Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Artikel 22b Sr
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen en tot een gevangenisstraf van vijf weken. Tevens heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken toegewezen. Het hof oordeelde dat omzetting van deze voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf niet mogelijk was vanwege het taakstrafverbod van artikel 22b Sr.
De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing. De procureur-generaal concludeerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het taakstrafverbod omzetting naar een taakstraf uitsluit, terwijl artikel 22b lid 3 Sr een uitzondering bevat die dit wel toestaat indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt opgelegd. In casu was immers een onvoorwaardelijk deel van twee weken gevangenisstraf opgelegd naast de voorwaardelijke straf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf betreft en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De zaak betreft complexe vragen over de toepassing van het taakstrafverbod en de bevoegdheid tot omzetting van voorwaardelijke gevangenisstraffen in taakstraffen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.