Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:522

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
25/01732
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 432 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep ontzetting uit wederrechtelijk verkregen voordeel

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 16 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een uitspraak betreffende profijtontneming. Het cassatieberoep is ingesteld binnen de wettelijke termijn en betreft dezelfde gronden als in een samenhangende strafzaak.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het middel van cassatie faalt omdat de klacht over de eisen aan de schriftuur met grieven niet slaagt. Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden die aanleiding geven tot vernietiging van het bestreden arrest.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met een samenhangende strafzaak waarin dezelfde motieven en gronden aan de orde zijn geweest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer25/01732 P
Zitting26 mei 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene
1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003345-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/00651. Dit betreft de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. [1] N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.
4. Het middel is gelijkluidend aan het middel in de samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op dezelfde, door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en dezelfde motivering van het niet-ontvankelijkheidsoordeel door het hof. [2] In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 6 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv Pro het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een betekeningsakte, waaruit blijkt dat het arrest op 2 mei 2025 aan de verdachte is betekend. Het cassatieberoep is dan ook tijdig ingesteld.
2.De onderhavige zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de samenhangende strafzaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. De door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, zijn in beide zaken echter gelijk aan elkaar.