ECLI:NL:PHR:2026:589

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
24/03708
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46a SrArt. 47 SrArt. 45 SrArt. 134bis (oud) SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over poging tot uitlokking van moord via brieven vanuit detentie

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens poging tot uitlokking van moord, gepleegd door het schrijven en ter verzending aanbieden van brieven vanuit de penitentiaire inrichting. In deze brieven gaf hij opdracht tot het vermoorden van een persoon, stelde hij een geldbedrag in het vooruitzicht en verstrekte hij gedetailleerde informatie over het doelwit.

De verdediging voerde in cassatie aan dat de inhoud van de eerste brief niet onmiskenbaar tot moord aanzette en dat de tweede brief niet ter verzending was aangeboden, waardoor geen sprake zou zijn van een strafbare poging. De Hoge Raad overweegt uitgebreid over de reikwijdte van artikel 46a Sr, dat strafbaar stelt de poging om een ander te bewegen tot een misdrijf, en bevestigt dat het ter verzending aanbieden van de eerste brief voldoende is voor een poging tot uitlokking van moord.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af, maar merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn is overschreden en beveelt daarom een vermindering van de opgelegde straf. De strafoplegging wordt vernietigd en verminderd, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, strafoplegging vernietigd en verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03708

Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 1 oktober 2024 (parketnr. 21-005906-23) de verdachte in de zaak onder parketnummer 16-157384-23 en in de zaak onder parketnummer 16-332214-22 wegens 1. en 2. “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", en verder onder parketnummer 16-332214-22 wegens 3. “
poging tot uitlokking van moord”, 4. “
mishandeling” en 5. “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Verder heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven telefoon verbeurdverklaard. Ten slotte heeft het hof de vordering van één benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel, en de tweede benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.I. Takens, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van poging tot uitlokking van moord.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering van de poging tot uitlokking van moord

3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

3. primair
hij in de periode van 5 januari 2023 tot en met 24 februari 2023 te [plaats] , heeft gepoogd om [betrokkene 1] en/of anderen, door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten beloften, en het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om (al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen) [benadeelde 1] te vermoorden, immers heeft de verdachte brieven geschreven en/of ter verzending aangeboden waarin hij
-
opdracht geeft tot het vermoorden en/of afmaken van die [benadeelde 1] ,
-
een geldbedrag hiervoor in het vooruitzicht stelt,
-
gedetailleerde informatie verschaft over die [benadeelde 1] , onder andere diens woonplaats, werkadres, werktijden en in welke auto die [benadeelde 1] rijdt”.
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen (de nummering is door mij toegevoegd):

1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De brieven die op 24 februari 2023 zijn gevonden in de P.I. [plaats] heb ik geschreven. Beide brieven waren gericht aan en bedoeld voor [betrokkene 1] . Hij is zoiets als mijn neef. De brief die is onderschept in de postkamer van de P.I. [plaats] heb ik ter versturing aangeboden.
2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van dit hof van 17 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, houdt mij voor dat de brief die met mijn registratienummer ter verzending was aangeboden, was geadresseerd aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] , het adres van de buren van mijn ouders. Ik had de brief naar mijn ouders gestuurd, maar het verkeerde adres opgegeven.
3. Een bevel gevangenhouding van de raadkamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 5 januari 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

bevel gevangenhouding van de raadkamer d.d. 05 januari 2023

(artikel 65 en Pro 80 Wetboek van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[b-straat 1] , [postcode 1] [geboorteplaats] , nu gedetineerd in P.I. [plaats] .

Beslissing

De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig) dagen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-202306172-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 24 februari 2023 werd mij verteld dat men vanuit de Penitentiaire Inrichting [plaats] , waar de [verdachte] in bewaring was gesteld, een brief had onderschept bij de uitgaande post:
“Hoi met [verdachte] . Luister heel goed. [benadeelde 1]
(het hof begrijpt: [benadeelde 1] )heeft aangifte tegen mij gedan. Ga naar die jongs. Je weet wie. Zeg tegen die jongs. Die man moet gepakt worden. Hij woont in [plaats] en werkt jeugdgevangenis [plaats] . Hij rijdt in zwarte Ford. Hij werkt altijd op donderdag ochtend van 7 tot 3. In de ochtend is het beste. Weinig mensen. Het moet goed gedaan worden. Geen bewijs. Mijn neef betaalt jullie. Ik heb jullie hem 1 keer laten zien dus jullie weten wie. Het moet afgelopen zijn met hem. Alle spullen zijn bij mijn neef (...)
”.

Voorzijde envelop:

Retour
[c-straat 1]
[plaats] [postcode 2]
Verzendadres
[a-straat 1]
[postcode 3] [geboorteplaats]

Achterzijde envelop:

[…]
Ik heb ook op de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) gekeken, wie woonachtig is op de [a-straat 1] en [b-straat 1] te [geboorteplaats] . Op nummer [b-straat 1] , daar zijn de ouders van [verdachte] woonachtig.
Later had ik ook nog telefonisch contact met een medewerker genaamd [benadeelde 4] van Ministerie van Justitie Dienst Justitiële Inrichtingen en hoorde hem zeggen dat een tweede brief was aangetroffen.

Brief gevonden in zijn cel:

Hoi met [verdachte] . Zeg tegen [betrokkene 1] dat [benadeelde 1] afgemaakt moet worden. Hij heeft aangifte tegen mij gedaan. Door hem zit ik vast. En [benadeelde 2] moet ook verdwijnen. Ze werken in Jeugdgevangenis [plaats] . En [benadeelde 3] moet ook gepakt worden. Hij werkt bij buurtcentrum Overvecht. Door hun zit ik vast. Het moet snel gebeuren. Geef deze informatie aan [betrokkene 1] . Het moet snel gebeuren. Alle spullen zijn bij die jong. Die kun je pakken. Die jong vertelt jou hoe je hun kan pakken. Moet snel. Ze moeten hun straf krijgen. Die vieze honden. Niet over de telefoon. Daarom stuur ik een brief. Ze kijken niet zeggen ze. (...)"

Voorzijde envelop:

[betrokkene 1]
[b-straat 1]
[postcode 3] [geboorteplaats]

Achterzijde envelop:

PI [plaats] , [c-straat 1] , [verdachte] , Reg: 9514380.

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] , als bijlage I achter dit arrest gevoegd.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan de [b-straat 1] te [geboorteplaats] , als bijlage II achter dit arrest gevoegd.
7. Een kennisgeving van inbeslagneming, genummerd PL0900-2022376480-13 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Goednummer: […]
Merk/type: Samsung S20
Eigenaar: [verdachte] , [b-straat 1] , [postcode 1] [geboorteplaats] .
8. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2022376480-21, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er in de chats een WhatsApp bericht was verzonden vanaf de telefoon met goednummer […] op 9 december 2022 om 07.47 uur naar tel: [telefoonnummer] . Ik zag dat dit bericht de volgende inhoud had: “Hoi ik weel graag het vuurwapen kopen wat heb ik daar voor nodige en vergunning alvast bedankt
Ik voerde dit telefoonnummer, [telefoonnummer] , vervolgens in in de zoekmachine Google.com. Ik zag dat het eerste resultaat het contactnummer van een website [website] betrof.
9. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2023004642-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag in de inhoud van de telefoon dat er een gesprek had plaatsgevonden op Snapchat. Ik zag dat [verdachte] , op 17 november 2022, om 09:32 uur, het volgende zei tegen [naam 1] :
- “Hee [naam 1] geef even die snap [benadeelde 1] ik weel die man pakken daarom”
- “Hij heeft mij verraden”
- “Ik moet snel pakke die hond”
Ik heb de naam [benadeelde 1] , [naam 2] , [benadeelde 1] en [benadeelde 1] ingevoerd als zoekterm op de telefoon van [verdachte] . Ik zag dat hij deze namen meerdere malen heeft gebruikt of gezocht. Ik zag dat de naam ' [benadeelde 1] ' 39 keer voorkomt in de User Dictionary van de telefoon.
5. Ter terechtzitting van 17 september 2024 heeft de raadsman blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal (p. 6) overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota verweer gevoerd. De pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:

19. Ten aanzien van feit 3 geeft cliënt toe dat hij twee brieven heeft geschreven.
Het ging hem er om dat hij in een situatie was beland, waarin hij gedetineerd zat, waarin hij met niemand kon praten, hij ook geen hulpverlening kreeg en hij als het ware met zijn ziel onder zijn arm liep.
Het was voor hem een zware en moeilijke periode in detentie. Hij heeft toen zijn gevoelens, frustraties, fantasieën van zich af geschreven en dat heeft geresulteerd in de 2 brieven.
20. Ik stel mij op het standpunt dat het enkel op papier zetten van dergelijke gedachten nog geen begin van uitvoering is van het onder feit 3 ten laste gelegde feit, omdat dit naar de uiterlijke verschijningsvorm nog niet dusdanig is gericht op de voltooiing van het delict.
21. De eerste brief is blijkens het dossier verzonden, want aangetroffen in de postkamer waarin ter post aangeboden brieven worden verwerkt en gecontroleerd, maar ik stel mij op het standpunt dat de inhoud daarvan nog niet gericht was op de voltooiing van het ten laste gelegde delict.
De inhoud van die 1e brief is namelijk is niet concreet genoeg om vast te stellen dat dit was gericht op, waarop de tenlastelegging ziet, het overhalen van een ander, [betrokkene 1] , tot het begaan van het ten laste gelegde delict van moord.
In de eerste brief staat geschreven dat " [benadeelde 1] gepakt” moet worden en dat het afgelopen moet zijn met hem (zie o.a. pv 1-94, 80).
Die woorden zijn niet onmiskenbaar gericht op het vermoorden van [benadeelde 1] .
Het duidt kennelijk op de problemen die verdachte met [benadeelde 1] had en dat het met de problemen afgelopen moest zijn.
Pakken van een ander is volgens het normale spraakgebruik ook niet meteen vermoorden.
Pakken duidt op vastpakken of aanpakken. Dat een ander ‘gepakt’ moet worden kan daarop duiden, maar duidt niet meteen ook vermoorden.
Daarbij ontbreekt het aan verdere tekst / context waaraan ontleend moet worden dat het bij het schrijven van die 1e brief ging om het vermoorden van [benadeelde 1] ..
22. Over de tweede brief wordt gerelateerd (pv 1-94, p. 80 e.v.) dat deze brief is aangetroffen in de cel van de verdachte.
Daarover relateerde [verbalisant] dat hij telefonisch contact had met een medewerker genaamd [benadeelde 4] van het Ministerie van Justitie Dienst Justitiële Inrichtingen. Dit zal dan ook een PIW’er bij de PI [plaats] zijn geweest die de 2e brief heeft aangetroffen, aangezien de politie hiernaar onderzoek aan het doen was.
Immers kreeg [verbalisant] (pv 1-94, p. 80) eerst van collega [betrokkene 2] het bericht dat een brief was onderschept, had hij vervolgens contact met [betrokkene 3] (hoofd beveiliging PI [plaats] ), had verbalisant contact met [betrokkene 4] en ontving verbalisant de 2e brief en had hij vervolgens contact met [benadeelde 4] over de plaats van aantreffen van die 2e brief.
Uit het verloop van die contacten valt logischerwijze af te leiden dat [benadeelde 4] de 2e brief heeft aangetroffen.
[benadeelde 4] hoorde verbalisant zeggen (pv 1-94. p. 81) dat: “de tweede (2e) brief in de cel van [verdachte] was aangetroffen.”
Vervolgen staat de inhoud van die brief vermeld onder de kop: “Brief gevonden in zijn cel,’, zodat daarmee voor een 2e maal kenbaar wordt gemaakt dat die 2e brief in de cel is aangetroffen.
23. De inhoud van die 2e brief is veel ernstiger van aard, dan de inhoud van de 1e brief, doordat in deze 2e brief nu wel staat dat [benadeelde 1] afgemaakt moet worden en [benadeelde 2] moet verdwijnen. Afmaken en verdwijnen zien wel op een (mogelijke) moord.
[benadeelde 3] zou “gepakt” worden.
Een en ander moest: “Niet over de telefoon. Daarom stuur ik een brief. Ze kijken niet zeggen ze.”, zo staat er geschreven.
[D.A.: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de raadsman aldaar de volgende twee zinnen mondeling aan zijn pleitnota toegevoegd: ]
De tweede brief kan niet dienen als uitleg voor de eerste brief. Daarin wordt immers niet gezegd dat er iets wordt bedoeld in die eerste brief.
24. Het voorstaande lijkt zich niet goed te verhouden met de inhoud van de aangifte (pv 1 94, p. 91, waarin door [betrokkene 4] , als plaatsvervangend hoofd beveiliging namens de zijn werkgever, de PI [plaats] , aangifte doet.
[betrokkene 4] stelt dat de tweede brief is aangetroffen in de brievenbus op afdeling […] .
Echter, blijkt niet dat [betrokkene 4] dat zelf heeft waargenomen.
Sterker nog, uit zijn bewoordingen valt af te leiden dat hij die brief niet heeft aangetroffen, waardoor het gelet op zijn functie en omschrijving van de gang van zaken aannemelijk is dat hij geen eigen waarnemingen van de plaats van aantreffen van de 2e brief heeft gedaan.
Immers omschrijft aangever [betrokkene 4] dat “men” op de afdeling een 2e brief heeft aangetroffen (pv 1-94, p. 91). Hij verwijst dus voor het aantreffen naar anderen, zodat hij daar zelf geen eigen waarnemingen van heeft gedaan.
25. Gelet op het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van [verbalisant] , die van [benadeelde 4] vernam dat de 2e brief nog op cel lag en gelet op de inhoud van de aangifte, waaruit blijkt dat [betrokkene 4] van horen zeggen heeft dat de 2e brief aangetroffen is in de brievenbus, kan niet - zonder meer - eenduidig vastgesteld worden waar die 2e brief is aangetroffen.
26. De rechtbank hechtte in dit verband waarde aan het feit dat er op de voorzijde van de envelop (overigens met de hand, in een duidelijk te onderscheiden ander handschrift) is geschreven: Brievenbus Afdeling […] .
Echter, op basis van dit dossier is niet vast te stellen wie dat geschreven heeft en wat de bron van wetenschap is van deze schrijver en dus of deze persoon zelf heeft waargenomen dat de 2e brief in de brievenbus van afdeling […] lag en aldaar is aangetroffen. De 2e brief werd volgens het pv van [verbalisant] doorgestuurd door [betrokkene 4] , die aangaf dat “men” die 2e brief had aangetroffen. Het kan dus goed zijn dat deze tekst “Brievenbus afdeling […] ” is geschreven door een persoon, zoals [betrokkene 4] , die geen eigen waarneming heeft van de plaats van het aantreffen van die 2e brief.
Het lijkt bovendien niet meer te achterhalen wie deze tekst geschreven heeft, zodat diens bron van wetenschap nu ook niet meer te controleren valt.
27. Ik stel mij dan ook op het standpunt, met een beroep op het op ambtseed opgesteld proces-verbaal, waaraan in de regel een sterke bewijswaarde dient te worden gehecht, dat uit het dossier blijkt dat de 2e brief op cel van cliënt is aangetroffen, zodat deze nog niet door cliënt in de brievenbus was geplaatst.
Zodoende blijkt niet van begin van uitvoering van het ten laste gelegde delict en blijkt niet van daarop gericht opzet aan de zijde van cliënt op de voltooiing van dat delict.
28. Bovendien, zelfs als wel aangenomen zou worden dat die brief in de brievenbus is aangetroffen, dan nog ontkent cliënt ten stelligste deze ter postbezorging te hebben aangeboden.
Immers valt in dit geval ook niet vast te stellen wie die 2e brief feitelijk in de brievenbus heeft geplaatst en of dat cliënt is geweest. Het gevaar van openstaande cellen, waardoor anderen, zoals personeel en medegedetineerden, toegang hadden tot de cel waarin cliënt verbleef, het hebben van 2 man op 1 cel, maakt dat ook een ander die 2e brief in de brievenbus kan hebben geplaatst.
29. Gelet op het voorstaande verzoek ik u om cliënt vrij te spreken van al hetgeen ten laste is gelegd onder feit 3, primair.”
6. De bewijsoverwegingen luiden als volgt:

Bewijsoverweging
Artikel 46a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat de poging om een ander door een van de in artikel 47, eerste lid onder 2, Sr vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, strafbaar is.
Artikel 47, eerste lid onder 2, Sr bepaalt dat als daders van een strafbaar feit worden gestraft zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Kort samengevat is het enkele proberen (pogen) een ander te bewegen tot een strafbaar feit al strafbaar.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak geen sprake is van een poging tot uitlokking van moord. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier tegenstrijdige informatie bevat over de vindplaats van de tweede brief en dat daarmee niet wettig en overtuigend bewezen is dat ook deze tweede brief ter verzending was afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de brief nog niet had verstuurd en dat hij dit ook niet van plan was. Het enkel schrijven van een brief is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet dusdanig gericht op het voltooien van het delict dat hier sprake is van een strafbare poging. De inhoud van de eerste brief die is gevonden en die verdachte wel al ter verzending had aangeboden, heeft gelet op de inhoud daarvan niet onmiskenbaar betrekking op het verzoek om [benadeelde 1] te vermoorden en lokt derhalve niet uit tot moord, aldus nog steeds de raadsman.
Het hof volgt dit standpunt niet en overweegt hierover het volgende.
Omstandigheden rondom het aantreffen van de brieven
Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen constateert het hof dat op 24 februari 2024 een door verdachte geschreven brief in de postkamer van de Penitentiaire Inrichting (hierna P.I.) ter verzending is aangeboden, voorzien van een postzegel en een retouradres. Als geadresseerde stond het adres van de buren van de ouders van verdachte op de brief vermeld. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij had bedoeld deze brief aan zijn ouders te adresseren maar zich heeft vergist. Naar aanleiding van het onderscheppen[van]
deze brief heeft dezelfde dag nadere controle in de P.I. plaatsgevonden. Daarbij is een tweede brief van verdachte aangetroffen.
Ook die brief was eveneens klaar voor verzending en was voorzien van een postzegel, een retouradres en op de voorzijde was het adres van verdachtes ouders vermeld.
Inhoud van de brieven
In de brieven schrijft verdachte (indirect) aan [betrokkene 1] dat [benadeelde 1] afgemaakt moet worden en dat hij ‘gepakt’ moet worden. Verdachte schrijft dat dit snel moest gebeuren en dat er geen bewijs van mag zijn. In zijn brieven geeft verdachte specifieke instructies aan de beoogde uiteindelijke geadresseerde van deze brief, [betrokkene 1] of “die jongs”. Volgens verdachte moet het in de ochtend gebeuren omdat er rond die tijd weinig mensen zijn. Verdachte stelt een betaling in het vooruitzicht om een concrete handeling te verrichten, namelijk het afmaken van [benadeelde 1] . Verder verschaft verdachte in zijn brief concrete informatie over zijn doelwit. Hij geeft aan waar [benadeelde 1] woont, waar hij werkt, op welke tijden hij werkt en in welke auto hij rijdt. Het doen van de belofte dat [betrokkene 1] geld zal krijgen, net als het verschaffen van concrete informatie over het doelwit aan [betrokkene 1] , kunnen naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als uitlokkingsmiddel als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder 2 Sr.
Opzet
Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte geschreven[brieven]
er onmiskenbaar op gericht om een ander (namelijk [betrokkene 1] of “die jongs”) uit te lokken om [benadeelde 1] te vermoorden. Uit de omstandigheid dat verdachte twee elkaar opvolgende brieven heeft geschreven, blijkt dat hij volhardend was in zijn wens om [benadeelde 1] te laten vermoorden en dat hij er kennelijk zeker van wilde zijn dat zijn boodschap werd ontvangen. Het hof leidt hieruit af dat verdachte opzet had op (de voltooiing van) het (grond)delict, namelijk het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [benadeelde 1] .
Bij de overtuiging van het hof dat verdachte daadwerkelijk voltooiing van het (grond)delict moord voor ogen had, speelt nog het volgende mee. Uit onderzoek naar de telefoon blijkt dat verdachte kort voor zijn aanhouding op het internet heeft geïnformeerd naar het kopen van een vuurwapen. Verdachte heeft daarover ter zitting van het hof verklaard dat hij een balletjespistool wilde kopen.
Deze verklaring acht het hof niet geloofwaardig omdat verdachte in een bericht aan de website [website] heeft gevraagd of hij voor het kopen van een vuurwapen een vergunning nodig heeft. Daar komt bij dat op de telefoon van verdachte meerdere zoekopdrachten naar [benadeelde 1] zijn aangetroffen. De naam [benadeelde 1] komt 39 keer voor in de User Dictionary van die telefoon.
Verder heeft verdachte vlak voor zijn aanhouding een gesprek gehad met ‘ [naam 1] ’ op Snapchat, waarin hij zegt dat [benadeelde 1] moet worden gepakt omdat hij verdachte heeft verraden. Hieruit maakt het hof op dat het idee dat [benadeelde 1] het moest ontgelden al langere tijd bij verdachte leefde en dat verdachte ook al langer bezig was met de voorbereidingen hiervoor.
Gelet op het voorgaande acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot uitlokking van moord wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om [betrokkene 4] en [benadeelde 4] als getuigen te horen omtrent de plaats van aantreffen van de tweede brief in de P.I.
Omdat het hof de verklaring van [betrokkene 4] en de mededeling van [benadeelde 4] aan [verbalisant] daarover niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van die [betrokkene 4] en [benadeelde 4] geen bespreking.

De klachten van het middel

7. Het middel bevat bewijsklachten over het oordeel dat de verdachte in (twee) door hem geschreven en/of ter verzending aangeboden brieven [betrokkene 1] opdracht heeft gegeven tot het vermoorden van [benadeelde 1] , omdat noch de inhoud van de eerste brief noch de vindplaats van de tweede brief een poging tot uitlokking van moord oplevert.
8. Ten aanzien van de eerste brief wordt aangevoerd dat de daarin gebruikte bewoordingen (“
die man moet gepakt worden”) niet onmiskenbaar duiden op het vermoorden van [benadeelde 1] . Bovendien is het hof afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hierover, zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Ten aanzien van de tweede brief wordt aangevoerd dat het enkele schrijven en (hooguit) gereedmaken voor verzending daarvan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet is gericht op de voltooiing van het ten laste gelegde feit.

Het juridisch kader: artikel 46a Sr

Een categorisering van de gevallen die al dan niet onder de reikwijdte van artikel 46a Sr vallen
9. In artikel 46a Sr is strafbaar gesteld de poging om een ander door een van de in artikel 47 lid 1 onder Pro 2 vermelde middelen te bewegen een misdrijf te begaan. Tot 1994 was dit als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld in artikel 134bis (oud) Sr. [1] De grond voor strafbaarstelling was gelegen in het strafwaardige karakter van de verleidingshandeling. [2] Strafrechtelijk ingrijpen was gewenst, omdat het enkele feit dat iemand een ander tot het plegen van een strafbaar feit tracht te bewegen, terwijl die ander uit zichzelf wellicht nooit daartoe was overgegaan, niet straffeloos mocht blijven. Het bestanddeel ‘trachten te bewegen’ is veranderd in – en moet gelijkgesteld worden met – ‘de poging om een ander te bewegen’. [3] Naast deze taalkundige wijziging heeft de minister met de invoering van artikel 46a Sr weliswaar geen inhoudelijke wijzigingen beoogd, maar het is nog maar de vraag of de huidige strafbaarstelling dezelfde reikwijdte als artikel 134bis (oud) Sr heeft. [4] Over de reikwijdte van artikel 46a Sr (al dan niet in verhouding tot zijn voorganger) is rechtspraak van de Hoge Raad betrekkelijk schaars. Dat geeft aanleiding in deze conclusie enige opmerkingen te maken over de voor de onderhavige zaak meest relevante kwestie, te weten de vraag
vanafwelk moment artikel 46a Sr strafbaarheid vestigt, alsmede over de vraag
totwelk moment strafbaarheid kan bestaan.
10. Voor de beantwoording van die vragen is het relevant eerst te onderscheiden welke situaties zich kunnen voordoen in de sfeer van ‘het bewegen van een ander tot het plegen van een misdrijf’. In de wetsgeschiedenis van artikel 46a Sr heeft de minister een aantal situaties onderscheiden die terug te voeren zijn op het volgende onderscheid: (a) de beoogd bewogene is
nietbewogen en (b) de beoogd bewogene is
welbewogen. [5]
11. De onder (a) bedoelde situatie kan aan de orde zijn als (i) de beoogd bewogene ongevoelig is voor het voorstel, (ii) hij reeds zelf het voornemen had om het beoogde misdrijf te plegen en (iii) het uitlokkingsmiddel is aangewend, maar de beoogd bewogene niet heeft bereikt. De eerste twee gevallen worden zonder twijfel bestreken door artikel 46a Sr. Verderop in mijn conclusie zal ik toelichten waarom ik ook het derde geval tot het bereik van artikel 46a Sr reken.
12. Dan de vraag of artikel 46a Sr nog van toepassing is als de beoogd bewogene
welis bewogen (de situatie onder (b)). Naar de letter genomen impliceert het begrip ‘
pogingom een ander te bewegen’ (en voorheen: het
trachtente bewegen van een ander) dat strafbaarheid niet langer kan bestaan als het ‘bewegen’ is verwezenlijkt (oftewel: voltooid). Ik zal hierna uiteenzetten waarom dit genuanceerder ligt dan de wetstekst doet vermoeden. In dit verband kunnen de volgende gevallen worden onderscheiden: (i) de beoogd bewogene komt in actie, maar bereikt niet het stadium van een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering van het beoogde misdrijf, (ii) hij komt
weltot een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering van het beoogde misdrijf, (iii) hij voltooit het beoogde misdrijf, en (iv) hij pleegt een ander misdrijf dan waartoe hij werd bewogen.
13. In het navolgende sta ik eerst stil bij de strafrechtelijke kwalificatie van de gevallen waarin de beoogd bewogene
welis bewogen (de situatie onder (b), ook wel: de ‘achterkant’ van de reikwijdte). Vanwege de relevantie voor de beoordeling van het middel in de onderhavige zaak, eindig ik met de bespreking van de gevallen waarin de beoogd bewogene
nietis bewogen (de situatie onder (a): de ‘voorkant’ van de reikwijdte).
(b) De ‘achterkant’ van de reikwijdte van artikel 46a Sr
14. Twee van de hiervoor onder (b) onderscheiden gevallen, te weten (ii) en (iii), vallen evident
buitenhet bereik van artikel 46a Sr. Als de te bewegen persoon hetzij in de fase van strafbare voorbereiding, hetzij tot en met een begin van uitvoering of tot voltooiing van het beoogde misdrijf komt, dan kan degene die hem heeft bewogen als dader in de zin van artikel 47 lid 1 sub Pro 2 Sr worden aangemerkt. Dat levert, al naar gelang de fase waarin de bewogene c.q. uitgelokte is gekomen, uitlokking van (voorbereiding van dan wel poging tot) het misdrijf op. [6] Het onder (iv) genoemde geval waarin de bewogene een ander misdrijf pleegt, moet evident wél tot de reikwijdte van artikel 46a Sr worden gerekend. Het betreft namelijk één van de door de minister onderscheiden gevallen die zowel onder het oude artikel 134bis Sr als onder artikel 46a Sr vallen: de bewogene geeft geen uitvoering aan het voornemen van de dader. [7]
15. Het onder (i) genoemde geval, te weten ‘de uitlokking zonder gevolgen’, moet m.i. eveneens tot de reikwijdte van artikel 46a Sr worden gerekend, al is dat niet in de wetsgeschiedenis terug te vinden en bovendien zo evident nog niet. Dit geval viel weliswaar onder de reikwijdte van artikel 134bis (oud) Sr, [8] maar de opvatting dat het voor artikel 46a Sr nog wel eens anders kan zijn, is vanuit wetssystematisch oogpunt goed verdedigbaar. De onvolkomen delictsvorm en de aansluiting bij de uitleg van het begrip ‘poging’ in artikel 45 Sr Pro brengen in beginsel mee dat een ‘poging tot bewegen’ zich niet voordoet als de betrokkene
is bewogenen het ‘bewegen’ dus is verwezenlijkt (voltooid). [9] Wat daar ook van zij, de argumenten voor de opvatting dat artikel 46a Sr zich evenwel, net als zijn voorganger, uitstrekt tot het geval van ‘de uitlokking zonder gevolgen’, acht ik overtuigender.
16. Een eerste argument daarvoor is dat de minister bij de invoering van artikel 46a Sr, als gezegd, geen inhoudelijke wijzigingen heeft beoogd ten opzichte van artikel 134bis (oud) Sr. In zoverre mag verondersteld worden dat óók de huidige strafbaarstelling ‘uitlokking zonder gevolgen’ omvat. Als de uitlokking zonder gevolgen onder het oude ‘trachten te bewegen’ kon worden geschaard, dan is dat – vanwege de overeenkomst in de betekenis die aan de delictsbestanddelen moet worden toegekend – allicht niet anders voor de ‘poging (…) te bewegen’. Een tweede argument is dat de Hoge Raad steeds vooropstelt dat de bewogene niet reeds tot een begin van uitvoering van het beoogde feit mag zijn gekomen. [10] Daarom mag a contrario worden aangenomen dat artikel 46a Sr
tothet begin van uitvoering – en thans, voor zover dat strafbaar is,
totde fase van voorbereiding – ‘uitlokking zonder gevolgen’ strafbaar stelt. Zou dat anders zijn, dan ontstaat een onwenselijke, straffeloze fase tussen het moment van bewegen en een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering. Dat strookt ook niet met de ratio van de strafbaarstelling. Immers, de verleidingshandeling verliest niet aan strafwaardigheid als de bewogene daaraan gevolg heeft gegeven, maar – bijvoorbeeld door een vroegtijdige aanhouding – niet in de strafbare voorfase van het beoogde delict is geraakt.
(a) De ‘voorkant’ van de reikwijdte van artikel 46a Sr
17. Hier zij herhaald dat de minister de volgende situaties uitdrukkelijk onder ‘mislukte uitlokking’ heeft geschaard: (a)(i) de te bewegen persoon bleek ongevoelig voor het voorstel, (a)(ii) hij had reeds zelf het voornemen tot het plegen van het misdrijf, en (b)(iv) hij pleegt een geheel ander misdrijf dan waartoe hij werd bewogen. Wat deze gevallen gemeen hebben, is dat steeds lijkt te worden verondersteld dat het aangewende uitlokkingsmiddel de te bewegen persoon heeft bereikt. [11] Met andere woorden: de te bewegen persoon is als geadresseerde van de aanwending van de uitlokkingsmiddelen op de hoogte geraakt. Immers, doorgaans zal pas dan kunnen blijken dat die persoon aan het voornemen van de dader, ondanks diens poging daartoe, géén vervolg heeft gegeven. Op het eerste oog ligt het daarom niet onmiddellijk voor de hand strafbaarheid ter zake van artikel 46a Sr aan te nemen in het ‘voorstadium’, waarin de toegepaste uitlokkingsmiddelen de te bewegen persoon (nog)
niethebben bereikt. Niettemin bestaan daarvoor goede redenen. Ik licht dit toe.
18. Aangenomen dat aan het begrip ‘poging’ in artikel 45 Sr Pro en in artikel 46a Sr een identieke betekenis toekomt, zal de verdachte alleen strafbaar zijn indien het tot een begin van uitvoering van de uitlokking van het beoogde misdrijf, althans van het ‘bewegen’, is gekomen. [12] Noties die in de rechtspraak invulling geven aan het begrip ‘begin van uitvoering’ in artikel 45 Sr Pro zijn bij dat uitgangspunt ook bruikbaar voor de invulling van het begrip ‘begin van uitvoering’ dat is opgenomen in artikel 46a Sr. Voor wat betreft artikel 46a Sr houdt ‘begin van uitvoering’ dan in dat de onderwerpelijke gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten zijn gericht op de voltooiing van de uitlokking van het beoogde misdrijf.
19. Beoordelingsfactoren zijn dan: de nabijheid van de vastgestelde gedragingen – (bijvoorbeeld) naar tijd en/of plaats – ten opzichte van de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, de mate waarin deze gedragingen concreet op de voltooiing zijn gericht, het samenstel van de gedragingen (ook van eventuele deelnemers) en de aard van het misdrijf. [13] Tussen het voorgenomen misdrijf en de vastgestelde gedraging(en) moet min of meer een nauw verband bestaan. Anders gezegd: het gaat om “
gedragingen die gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze worden begaan een voldoende duidelijke gerichtheid op voltooiing van het misdrijf impliceren, die dus niet in een zodanig ver verwijderd of los verband staan dat er nog wezenlijk onzekerheid over bestaat of de pleger zal doorzetten. Er moet derhalve een zekere concrete gevaarzetting zijn of wellicht iets scherper: er moet een bepaalde grens zijn gepasseerd waardoor de handelingen al zo nauw bij het misdrijf zelf komen dat dit impliceert dat direct tot het zelfstandig strafbaar gestelde gedrag zal worden overgegaan (het ‘jetzt geht es los-criterium). [14] Daarin schuilt m.i. ook de kern: niet iedere wilsuiting levert een strafbare poging op, zodat steeds vastgesteld moet worden dat de gedraging
voldoende concreetgericht is op de voltooiing van het specifieke misdrijf dat (kenbaar) door de dader is voorgenomen.
20. Wat daarvoor in het concrete geval volstaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de aard van het grondmisdrijf, zulks vanwege de afhankelijkheid (onzelfstandigheid) van de strafbaarstelling van poging ten opzichte van het delict waarop het voornemen van de dader is gericht (oftewel: de ‘accessoriteit’ van de poging). [15]
21. Ik sluit mij in dit verband aan bij de opvatting dat een begin van uitvoering in de zin van artikel 46a Sr bestaat zodra de verdachte één van de wettelijke uitlokkingsmiddelen heeft aangewend. [16] Als dat inderdaad tot startpunt wordt genomen, behoeft het uitlokkingsmiddel voor strafbaarheid ter zake van artikel 46a Sr de te bewegen persoon niet te hebben bereikt. Het komt mij voor dat de rechtspraak over het begrip ‘begin van uitvoering’ in artikel 45 Sr Pro daartoe ook niet dwingt. Als de dader toereikeinde gedragingen heeft ondernomen om de ander te bewegen, maar de uitlokking mislukt nog voordat het uitlokkingsmiddel die ander heeft bereikt,
kanstrafbaarheid reeds in dit ‘voorstadium’ worden gevestigd. Dat zal al snel het geval zijn als de verdachte er zijnerzijds alles aan heeft gedaan om het uitlokkingsmiddel aan de te bewegen persoon te presenteren. Dat strookt bovendien met de ratio van de strafbaarstelling, die als gezegd is gelegen in het strafwaardige karakter van de verleidingshandeling. Concrete op de voltooiing van de uitlokking gerichte gedragingen kunnen als verleidingshandelingen worden aangemerkt, ook zonder dat zij de te bewegen persoon hebben bereikt. [17]
Slotsom over de reikwijdte van artikel 46a Sr
22. Tegen deze achtergrond kom ik tot de volgende conclusie. Het aanwenden van het uitlokkingsmiddel kan op grond van artikel 46a Sr strafbaarheid opleveren, voor zover kan worden vastgesteld dat de dader is aangevangen met het bewegen van de ander. Dat houdt in dat de dader gedragingen moet hebben verricht die een voldoende duidelijke gerichtheid op de voltooiing van het misdrijf impliceren, en die dus niet in een zodanig ver verwijderd verband staan dat wezenlijk onzeker is of hij de voorgenomen uitlokking zal doorzetten. Daarom kunnen alle drie de gevallen die ik in randnummer 11 heb onderscheiden, niet alleen (a)(i) en (a)(ii), maar dus ook (a)(iii), tot de reikwijdte van artikel 46a Sr worden gerekend.

De bespreking van het middel

De bespreking van de klachten met betrekking tot de eerste brief
23. Ter terechtzitting heeft de verdediging het verweer gevoerd dat – kort gezegd – de inhoud van de eerste brief niet concreet genoeg is om vast te stellen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft willen bewegen tot het begaan van moord. ‘Pakken’ zou (kunnen) duiden op vastpakken of aanpakken, maar niet, althans niet zonder meer, op vermoorden.
24. Het hof heeft vastgesteld dat de eerste brief concrete informatie over het beoogde doelwit en instructies voor de geadresseerde bevat. De belofte dat [betrokkene 1] geld zal krijgen en de verstrekte informatie over het doelwit zijn volgens het hof aan te merken als uitlokkingsmiddelen als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder Pro 2 Sr. Verder heeft het hof zijn oordeel dat de inhoud van de eerste brief onmiskenbaar erop wijst dat [betrokkene 1] wordt uitgelokt om [benadeelde 1] te vermoorden mede doen steunen op de inhoud van de tweede brief, waaruit blijkt dat de verdachte in zijn voornemen volhardde. Daarnaast heeft het hof uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte afgeleid dat de verdachte het opzet had op het doden van [benadeelde 1] en met voorbedachten raad heeft gehandeld. Zo heeft de verdachte kort voor zijn aanhouding op internet geïnformeerd naar het kopen van een vuurwapen en via Snapchat berichten verstuurd die inhouden dat [benadeelde 1] moet worden gepakt omdat hij door die [benadeelde 1] is verraden. Bovendien kwam de voornaam van het slachtoffer 39 keer in de User Dictionary van de telefoon van de verdachte voor.
25. Gelet op het voorgaande heeft het hof ten aanzien van de eerste brief niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd geoordeeld dat de verdachte heeft gepoogd [betrokkene 1] uit te lokken om [benadeelde 1] te vermoorden. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de betekenis van de door de verdachte gebezigde bewoordingen vindt in voldoende mate zijn weerlegging in de door het hof opgetuigde bewijsvoering.
26. De klachten met betrekking tot de eerste brief falen.
De bespreking van de klacht met betrekking tot de tweede brief
27. Ten aanzien van de tweede brief wordt aangevoerd dat zowel uit het dossier als uit de bewijsvoering van het hof volgt dat deze in de cel van de verdachte is aangetroffen. Om die reden kan uit de bewijsvoering
nietvolgen dat er handelingen zijn verricht die naar hun uiterlijk verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van uitlokking van moord, nu de in de brief opgenomen uitlokkingsmiddelen nog niet zijn aangewend. Het kennelijk andersluidende oordeel van het hof is dan ook onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
28. Het hof heeft tot het bewijs gebezigd een proces-verbaal van bevindingen (PL0900-202306172-3), waarin over de vindplaats van de tweede brief is opgenomen: “
Brief gevonden in zijn cel”. In reactie op het bewijsverweer omtrent de vindplaats van de tweede brief, heeft het hof overwogen dat naar aanleiding van het onderscheppen van de eerste brief diezelfde dag een nadere controle in de penitentiaire inrichting heeft plaatsgevonden. Daarbij is de tweede brief van de verdachte aangetroffen die, aldus het hof, eveneens klaar was voor verzending en was voorzien van een postzegel, een adres en een retouradres.
29. Voor zover in deze vaststellingen als oordeel besloten ligt dat de verdachte (ook) met de tweede brief tot een begin van uitvoering van uitlokking van moord is gekomen, acht ik dat oordeel in het licht van wat ik onder randnummers 18 tot en met 21 heb uiteengezet niet zonder meer begrijpelijk. De omstandigheid dat de brief, weliswaar in een envelop voorzien van een postzegel en (retour)adres, in de cel van de verdachte is aangetroffen, geeft m.i. hoogstens blijk van de intentie om de brief te verzenden. Het hof heeft dat eigenlijk zelf in vergelijkbare bewoordingen ook overwogen. Het enkele schrijven, adresseren en frankeren van de brief acht ik principieel iets anders dan het daadwerkelijk ter verzending aanbieden van de brief. Het levert m.i. geen gedraging op die naar haar uiterlijke verschijningsvorm voldoende concreet is gericht op de voltooiing van de uitlokking van moord.
30. Tot cassatie hoeft het voorgaande echter niet te leiden. Bewezen verklaard is dat de verdachte brieven heeft
geschreven en/of ter verzending heeft aangeboden. Nu het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het ter verzending aanbieden van de eerste brief reeds een poging tot uitlokking van moord oplevert, is het noch voor de bewezenverklaring noch voor de kwalificatie van het bewezen verklaarde vereist dat de tweede brief eveneens ter verzending was aangeboden.
31. De klacht is tevergeefs voorgesteld.

Slotsom

32. Het middel faalt.
33. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro wordt overschreden. Dat hoort te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het oude artikel luidde, voor zover van belang: “
4.Zie in dat verband reeds A.J. Machielse in: Noyon/Langemeijer/Remmelink,
6.Voorheen werd t.a.v. artikel 134bis (oud) Sr bepaald dat deze bepaling niet meer aan de orde was als de bewogene tot een begin van uitvoering was gekomen, vgl. HR 8 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9440,
7.Zie
8.Vgl. voor dit voorbeeld (onder de vigeur van art. 134bis (oud) Sr): HR 8 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9440,
9.Zie daarover Noyon/Langemeijer/Remmelink,
10.HR 8 februari 1932, ECLI:NL:HR:1932:BG9440,
11.Zie wederom
13.HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388,
14.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
15.Vgl. C.L. van der Vis, ‘Poging tot een bepaald misdrijf: enkele implicaties van de accessoriteit’,
16.Die opvatting deel ik met H.D. Wolswijk, ‘Poging een ander te bewegen een misdrijf te begaan’, in: J.B.J. van der Leij (red.),
17.Zie ook Pelser en Nab, die betogen dat het aan de onderhavige zaak identieke geval, te weten het versturen van een uitlokkingsmiddel per brief, waarna die brief wordt onderschept, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm geacht mag worden gericht te zijn op het voltooien van het (grond)misdrijf. C.M. Pelser & E.A.J. Nab,