Conclusie
1.Het cassatieberoep
€ 132.765,00 en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat een bedrag van € 113.265,00. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 1080 dagen.
2.Het middel
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 114.450,00
€ 132.765,00 (honderdtweeëndertigduizend zevenhonderdvijfenzestig euro).”
8.Ontnemingsvordering
[A-G; ik begrijp, als legale contante ontvangst]. Door de steller van het middel wordt in dit verband onder meer aangevoerd dat het bestaan van de lening, gelet op de verklaring van [betrokkene 1] en de overgelegde leningsovereenkomst, aannemelijk is geworden en dat het “niet aan rekwirant [is] om een aannemelijke verklaring te geven voor
de redenvan de geldlening in kwestie”. Verder wordt in het middel betoogd dat het zonder nadere motivering onduidelijk is op welke manier de overweging van het hof dat nergens in de woning een contant geldbedrag van (precies) € 65.000,- is aangetroffen “gewicht in de schaal kan leggen als [het] aankomt op de aannemelijkheid van de geldlening”.