht over het gegeven dat de bovenverdieping een bestemming heeft als opslagruimte en niet als logeerruimte beschouwd dient te worden. Gelet hierop kan eiser niet volhouden, zoals hij ook doet, dat van gemeentezijde de indruk is gegeven dat een en ander werd gedoogd.
De president ziet dan ook geen reden om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
Het in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet neergelegde verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders richt zich tot de bouwer. Zoals hiervoor al is aangegeven, is niet in geschil dat eiser de bouwer is.
Overtreder in de zin van artikel 5:25 van Pro de Awb is degene die het te handhaven wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Nu eiser, als bouwer, het verbod van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet heeft geschonden is hij ook de overtreder in de zin van artikel 5:25 van Pro de Awb.
Eiser betoogt dat, nu hij geen eigenaar meer is van het perceel en de woning, de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang niet op hem verhaald kunnen worden.
De president deelt dit standpunt niet. De verkoop heeft immers geen verandering gebracht in het gegeven dat eiser bouwer was en daarmee overtreder van het verbod dat is opgenomen in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Ook kan de verkoop - een privaatrechtelijke rechtshandeling - naar het oordeel van de president niet de in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb neergelegde regel dat de overtreder in beginsel de kosten verbonden aan toepassing van bestuursdwang verschuldigd is, teniet doen.
Verder ziet de president de verkoop evenmin als een omstandigheid die het oordeel rechtvaardigt dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van eiser behoren te komen.
De president ziet derhalve ook geen reden om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten dat eiser de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd is. Het beroep van eiser in de hoofdzaak is derhalve ongegrond.
Nu de president van oordeel is dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, doet zij ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening is, gelet hierop, geen aanleiding zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.
6. Beslissing.
De president van de rechtbank,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- verklaart het beroep in de hoofdzaak ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. Zijp, als president, in tegenwoordigheid van mr. M. Kraefft, als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2000 door voornoemde president, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De president,
Tegen deze uitspraak staat uitsluitend hoger beroep open, voorzover dit de hoofdzaak betreft. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: