ECLI:NL:PHR:2026:597

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/02853
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e lid 1 SvArt. 511g lid 2 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 36e lid 11 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen ontnemingsmaatregel wegens onvoldoende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene werd door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot betaling van € 67.295 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een rapport dat drie bronnen gebruikte, waaronder een digitale voorraadlijst vuurwerk. De betrokkene stelde in hoger beroep dat een bedrag van € 48.377,60, gebaseerd op deze voorraadlijst, van het te ontnemen bedrag afgetrokken moest worden omdat het onaannemelijk was dat hij de auteur was van de lijst en eigenaar van het vuurwerk.

Het hof Amsterdam bevestigde het vonnis van de rechtbank en verwierp het verweer, stellende dat de voorraadlijst onder de betrokkene was aangetroffen, hij bekend had met de vuurwerkhandel en het dossier aannemelijk maakte dat de lijst onderdeel was van zijn bedrijfsvoering. Het hof vond de identificatie van de auteur niet doorslaggevend.

In cassatie klaagde de betrokkene dat het hof onvoldoende en onbegrijpelijk had gemotiveerd waarom het afweek van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet op ieder detail hoefde in te gaan en dat de motivering begrijpelijk en toereikend was. Het cassatieberoep werd verworpen.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het beroep, waarbij tevens werd opgemerkt dat het hof geen beslissing hoefde te nemen over de duur van gijzeling bij niet-betaling, en dat dit geen ambtshalve vernietigingsgrond oplevert.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis tot ontneming van € 67.295 blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02853 P
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 juli 2024 (parketnr. 23-001006-22) het vonnis van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2019 – met aanvulling en verbetering van gronden [1] – bevestigd. Bij dat vonnis heeft de rechtbank de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 67.295,- aan de Staat. [2]
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02907 en 24/02906. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 23 juli 2024 ingesteld namens de betrokkene. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel behelst, mede in het licht van de daarop gegeven toelichting, in de kern bezien de klacht dat het hof niet voldoende, althans niet begrijpelijk, heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inhoudende dat – kort gezegd – “€ 48.377,60 moet worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag”.
2.2
Het door het hof (deels) bevestigende ontnemingsvonnis van de rechtbank houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in:

3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank neemt voor de begroting van het genoten voordeel als uitgangspunt het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ van 13 juli 2017.
De in het rapport uitgewerkte berekening is gebaseerd op drie bronnen:
1. Een bestand genaamd ‘Voorraadlijst-Actueel 3 augustus 2015.docx’;
2. Een bestand over de periode juli 2015 tot en met november 2015, met daarin een bestelling (inkoop) van vuurwerk, aangetroffen op een USB stick met zogenaamde ‘unallocated files’;
3. Een (foto van een) handgeschreven bestellijst, afkomstig van de smartphone van veroordeelde.
(…)
De hoogte van de op basis van de voorraadlijst, de bestanden op de usb-stick en de handgeschreven bestellijst, berekende winst is door veroordeelde niet betwist. De rechtbank zal van de in het rapport opgenomen kasopstelling uitgaan. Deze luid als volgt:
Inkoop Verkoop Winst % Winst
€ 78.907,26
5.2.6 (
kosten) -€ 11.610,13
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 67.297,13
De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 67.295,00.
(…)

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag, waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 67.295,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 67.295,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de in het dossier gevoegde pleitnotities. Die pleitnotities houden onder meer het volgende in:
“De ontnemingsvordering is gebaseerd op de inbeslaggenomen gegevensdragers. Hierop zijn volgens de politie en het Openbaar Ministerie zaken aangetroffen die betrekking hebben op de handel in vuurwerk door cliënt. Wat mij betreft is deze grondslag veel te wankel om een ontneming op te baseren. Ik zal dat toelichten.
Voorraad lijst – Actueel 4 augustus 2015
Er is een digitale voorraadlijst van vuurwerk 2015 aangetroffen
waarvan cliënt als auteur staat vermeld in de onderliggende bestandseigenschappen.Mede door deze lijst ontstond het vermoeden dat cliënt betrokken was bij grootschalige handel in vuurwerk. Uit de aangetroffen voorraadlijst zou blijken dat cliënt op 4 augustus 2015 al handelde in illegaal vuurwerk.
In de eerste plaats volgt uit de betreffende lijst dat het zeer aannemelijk is dat deze lijst van een handelaar uit België is en niet van cliënt; dit is ook op te maken uit het bovenste opschrift: “Ophalen regio Luik” Verzending naar en bezorging in NL, is niet mogelijk. Kortom: hieruit blijkt dat het illegale vuurwerk waarschijnlijk in de regio Luik is opgeslagen. In het enorme dossier Windkracht 3B is geen enkele link met België te vinden en het dus hoogst onaannemelijk dat deze lijst betrekking heeft op de voorraad van cliënt.
Door de rechtbank en de advocaat-generaal is aangehaald dat cliënt als auteur staat vermeld van dit bestand. Allereerst maakt dat nog niet dat hij heeft beschikt over het vuurwerk, maar de verdediging meent daarnaast dat hiervoor een plausibele verklaring is te geven. Immers, in hetzelfde bestand staat dat het revisienummer 3 is. Dat betekent dat er vaker wijzigingen zijn aangebracht. Dát de lijst vaker werd doorgestuurd is al op te maken uit wat er in de lijst zelf staat. In de laatste bullet staat immers Bij uitprinten / doorsturen a.u.b. een andere lay-out gebruiken. Dit soort lijsten worden klaarblijkelijk vaker doorgestuurd, anders stond dit er niet expliciet bij.
Een zoekslag op internet (google: Wat betekent revisienummer) leert het volgende:
Wijzigingen worden meestal aangeduid met een code, het “revisienummer” of “revisieniveau”. Elke wijziging wordt gekoppeld aan een timestamp en aan de persoon die de wijziging maakte. Wijzigingen kunnen vergeleken worden, hersteld en soms samengevoegd.
Kortom, uit het voorgaande volgt dat elke wijziging wordt aangeduid met een revisienummer en dat elke wijziging wordt gekoppeld aan de persoon die de wijziging maakte.
Als cliënt inderdaad het betreffende document heeft geopend, daarin een kleine wijziging heeft aangebracht en het daarna heeft opgeslagen wordt hij als auteur vermeld en wordt het revisienummer aangepast. Dit verklaart dus volledig waarom hij als Auteur is aangemerkt en revisienummer 3 is gekoppeld aan het document. Klaarblijkelijk zijn er al 2 keer wijzigingen aangebracht.
De advocaat-generaal heeft op zitting zelf geprobeerd om een aanpassing te doen in een Word-document en heeft geconcludeerd dat in zijn geval hij niet als auteur werd geregistreerd. Maar dat is natuurlijk weinigzeggend. Immers, een en ander is afhankelijk van de instellingen in Microsoft Word en -nog belangrijker- de versie waarin wordt gewerkt. De versie waarin cliënt destijds werkte was Word 2013, deze informatie komt uit het dossier.
Dat de cliënt de lijst niet zelf heeft gemaakt, lijkt ook te volgen uit het feit dat de totale bewerkingstijd op 00:00:00 is vastgesteld. Een lijst van deze omvang maken vergt enige uren tijd om. Microsoft Word zal hierbij de “Werktijd” rekenen en registreren.
Ik kom tot de conclusie dat het onaannemelijk is dat de lijst door cliënt is gemaakt en dat hij de eigenaar is geweest van het vuurwerk dat als voorraad op die lijst genoteerd is en dat er sowieso
€ 48.377,60moet worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag.
Als bijlage treft u een discussie aan op een internetforum over deze materie.”
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank met aanvulling en verbetering van gronden bevestigd. Het arrest van het hof bevat, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, de volgende aanvullende overwegingen:

Bespreking van in hoger beroep gevoerd[e] verweren
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het bedrag van € 48.377,60, zijnde de waarde van het vuurwerk op de voorraadlijst, in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkene weliswaar in de onderliggende bestandseigenschappen van die voorraadlijst als auteur vermeld staat, maar dat dit niet betekent dat de betrokkene ook de opsteller van de voorraadlijst is. De betrokkene heeft het Word-bestand uit interesse geopend en mogelijk een kleine wijziging aangebracht. Het aanbrengen van wijzigingen in een Word-bestand kan als gevolg hebben dat de persoon die de wijzigingen heeft aangebracht in de bestandseigenschappen als auteur wordt vermeld. Het is daarom niet aannemelijk dat de betrokkene de inbeslaggenomen voorraadlijst zelf heeft opgesteld.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof kent, in tegenstelling tot de raadsman, geen doorslaggevende betekenis toe aan de identificatie van de auteur van de voorraadlijst. De voorraadlijst is aangetroffen onder de betrokkene. De betrokkene heeft bekend dat hij in de vuurwerkhandel zat en het hof acht op basis van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de voorraadlijst onderdeel was van de bedrijfsvoering van de betrokkene, zijnde de handel in vuurwerk.”
2.5
Het middel behelst, als gezegd, de klacht dat het hof het namens de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “€ 48.377,60 moet worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag” op onbegrijpelijke wijze dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
2.6
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer het hof afwijkt van een door of namens de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet de rechter op grond van art. 511e lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv jo. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid Pro 2, tweede volzin Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de redenen opgeven die daartoe hebben geleid. [3] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is pas sprake wanneer het standpunt duidelijk, door argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De motivering kan ook besloten liggen in de gebezigde bewijsmiddelen. [4]
2.7
Voor de bespreking van het middel is het verder nuttig om kort stil te staan bij de wijze waarop de rechtbank tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen. Zoals uit randnr. 2.3 blijkt, heeft de rechtbank de schatting van het voordeel gebaseerd op drie bronnen, waarvan de eerste bron de – voor het middel relevante – digitale voorraadlijst is met de titel “Voorraadlijst-Actueel 4 augustus 2015.docx”. De winst van de verkoop van het op deze lijst vermelde vuurwerk bedraagt volgens het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 juli 2017, welk rapport de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, in totaal € 48.377,60. Dat bedrag is door de rechtbank betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat aannemelijk werd geacht dat de betrokkene de auteur van de lijst was.
2.8
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt betrokken dat voornoemd bedrag “moet worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag”, omdat onaannemelijk is dat de voorraadlijst (waarop dat bedrag is gebaseerd) door de betrokkene is gemaakt en hij eigenaar is geweest van het op die lijst vermelde vuurwerk. Ter onderbouwing van dat standpunt is door de verdediging aangevoerd dat i) het, gelet op het opschrift “”Ophalen regio Luik” Verzending naar en bezorging in NL, is niet mogelijk”, zeer aannemelijk is dat de voorraadlijst van een handelaar uit België is, ii) er een plausibele verklaring is voor het feit dat de betrokkene in de bestandseigenschappen als auteur staat vermeld, en iii) de totale bewerkingstijd van het document op 00:00:00 is vastgesteld.
2.9
Dat de verdediging op de terechtzitting van het hof een duidelijk, met argumenten geschraagd standpunt over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ingenomen, staat niet ter discussie. Het hof heeft het verweer onderkend en heeft, in aanvulling op het bevestigende vonnis, in een kernachtige overweging (hiervoor aangehaald in randnr. 2.4) uiteengezet waarom het van oordeel is dat de genoemde voorraadlijst aan de betrokkene kan worden toegeschreven. De steller van het middel vindt dat hof in die overweging tekort is geschoten, door daarin geen specifieke aandacht te besteden aan het onder i) genoemde argument dat het zeer aannemelijk is dat de voorraadlijst van een handelaar uit België is.
2.1
Deze klacht faalt. Het hof moet weliswaar uitleggen waarom het hof het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt – in dit geval: dat het onaannemelijk is dat de betrokkene de voorraadlijst heeft gemaakt en gelet daarop een bedrag van € 48.377,60 in mindering dient te worden gebracht op het te ontnemen bedrag – niet heeft gevolgd, maar het hof hoeft daarbij niet op ieder voor die onaannemelijkheid aangevoerde argument in te gaan. In het onderhavige geval heeft het hof ter motivering van het niet aanvaarden van het door de verdediging ingenomen standpunt overwogen dat i) het geen doorslaggevende betekenis toekent aan de identificatie van de auteur van de voorraadlijst, ii) die lijst is aangetroffen onder de betrokkene, iii) de betrokkene heeft bekend dat hij in de vuurwerkhandel zat en iv) het door het hof, op basis van de inhoud van het dossier, aannemelijk wordt geacht dat de voorraadlijst onderdeel was van de bedrijfsvoering van de betrokkene. Ik acht deze motivering begrijpelijk en toereikend en merk daarbij op dat ik de door het hof onder iv) genoemde omstandigheid zo heb begrepen, dat het hof daarbij kennelijk het oog heeft gehad op hetgeen in de ontnemingsrapportage naar voren is gekomen over het verband tussen de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende strafzaak. Eén van de feiten waar
voorde betrokkene
[A-G: naar ik begrijp, inmiddels ook onherroepelijk]is veroordeeld betrof het voorhanden hebben van (ruim 800 kilo) verschillende soorten professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik. Diverse soorten vuurwerk van deze partij stonden ook vermeld op de onder de betrokkene aangetroffen voorraadlijst.
2.11
Voor zover in het middel ook nog de stelling wordt betrokken dat de voornoemde overweging van het hof onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat “het hof enerzijds geen doorslaggevende betekenis toekent aan de identificatie van de auteur van de vuurwerklijst, maar anderzijds wél aannemelijk acht dat de voorraadlijst onderdeel was van de bedrijfsvoering van de rekwirant”, faalt het middel eveneens. Zoals reeds uit het voorgaande blijkt heeft het hof dat laatste oordeel kennelijk, en niet onbegrijpelijk, niet gebaseerd op hetgeen uit de bestandseigenschappen blijkt, maar op een andere uit het dossier blijkende omstandigheid.
2.12
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft in het bestreden arrest i) de grondslag van de ontnemingsvordering aangevuld ii) de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren besproken en iii) de in het vonnis onder paragraaf 3.2 opgenomen tabel op twee onderdelen gecorrigeerd.
2.De rechtbank heeft bij de oplegging van de ontnemingsmaatregel geen beslissing genomen met betrekking tot de
3.HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:A3593,
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,