ECLI:NL:PHR:2026:581

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/02543
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor doodslag ondanks alternatief scenario en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam voor doodslag op een slachtoffer op 25 januari 2022. Het hof legde een gevangenisstraf van negen jaar op, met terbeschikkingstelling en dwangverpleging. De verdachte stelde in cassatie dat het hof het alternatieve scenario, waarbij een andere man het slachtoffer zou hebben gedood, onvoldoende had gemotiveerd verworpen.

De verdediging baseerde dit scenario op verklaringen van getuigen die een andere man met Oost-Europees uiterlijk zagen en op camerabeelden die het verblijf van een onbekende persoon in het appartementencomplex niet uitsluiten. Ook werden twijfels geuit over de betrouwbaarheid van verklaringen van de zus van de verdachte en over de communicatie tussen verdachte en slachtoffer.

Het hof oordeelde echter dat het slachtoffer in de ochtend van 25 januari 2022 werd gedood terwijl alleen de verdachte en het slachtoffer in de woning waren. Dit werd ondersteund door forensisch bewijs, camerabeelden, telefoongegevens en de melding van de zus van de verdachte dat hij had bekend iemand te hebben vermoord. De Hoge Raad vond de motivering van het hof voldoende en verwierp het middel. Wel werd de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor doodslag en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02543
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] in 1984,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 5 juli 2024 (parketnr. 23-001432-23) wegens “
doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd met een bevel tot dwangverpleging. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel ziet op de motivering van de bewezenverklaring. Het houdt in dat het hof het alternatieve scenario van de verdediging, namelijk dat een ander dan de verdachte het feit heeft gepleegd, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
De relevante delen van de processtukken
4. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:

op 25 januari 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen te steken en te snijden in de hals en borst(kas) en buik en rug van voornoemde [slachtoffer]
5. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw een pleitnota voorgedragen. In de cassatieschriftuur worden daarvan de volgende onderdelen geciteerd:

8. Cliënt stelt dat hij die bewuste dinsdagochtend 25 januari 2022 op verzoek van [slachtoffer] een persoon heeft binnengelaten die hij omschrijft als een gezette man van ongeveer 45 jaar oud die werkkleding droeg en sprak met een Oost-Europees accent. Vervolgens hoorde cliënt dat [slachtoffer] en voornoemde man over geld spraken. Op enig moment heeft deze man een mes getrokken en heeft cliënt het mes vastgepakt, waardoor cliënt zich heeft gesneden. Cliënt heeft op verzoek van [slachtoffer] zijn laptop gepakt en aan [slachtoffer] gegeven, heeft zijn handen in de badkamer gewassen, waarna hij van [slachtoffer] zijn bankpas kreeg en [slachtoffer] aan hem vroeg om naar een locatie te gaan waar hij een jongen zou ontmoeten van wie hij iets zou krijgen. Cliënt begreep dat [slachtoffer] op de [supermarkt] te [plaats] doelde en dat hij van deze persoon geld zou krijgen. Hierop heeft cliënt de woning van [slachtoffer] verlaten, terwijl [slachtoffer] met de onbekende man in de woning was. Eenmaal bij de [supermarkt] aangekomen zag cliënt de persoon niet en heeft hij nog een verkeerd persoon aangesproken, waarna hij met de trein naar [plaats] is gegaan.
(…)

Ondersteuning verklaring van cliënt

10. De verdediging constateert dat hetgeen cliënt bij de politie heeft verklaard steun vindt in de omstandigheid dat uit de camerabeelden van 25 januari 2022 van de [supermarkt] blijkt dat cliënt daadwerkelijk daar die bewuste dag is geweest en dat hij op 25 januari 2022 meerdere WhatsApp-berichten naar [slachtoffer] heeft gestuurd waarin hij aangeeft dat die jongen niet is komen opdagen en vraagt of de bouwvakker al weg is.
(...)

Alternatief scenario

15. De verdediging constateert dat de omschrijving van cliënt van de persoon met werkkleding die hij in de vroege ochtend van 25 januari 2022 in de woning van [slachtoffer] heeft gezien naadloos past bij de verklaring van [getuige 1] en zijn partner [getuige 2] .
16. [getuige 1] heeft verklaard dat zijn partner [getuige 2] had gezien dat er ‘shabby types' bij [slachtoffer] over de vloer kwamen en heeft verklaard over een gezette man met een Roemeens uiterlijk.
17. [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij een beetje een onverzorgde man van ongeveer eind 40 begin 50 jaar oud met een beetje een Oost-Europees uiterlijk met een stevig postuur had gezien. Deze man zou een klusser geweest kunnen zijn, aldus [getuige 2] .
18. Anders dan het Openbaar Ministerie is de verdediging van oordeel dat op grond van de camerabeelden van de blokken van de appartementencomplexen naast die van [slachtoffer] geenszins kan worden uitgesloten dat de onbekend gebleven bouwvakker het complex heeft betreden en verlaten. De verdediging is van oordeel dat het aanvullend onderzoek door de verbalisant naar de bewegingen van de bouwvakkers te zien op de camerabeelden van de blokken van de appartementencomplexen geen volledig en sluitend beeld geeft.
(...)
23. Bovendien merkt de verdediging naast die van [slachtoffer] op dat [slachtoffer] op donderdagavond 27 januari 2022 is aangetroffen en dat cliënt op dinsdagochtend 25 januari 2022 is vertrokken uit de woning van [slachtoffer] . Dat maakt het niet onaannemelijk dat gelet op het tussenliggende tijdsbestek iemand anders dan cliënt [slachtoffer] heeft gedood.
(...)
49. Voorts past cliënt niet in het door [getuige 1] opgegeven immers over een jongen van ongeveer signalement. [getuige 1] spreekt 25 jaar oud zonder gezichtsbeharing van ongeveer 1.87 m lang, terwijl cliënt ouder en minder lang is en zoals op de camerabeelden te zien is wel gezichtsbeharing had. Ook dit duidt op een andere mogelijke dader.
(...)
51. Bovendien heeft [getuige 1] bij de politie verklaard dat hij op de dag dat [slachtoffer] is aangetroffen, te weten: 27 januari 2022 ruzie had gehoord bij het appartement van [slachtoffer] , terwijl vaststaat dat cliënt de woning dagen eerder, namelijk op 25 januari 2022 heeft verlaten.
52. Ten aanzien van de getuigenverklaringen de verdediging van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] merkt op dat zij kennelijk moeite hebben om te duiden waar het door hen gehoorde geluid vandaan kwam. Bovendien ziet de verdediging een contra-indicatie voor betrokkenheid van cliënt in de omstandigheid dat [slachtoffer] en cliënt geen Engels met elkaar spraken. Dit vindt steun in de omstandigheid dat uit de WhatsApp-berichten tussen [slachtoffer] en cliënt blijkt dat zij Nederlandsmet elkaar spraken.
6. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken. De verdachte heeft een alternatief scenario gepresenteerd. De verdediging meent dat geenszins kan worden uitgesloten dat niet de verdachte, maar een ander persoon [slachtoffer] heeft gedood. De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de zus van de verdachte onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn, gelet op haar psychische problematiek waarvoor zij Mirtazapine slikt, een medicijn met de nodige bijwerkingen. Het is daardoor aannemelijk dat zij hetgeen de verdachte tegen haar heeft gezegd verkeerd heeft begrepen.
Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 27 januari 2022 kreeg de politie een melding binnen om naar een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] te gaan, omdat de melder al enkele dagen geen contact kreeg met de bewoner [slachtoffer] en dit zeer ongebruikelijk was. De melder was een collega van [slachtoffer] . Omstreeks 18:55 uur trof de politie het levenloze lichaam van [slachtoffer] aan, achter de voordeur van zijn appartement. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer met geweld om het leven is gebracht. Er zijn in totaal 61 steekletsels en 26 snijletsels aangetroffen aan het lichaam van het slachtoffer. De forensische bevindingen impliceren dat het slachtoffer enkele dagen voor 27 januari 2022 moet zijn overleden. Volgens de werkgever van [slachtoffer] had [slachtoffer] op 25 januari 2022 om 01:29 uur voor het laatst ingelogd
De verdachte heeft bij de politie (proces-verbaal verhoor verdachte van 10 februari 2022, F 03 50 e.v.) en op de terechtzitting in eerste aanleg (proces-verbaal van 13 april 2023, p. 2) verklaard dat hij de nacht van 24 januari op 25 januari 2022 met [slachtoffer] heeft doorgebracht in de woning van [slachtoffer] .
Omwonenden hebben verklaard dat zij op 25 januari 2022 in de ochtend opvallende geluiden hebben gehoord. [getuige 1] heeft verklaard over harde geluiden die klonken als heftige seks of alsof er iemand werd vermoord. Ook [getuige 5] beschrijft de geluiden als ‘harde sadistische seks’. [getuige 4] heeft verklaard dat zij harde geluiden en geschreeuw hoorde, gevolgd door de woorden ‘let me out’ of ‘let me go'. [getuige 4] heeft verder verklaard dat zij en haar partner echt gealarmeerd werden door de geluiden, omdat het als ruzie, bang of boos klonk. [getuige 4] was die dag jarig, waardoor zij er zeker van is dat zij op 25 januari 2022 deze geluiden heeft gehoord. De tijdstippen waarover de omwonenden verklaren lopen wat uiteen, maar alle omwonenden plaatsen de harde geluiden in de vroege ochtend van 25 januari 2022, op zijn laatst rond 08:00 uur die ochtend.
Uit onderzoek naar de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat op 25 januari 2022 om 01:46, 06:08 en 07:23 uur de telefoon van de verdachte de [a-straat] opsloeg als locatie en dat om 08:36 uur de verbinding van de telefoon met een wifi-netwerk werd verbroken, waarschijnlijk dat van de woning van het slachtoffer. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte om 08:41 uur de fietsenstalling bij het appartement van het slachtoffer verlaat.
In de woning van het slachtoffer is bloed van de verdachte aangetroffen op de vloer (in de woonkamer, tussen de keuken en de bank) en op een frisdrankblikje in de badkamer. Op dezelfde ochtend is op camerabeelden van NS-stations in [plaats] en [plaats] om 09:02 en 12:04 uur te zien dat verdachtes rechterwijsvinger rood gekleurd is. De verdachte verplaatste zich die ochtend per trein van [plaats] uiteindelijk naar [plaats] en arriveerde daar om 12:45 uur op station [plaats] . De verdachte vervolgde zijn weg naar de woning van zijn moeder aan de [b-straat] in [plaats] .
Uit politiegegevens blijkt dat de zus van de verdachte [naam] , om 13:01 uur het alarmnummer 112 heeft gebeld. In dat gesprek heeft zij kenbaar gemaakt dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord. Op camerabeelden in de lift van de woning van de moeder van de verdachte is de verdachte op 25 januari 2022 om 19:35 uur te zien met een pleister om zowel zijn rechter- als linker wijsvinger. Bij zijn aanhouding op 28 januari 2022 bleek de verdachte verwondingen te hebben aan beide handen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat excessief geweld is toegepast op het slachtoffer door hem 61 keer te steken en 26 keer te snijden, hetgeen tot harde geluiden en/of geschreeuw (in ieder geval) van het slachtoffer moet hebben geleid. Verschillende omwonenden hebben in de ochtend van 25 januari 2022 voor 08:00 uur opvallende harde geluiden gehoord, die klonken als sadistische seks en/of iemand die werd vermoord.
Het hof stelt vast op basis van de bewijsmiddelen dat op het moment waarop de opvallend harde geluiden door omwonenden zijn gehoord, de verdachte nog in de woning van het slachtoffer was.
Het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat een andere man dan de verdachte het slachtoffer moet hebben omgebracht nadat de verdachte de woning heeft verlaten, wordt derhalve weerlegd door de bewijsmiddelen en de hiervoor genoemde conclusie die het hof daaruit heeft getrokken.
Het hof overweegt verder dat valt te verwachten dat de dader bij de uitoefening van het onderhavige excessieve steek- en snijgeweld ook zelf verwondingen aan de handen heeft opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hiervan op 25 januari 2022 bij de verdachte sprake was. Niet alleen is de verdachte met een bebloede vinger naar [plaats] gereisd nadat hij de woning van het slachtoffer had verlaten, ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat er sprake was van verwondingen aan beide handen. Die dag had de verdachte in [plaats] op beide handen pleisters, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. Als contra indicatie geldt dat naast bloedsporen van het slachtoffer en de verdachte geen andere bloedsporen zijn aangetroffen in de woning.
Het hof hecht tot slot waarde aan de omstandigheid dat de zus van de verdachte zich - kort na de aankomst van de verdachte in de woning van zijn moeder - kennelijk genoodzaakt zag om 112 te bellen, met de mededeling dat haar broer tegen haar had gezegd dat hij iemand had vermoord. Het hof is van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de nadien afgelegde verklaringen niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de 112-melding als zodanig.
Het hof acht op grond van de in de bijlage bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de [slachtoffer] in de ochtend van 25 januari 2022 door middel van messteken om het leven heeft gebracht.
Een nadere omschrijving van het middel
7. De stellers van het middel wijzen erop dat de verdediging heeft aangevoerd dat het alternatieve scenario van de verdachte wordt ondersteund door verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Het verweer van de raadsvrouw houdt namelijk in dat uit hun verklaringen volgt dat het slachtoffer ten tijde van het delict gezelschap had van een Oost-Europees uitziende man wiens signalement niet overeenkomt met dat van de verdachte. Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de [getuige 1] op 27 januari 2022, de dag dat [slachtoffer] is aangetroffen, ruzie heeft gehoord bij het appartement van [slachtoffer] , terwijl vaststaat dat de verdachte de woning al op 25 januari 2022 had verlaten.
De bespreking van het middel
8. Het hof heeft uit het bewijs afgeleid dat het slachtoffer moet zijn gedood in de ochtend van 25 januari terwijl uitsluitend de verdachte en het slachtoffer in zijn woning waren, en niet nadat de verdachte was vertrokken, zoals hij zelf heeft verklaard. Tevens heeft het hof vastgesteld dat de verdachte diezelfde dag aan zijn zus vertelde dat hij iemand had gedood. Daarmee heeft het hof zijn beslissing het alternatieve scenario te verwerpen (ruim) voldoende onderbouwd, ook in het licht van wat de raadsvrouw heeft opgemerkt over de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [1]
Slotsom
9. Het middel faalt. De Hoge Raad kan het middel afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
10. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gezien.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie nog bewijsmiddel 4 in verband met de verklaring van [getuige 1] dat hij op 27 januari 2022 ruzie zou hebben gehoord bij het appartement van het slachtoffer. Dat bewijsmiddel bevat opmerkingen van de forensisch patholoog en houdt in: “