ECLI:NL:PHR:2026:658

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
24/02108
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137c SrArt. 137d SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering opzet medeplegen groepsbelediging en aanzetten tot haat

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van groepsbelediging en medeplegen van aanzetten tot haat, discriminatie en geweld jegens Armeniërs tijdens een demonstratie bij de Armeense ambassade in Den Haag op 26 februari 2020. Hij kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete opgelegd.

De bewezenverklaring berustte op verklaringen, politieprocessen-verbaal, vertalingen van Russische en Turkse uitlatingen, en videomateriaal. De verdachte hield een megafoon vast terwijl een vrouw in het Russisch opriep tot haat en geweld tegen Armeniërs, en scandeerde de uitlatingen na. De verdachte verklaarde geen Russisch te spreken en niet te hebben geweten wat werd gezegd.

De verdediging voerde aan dat de verdachte het woord 'Armenië' en niet 'Armeniërs' had gescandeerd, en dat hij geen opzet had op belediging of aanzetten tot haat. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de uitlatingen beledigend en discriminerend waren. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Daarnaast is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden. De zaak wordt terugverwezen om opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering van het opzet.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02108
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 29 mei 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002416-23) wegens 1. “zich in het openbaar mondeling en bij afbeelding opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2. “in het openbaar mondeling en bij afbeelding aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden tegen mensen wegens hun ras, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van beide feiten onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij op 26 februari 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, zich in het openbaar mondeling en bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Armeniërs, wegens hun ras, door met anderen tijdens een demonstratie te roepen (vertaald): “Armeniërs zijn terroristen” en “Armeniërs zijn agressors”;
2. hij op 26 februari 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, in het openbaar mondeling en bij afbeelding heeft aangezet tot haat tegen en discriminatie van mensen en gewelddadig optreden tegen personen, te weten de Armeniërs, wegens hun ras, door te roepen en een megafoon vast te houden waardoor de volgende uitlating voor een groot aantal mensen hoorbaar was (vertaald): “Verlaat Karabach, dit is niet jullie land geweest. Onthoud dit goed: we zullen nooit er afstand van doen en zullen blijven eisen dat jullie uit ons land vertrekken. Als jullie het niet goedschiks doen, dan gaan we het hoe dan ook kwaadschiks doen en het afpakken”.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 27 november 2020 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020358671-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 3-5):
“Ik ben voorzitter namens de Federatie Armeense Organisaties Nederland ( FAON ), gevestigd op de [a-straat 1] te [plaats] . Ik doe namens FAON aangifte van belediging van een groep mensen wegens hun afkomst ex artikel 137e Sr en het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld ex artikel 137d Sr. Inwoners van Nederland met een Armeense achtergrond ervaren de voornoemde strafbare uitspraken en gedragingen ook daadwerkelijk als beledigend, beangstigend en bedreigend. Dergelijke uitspraken en daden creëren en verergeren spanning en haat tussen bevolkingsgroepen in de Nederlandse samenleving en zijn gevaar zettend.”
2. Een geschrift, zijnde een schrijven van de Armeense ambassade, d.d. 20 april 2020 (blz. 8-9):
Upon the initiative of the Azerbaijani Turkish Cultural Association a manifestation took place on 26 of February, 2020. During this manifestation upon the call of a speaker unknown to us (Mr. [verdachte] was holding the megaphone for her), the participants were chanting the following statements: “Armenians are terrorists”, “Leave Karabakh, it has never been yours and never will .... and if you would not leave it for good, we will take it in a bad way”(translation from Russian).
The Embassy is of the opinion that chanting aforementioned statements in public and their dissemination on social media constitute hate speech against Armenians as an ethnic group and is a propaganda of violence and the use of force, therefore those actions should not only be condemnable, but also punishable. The Embassy has further honour to present herewith the video recording of the mentioned incident posted on Facebook.
Enclosure: I video file and I page.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2022 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020358671-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 32):
Tevens werd er aangifte gedaan van belediging door de Ambassade van Armenië. Door hen werd gesteld dat er tijdens een protest voor de ambassade beledigingen werden geuit. De uitlatingen in dit filmpje werden vertaald door [tolk] , beëdigd tolk, vanuit het Russisch. Een deel van de van de aangeleverde teksten waren in de Turkse taal, welke eveneens zijn vertaald door een beëdigd tolk. Deze vertalingen zijn als bijlage bij dit proces verbaal gevoegd.
4. Een geschrift, zijnde een vertaling van een MP4 fragment vanuit het Russisch, als bijlage gevoegd bij een geschrift d.d. 24 november 2020 betreffende een ‘aangifte strafbare feiten ex 137c en 137d Sr’ van de federatie Armeense Organisaties Nederland (blz. 31):
..dat zij terroristen zijn, dat zij bezetters zijn.
Laten we met zijn allen roepen: Verlaat Karabach. Dit is niet jullie land en dit is nooit jullie land geweest. Onthoud dit goed: We zullen nooit er afstand van doen en we zullen blijven eisen dat jullie uit ons land vertrekken. Als jullie het niet goedschiks doen, dan gaan we het hoe dank ook kwaadschiks doen en het afpakken.
Het is nooit, nooit jullie land geweest. Het wordt nooit jullie land. Onthoud dat. Dit is tijdelijk. Uiteindelijk zal Karabach van ons worden.
We zullen nooit jullie pesterijen vergeten, de pesterijen op de Azerbeidzjanen. Niet alleen maar op de Azerbeidzjanen, maar ook pesterijen van kinderen en ouderen.
Jullie vielen ook Georgië aan. Precies op dezelfde wijze. Exact op dezelfde wijze zoals in 1921 en in het jaar 15.
Jullie zijn de agressors. ( In het Armeens vlakbij microfoon zegt een mannelijke stem: Nee, nee ). Niet de Azerbeidzjanen. Dat beweer ik.
Alstublieft, laten we samen roepen: Armeniërs zijn agressors. Armeniërs zijn terroristen. Verlaat Karabach. Verlaat Karabach.
Dank u wel.
5. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2024 verklaard -zakelijk weergegeven-:
De vrouw die Russisch sprak eindigde haar toespraak met slogans. Ik spreek Turks en een beetje Nederlands, Die vrouw gebruikte de term Armenia.”
2.3
Het hof heeft over het bewijs verder overwogen:
“Op 26 februari 2020 heeft er tegenover de Armeense ambassade in Den Haag een demonstratie plaatsgevonden. Deze demonstratie is georganiseerd door een stichting, waarvan de verdachte voorzitter is. De verdachte heeft zich daar samen met anderen verzameld om te demonstreren met vlaggen en borden, met daarop meerdere leuzen. Uit de beelden blijkt dat de verdachte een megafoon vasthoudt, waar op dat moment een vrouw in het Russisch door spreekt. De verdachte en andere aanwezigen scanderen bepaalde zinnen na. De geuite bewoordingen houden in, zakelijk weergegeven, dat Armeniërs terroristen en agressors zijn en dat zij Karabach moeten verlaten, omdat dit gebied anders van de Armeniërs zal worden afgepakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen Russisch spreekt en dus niet wist wat de voor hem onbekende vrouw verkondigde. Had hij dit wel geweten, dan had hij haar niet toegestaan deze uitlatingen tijdens de demonstratie te doen. De verdachte kende haar niet en wist van tevoren ook niet dat zij voornemens was iets te gaan zeggen, noch wat de inhoud van haar uitlatingen zou zijn. De verdachte verklaart verder dat hij in haar uitspraken wel het woord ‘Armenië’ dacht te hebben verstaan, maar niet het woord ‘Armeniërs’.
Volgens zijn raadsman was de verdachte weliswaar kritisch op de Armeense regering, maar heeft hij geenszins opgeroepen tot haat dan wel gewelddadig handelen jegens het Armeense ras.
De tenlastegelegde artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht stellen een specifieke vorm van belediging strafbaar, namelijk discriminatie. Om een strafrechtelijke veroordeling voor een van deze bepalingen toe te laten, moet worden beoordeeld of een dergelijke veroordeling een toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Hiertoe dient te worden beoordeeld of de uitlating naar haar bewoordingen of gelet op de context beledigend is voor een groep of aanzet tot haat of discriminatie, vervolgens of de uitlating in de context waarin zij is gedaan een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie en ten slotte of de uitlating als bijdrage aan het publiek debat of als uiting van artistieke expressie niet onnodig grievend is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De gebruikte bewoordingen “Armeniërs zijn terroristen” en “Armeniërs zijn agressors” zijn zonder meer beledigend van aard voor een groep mensen, in dit geval Armeniërs. Zij hebben de strekking Armeniërs bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun goede eer en naam. De uitlatingen in de context van de onderhavige demonstratie zijn geen uiting van artistieke expressie noch kunnen zij bijdragen aan enig publiek debat. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de demonstratie plaatsvond op de met het oog op het conflict in de Zuidelijke Kaukasus zeer beladen datum van 26 februari. Dit betekent dat een nadere toetsing van het al dan niet onnodig grievende karakter van de uitlating achterwege kan blijven.
De uitlating “Verlaat Karabach, dit is niet jullie land geweest. Onthoud dit goed: we zullen nooit er afstand van doen en zullen blijven eisen dat jullie uit ons land vertrekken. Als jullie het niet goedschiks doen, dan gaan we het hoe dan ook kwaadschiks doen en het afpakken”, roept zonder meer op tot gewelddadig handelen jegens Armeniërs en wakkert bestaande gevoelens van haat aan. Deze uitlating vertoont grote overeenkomst met eerdere uitspraken van de verdachte, waaronder “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden”. Hiervoor is de verdachte reeds eerder veroordeeld. Volgens de Hoge Raad heeft de verdachte hiermee de grenzen van de vrijheid van meningsuiting overschreden.
Het hof overweegt dat de door de verdachte gedane uitlatingen, gelet op de bewoordingen en de context waarin zij zijn gedaan, zonder meer kunnen worden gekwalificeerd als aanzettend tot haat tegen, discriminatie van en gewelddadig optreden tegen een groep mensen wegens hun ras.
Het hof oordeelt op grond van de genoemde feiten en omstandigheden dat ook deze uitlatingen geen bijdrage kunnen leveren aan het publiek debat, noch als uiting van artistieke expressie zijn gedaan.
Het hof is dan ook van oordeel dat de uitspraken gedurende de demonstratie op 26 februari 2020 tegenover de Armeense ambassade in Den Haag de grenzen van de vrijheid van meningsuiting hebben overschreden.
De vraag is vervolgens of deze uitspraken aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij geen Russisch spreekt en daarom ook niet wist wat er door de betrokken vrouw door de megafoon werd gezegd. Hoewel het hof niet kan controleren of de verdachte inderdaad geen Russisch spreekt, stelt het hof wel vraagtekens bij deze verklaring. Het hof acht het namelijk niet aannemelijk dat de verdachte zonder enige kennis van de Russische taal de betrokken teksten na heeft kunnen scanderen. Het hof is desalniettemin van oordeel dat ten aanzien van de gedane uitspraken geen vol opzet aan de zijde van de verdachte kan worden vastgesteld, nu het hof niet kan vaststellen dat de verdachte de uitspraken verstond en begreep.
Het hof is van oordeel dat de verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het beledigende karakter van de gedane uitlatingen. De verdachte heeft immers verklaard voorzitter te zijn van de Azerbeidzjaanse Culturele Vereniging en van de Azerbeidzjaanse Diaspora gelieerd aan de Azerbeidzjaanse regering. In deze hoedanigheid heeft hij de demonstratie op 26 februari 2020 georganiseerd. Aldaar heeft hij een hem naar zijn zeggen onbekende vrouw toegestaan het woord te voeren. De verdachte heeft de megafoon voor haar vastgehouden en scandeert haar na. Dat de verdachte verklaart dat hij niet had begrepen dat zij het over Armeniërs had in plaats van over Armenië, komt voor zijn rekening. Gelet op de context van de demonstratie en de getoonde borden met zeer negatieve uitspraken jegens de Armeense gemeenschap, had de verdachte minst genomen moeten vermoeden wat de aard en strekking van de uitspraken was, zelfs als hij de Russische taal niet machtig zou zijn. Door ruimte te bieden aan het doen van de uitlatingen en deze na te scanderen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze een beledigend en discriminerend karakter hadden. De verdachte heeft daarnaast nauw en bewust samengewerkt met de betrokken vrouw, door de megafoon voor haar vast te houden en haar na te scanderen. De tenlastegelegde feiten zijn dan ook in vereniging gepleegd.”

3.Het middel

3.1
Het middel, dat in de kern inhoudt dat de bewezenverklaringen van feit 1 en feit 2 onvoldoende steun vinden in de bewijsvoering, valt uiteen in verschillende deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de onder 1 bewezenverklaarde uiting van de verdachte kan worden aangemerkt als belediging in de zin van art. 137c Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De tweede deelklacht komt op tegen het door het hof bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet op het uiten van beledigende dan wel discriminerende teksten. De derde deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de in het arrest genoemde betrokken vrouw, door de megafoon voor haar vast te houden en haar na te scanderen.
De eerste deelklacht
3.2
De eerste deelklacht heeft betrekking op de vraag wat de verdachte precies heeft (na)geroepen, en het al dan niet beledigende karakter daarvan. Vastgesteld is – en dat staat in cassatie ook niet ter discussie – dat de betrokken vrouw heeft geroepen (in de Nederlandse vertaling): “Armeniërs zijn terroristen” en “Armeniërs zijn agressors”, en dat de verdachte haar heeft nageroepen. De lezing van hetgeen de verdachte heeft (na)geroepen, verschilt echter. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte, anders dan is bewezenverklaard, het vertaalde woord ‘Armenië’ geroepen, en niet ‘Armeniërs’. Deze uitlating van de verdachte heeft volgens de steller van het middel niet onmiskenbaar betrekking op een bepaalde groep mensen die door hun ras wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen, zodat geen sprake is van een beledigende uitlating over een
groep mensenwegens hun
ras,zoals door het hof is bewezenverklaard.
3.3
Dat de verdachte in het Russisch het woord ‘Armenië’ heeft (na)gescandeerd en niet ‘Armeniërs’, volgt volgens de steller van het middel uit bewijsmiddel 5 (de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2024) en uit de aan het hof overgelegde schriftelijke verklaring van de verdachte.
3.4
Uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de betrokken vrouw in het Russisch heeft gescandeerd “Armeniërs zijn terroristen” en “Armeniërs zijn agressors”, en dat de verdachte en andere deelnemers aan de demonstratie haar hebben nageroepen. De schriftelijke verklaring van de verdachte, waaruit zou volgen dat hij het woord ‘Armenië’ heeft gescandeerd, is door het hof niet voor het bewijs gebezigd. Die keuze is in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. [1] Uit bewijsmiddel 5 is – anders dan door de steller van het middel wordt beweerd – niet af te leiden dat de verdachte iets anders heeft geroepen dan de betrokken vrouw scandeerde: uit dat bewijsmiddel blijkt enkel dat de vrouw volgens de verdachte de term ‘Armenia’ gebruikte. Dat de verdachte iets anders zou hebben (na)geroepen dan de betrokken vrouw, vindt kortom geen steun in de bewijsmiddelen; het oordeel van het hof hieromtrent – dat vanwege het feitelijke karakter ervan enkel op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst – is voldoende met redenen omkleed en niet onbegrijpelijk.
3.5
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.6
De tweede deelklacht houdt in dat de verdachte geen opzet heeft gehad op belediging (feit 1) dan wel het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld (feit 2), en dat het andersluidende oordeel van het hof hierover getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het hof het in dit verband gevoerde verweer van de verdediging op ontoereikend gemotiveerde gronden heeft verworpen.
3.7
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2024 gehechte pleitnota is door de verdediging onder meer het volgende naar voren gebracht:
“8. Op enig moment gingen andere aanwezigen de laatste woorden van deze spreekster scanderen. Cliënt heeft dat ook gedaan.
9. Daarbij is het van belang om op te merken dat client, zoals hij hier vandaag heeft aangegeven, de woorden Armenië (en niet Armeniërs) heeft verstaan. Dat is ook logisch, want datgene wat de Russische mevrouw uitspreekt klinkt als Armenia. In het Nederlands staat Armenia voor het land Armenië en NIET voor het de Armeniërs als ras op groep.
10. U kunt zelf de opname nog eens naluisteren. Het is volstrekt niet helder dat de dame in kwestie het in haar toespraak heeft over Armeniërs in plaats van over het land Armenië.
11. Wat client begreep en ook bedoelde te zeggen is dat hij vindt dat de Armeense overheid zich als agressor en terrorist gedraagt doordat het destijds Nagorno heeft veroverd op Azerbeidzjaan.
12. Er is geen reden om te twijfelen aan de uitleg die client geeft. Bij de politie heeft hij daarover niet verklaard (en is hem evenmin het filmpje getoond) en bij de rechtbank is client niet in de gelegenheid geweest om zich te verdedigen.
13. Er is daarnaast niemand die aangeeft dat client wel degelijk wist wat daar werd gezegd door ie onbekend gebleven persoon.
14. Dat betekent dat er geen overtuigend bewijs voorhanden is dat client opzettelijk beledigende woorden heeft gesproken jegens Armeniërs. Weliswaar is er een aangifte, maar die komt weer van de tegenstanders van de Azerbeidjaanse regering, die met hen in een gewapend conflict verwikkeld zijn.
15. En we hebben alleen een vertaling van de tekst die is uitgesproken, waarvan client aangeeft dat hij iets anders heeft verstaan.
16. Dat betekent dat ik u verzoek client voor feit 1 vrij te spreken.
17. En als u van mening bent dat client wel had moeten horen en begrijpen dat hier het woord Armeniërs werd gebezigd is daarmee nog steeds niet gezegd dat hij het heeft over het ras of volk Armeniërs.
18. Zoals client ook al eerder aangaf wordt regelmatig, ook in de internationale politiek, gesproken over een bevolkingsgroep als daarmee de regering, een land of de machtgever wordt bedoeld. Als wordt gezegd dat de Russen Oekraïne zijn binnengevallen wordt daarmee niet het Russische ras bedoeld, maar staat dat voor de regering of de soldaten.
19. In beide situaties kan niet worden vastgesteld dat client de opzet had om de Armeniërs als ras te beledigen, reden waarom hij voor dit feit moet worden vrijgesproken.”
3.8
Het hof heeft hierop als volgt gerespondeerd (reeds weergegeven onder randnummer 2.3):
“De vraag is vervolgens of deze uitspraken aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij geen Russisch spreekt en daarom ook niet wist wat er door de betrokken vrouw door de megafoon werd gezegd. Hoewel het hof niet kan controleren of de verdachte inderdaad geen Russisch spreekt, stelt het hof wel vraagtekens bij deze verklaring. Het hof acht het namelijk niet aannemelijk dat de verdachte zonder enige kennis van de Russische taal de betrokken teksten na heeft kunnen scanderen. Het hof is desalniettemin van oordeel dat ten aanzien van de gedane uitspraken geen vol opzet aan de zijde van de verdachte kan worden vastgesteld, nu het hof niet kan vaststellen dat de verdachte de uitspraken verstond en begreep.
Het hof is van oordeel dat de verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het beledigende karakter van de gedane uitlatingen. De verdachte heeft immers verklaard voorzitter te zijn van de Azerbeidzjaanse Culturele Vereniging en van de Azerbeidzjaanse Diaspora gelieerd aan de Azerbeidzjaanse regering. In deze hoedanigheid heeft hij de demonstratie op 26 februari 2020 georganiseerd. Aldaar heeft hij een hem naar zijn zeggen onbekende vrouw toegestaan het woord te voeren. De verdachte heeft de megafoon voor haar vastgehouden en scandeert haar na. Dat de verdachte verklaart dat hij niet had begrepen dat zij het over Armeniërs had in plaats van over Armenië, komt voor zijn rekening. Gelet op de context van de demonstratie en de getoonde borden met zeer negatieve uitspraken jegens de Armeense gemeenschap, had de verdachte minst genomen moeten vermoeden wat de aard en strekking van de uitspraken was, zelfs als hij de Russische taal niet machtig zou zijn. Door ruimte te bieden aan het doen van de uitlatingen en deze na te scanderen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze een beledigend en discriminerend karakter hadden.”
3.9
Het hof overweegt dat de verdachte gelet op de context van de demonstratie en de getoonde borden met zeer negatieve uitspraken jegens de Armeense gemeenschap
minst genomen had moeten vermoedenwat de aard en de strekking van de uitspraken was, ook al was hij de Russische taal mogelijk niet machtig. De uitdrukking dat de verdachte het voornoemde ‘minst genomen had moeten vermoeden’, duidt op culpa, en niet op opzet. [2] Kenmerkend aan die uitdrukking is dat de verdachte juist
nietwist (althans zich niet bewust was van een aanmerkelijke kans), maar slechts onvoorzichtig is geweest. De enkele hierop volgende overweging van het hof dat de verdachte door ruimte te bieden aan het doen van de uitlatingen en deze na te scanderen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze uitlatingen een beledigend en discriminerend karakter hebben, is in het licht van het voorgaande niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de overwegingen van het hof niet volgt dat de verdachte zich bewust is geweest van een aanmerkelijke kans. Daarbij merk ik (ten overvloede) op dat het hof in dit kader wijst op de context van de demonstratie en de getoonde borden met zeer negatieve uitspraken jegens de Armeense gemeenschap, maar dat hierover niets (belastends) volgt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
3.1
De tweede deelklacht is terecht voorgesteld, zodat reeds hierom het middel slaagt. De derde deelklacht behoeft daarom geen bespreking.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de cassatiefase, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, op 31 mei 2026 is overschreden. (Andere) gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag , teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
2.Zie ook K. Lindenberg & H.D. Wolswijk,