Conclusie
1.Inleiding
PPG Holdings [1] in het licht van het fiscale neutraliteitsbeginsel recht heeft op aftrek van de voorbelasting.
PPG Holdings, omdat het volgens het Hof gaat om een andere feitelijke en juridische situatie. De in geschil zijnde kosten zijn in de onderwerpelijke zaak immers niet aan de werkgever, maar aan belanghebbende gefactureerd.
Middel 2betoogt dat geen sprake is van een handeling ter zake van verzekering omdat (a) belanghebbende geen risico overneemt van de deelnemers, (b) als niet-verzekeraar in formele zin zij slechts een handeling ter zake van verzekering zou kunnen verrichten met gebruikmaking van de diensten van een verzekeraar en (c) het Hof ten onrechte voor de uitleg van het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’ aansluiting heeft gezocht bij de nationale wetsgeschiedenis.
Middel 3betoogt dat de maatstaf van heffing wordt gevormd door enkel de opslag uitvoeringskosten, en niet door de gehele premie.
Middel 4betoogt dat belanghebbende op grond van het arrest
PPG Holdingsrecht heeft op aftrek van voorbelasting.
middel 2faalt omdat (a) het overnemen van het (volledige) risico als zodanig geen onderdeel vormt van het begrip ‘handeling ter zake van verzekering’; het gaat om de verbintenis tot het verlenen van een dienst bij het intreden van het
verzekerderisico, (b) de door het middel voorgestane rechtsregel geen steun vindt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en (c) het Hof niet de nationale wetsgeschiedenis heeft gebruikt om dat begrip uit te leggen (4.3).
middel 1concludeer ik dat van de vereiste rechtsbetrekking sprake is indien die rechtsbetrekking alle elementen van een handeling ter zake van verzekering omvat. Naar mijn mening is niet buiten redelijke twijfel of het element ‘voorafgaande betaling van een premie’ aanwezig kan zijn in een situatie als de onderhavige, waarin er wel een verplichting tot betaling van de premie bestaat maar de opbouw en uitkering van het pensioen als uitgangspunt niet juridisch afhankelijk mag zijn van het betalen van die premie in die zin dat het pensioenfonds kan weigeren aan die verplichtingen te voldoen indien geen premie is betaald. Hoewel het oordeel dat sprake is van een ‘voorafgaande betaling van een premie’ niet met zoveel woorden in cassatie wordt bestreden, meen ik dat die vraag alsnog in cassatie moet worden beoordeeld. Gezien de genoemde twijfel over de uitleg van de verzekeringsvrijstelling geef ik de Hoge Raad in overweging een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen (4.4-4.7).
middel 3hangt af van de vraag of de verzekeringsvrijstelling van toepassing is. Indien deze van toepassing is, kan het middel hoe dan ook niet tot cassatie leiden, omdat ook de ‘opslag uitvoeringskosten’ tot de vergoeding voor een vrijgestelde dienst behoort. Indien de verzekeringsvrijstelling niet van toepassing is, dient het middel mijns inziens ongegrond te worden verklaard. Anders dan het middel betoogt, kan belanghebbende wel vrij beschikken over de gehele premie en wordt de maatstaf van heffing door deze gehele premie gevormd (4.8-4.13).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
PPG Holdings [7] en het beginsel van fiscale neutraliteit faalt naar het oordeel van de Rechtbank. Het Hof van Justitie oordeelde in dat arrest dat pensioenuitvoeringskosten rechtstreeks verband hielden met de belaste ondernemingsprestaties van de werkgever en dat daarom recht bestond op aftrek van de bij die kosten in rekening gebrachte btw. Dat betekent dat, indien de werkgever enkel de pensioenadministratie zou hebben uitbesteed en daarvoor kosten zou maken waarop btw in rekening is gebracht, zij die btw in aftrek zou kunnen brengen. In de onderhavige situatie is echter de uitvoering van de pensioenovereenkomsten uitbesteed aan belanghebbende; zij is in de positie van de werkgever getreden. De pensioenuitvoering die eiseres op zich heeft genomen vormt zoals gezegd één prestatie. Er is dus sprake van wezenlijk andere feiten, zodat de fiscale neutraliteit niet wordt geschonden. Dat de werkgever het pensioen niet zelf mag uitvoeren maar moet onderbrengen bij een pensioenfonds op grond van de Pensioenwet (oud) [8] , maakt dit niet anders. Er is sprake van een andere economische en juridische situatie vanwege de andere rechtsverhoudingen, en die kunnen tot andere gevolgen voor de btw leiden. Het arrest heeft voorts geen betrekking op de duiding van de activiteiten zoals belanghebbende die uitvoert, maar op het recht op aftrek.
PPG Holdingsen beginsel van fiscale neutraliteit heeft overwogen.
3.Het geding in cassatie
PPG Holdings. Het Hof van Justitie benadrukt immers dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de juridische en fiscale afscheiding tussen pensioenfonds en werkgever niet van invloed mag zijn op het recht op aftrek van btw. Voor belanghebbende betekent dit dat haar niet wegens de juridische en fiscale afscheiding van de werkgever aftrek van omzetbelasting mag worden onthouden, voor zover het gaat om kosten die zij ten behoeve van de werkgever heeft gemaakt en aan de werkgever in rekening brengt. Het gaat erom of de kosten hun uitsluitende oorzaak vinden in de belastbare activiteiten van de werkgever.
Mapfre [15] sprake was van overname van het volledige risico, betekent niet dat dat een kenmerkende voorwaarde is van een verzekeringshandeling. Reeds het bestaan van eigen risico dan wel eigen bijdragen voor de verzekeringnemers in het verzekeringswezen illustreren overigens dat het middel op dit punt onjuist is. Aangaande de verwijzing van het Hof naar de nationale wetsgeschiedenis merkt de Staatssecretaris op dat hij de mening van belanghebbende deelt dat aan het nationale recht voor dit geschil als zodanig geen zelfstandige betekenis toekomt. Het Hof heeft dit recht echter slechts meegenomen bij de motivering van het oordeel over de aard van de prestaties van belanghebbende, hetgeen niet verboden is. Deze overweging vormt geen zelfstandige rechtsgrond.
PPG Holdingsvolgt. In die zaak ging het om de door de werkgever afgenomen prestaties waarbij de werkgever uitsluitend aftrekgerechtigde handelingen heeft verricht. In die specifieke context werd geoordeeld dat het neutraliteitsbeginsel in de weg staat aan een aftrekbeperking uitsluitend op grond van de juridische afscheiding van de pensioenverplichtingen aan de werknemers. In dit geschil staat niet ter discussie dat als belanghebbende aftrekgerechtigde handelingen verricht, zij recht op aftrek heeft. Het neutraliteitsbeginsel voert in dezen niet zo ver dat de door de werkgever verrichte belaste handelingen dienen te worden toegerekend aan belanghebbende, hetgeen in wezen ligt besloten in het middel.
4.Beoordeling van de middelen
Middelen 1 en 2
verzekerde(door contractspartijen afgebakende) risico een dienst moet worden verleend. Dat is het geval. Voortbordurend daarop concludeer ik dat voor toepassing van de vrijstelling niet relevant is of belanghebbende of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Echter, zou dat wel relevant zijn, dan ligt dat risico bij belanghebbende en niet bij de deelnemers. Het betoog van middel 2 dat, indien de dienst wordt verricht door een ondernemer die geen verzekeraar in formele zin is, voor toepassing van de vrijstelling gebruik moet worden gemaakt van de diensten van zo’n verzekeraar, vindt geen steun in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Verder miskent dat middel dat het Hof de wetsgeschiedenis bij de Pensioenwet (oud) niet aanhaalt om het Unierecht uit te leggen, maar om de onderhavige uitkeringsovereenkomst te kunnen duiden zodat het Unierecht erop kan worden toegepast.
Glawe [19] ,
Metropol Spielstätten [20] en
International Bingo Technology [21] gestoelde betoog worden gevolgd dat belanghebbende niet anderszins vrijelijk over de gehele premie kan beschikken. De door het middel aangehaalde (toelichting bij) artikelen uit de Pensioenwet (oud) ondersteunen niet het standpunt dat sprake is van een strikte segmentatie van de kostendekkende premie in die zin dat het deel dat is berekend voor de aangroei van pensioen ook niet kan worden gebruikt voor (bijvoorbeeld) dekking van de uitvoeringskosten voor zover deze niet uit de opslag kunnen worden bekostigd. Ik heb daar ook geen ander aanknopingspunt voor kunnen vinden.
PPG Holdings [24] gaat het over een groep ondernemingen die een juridisch afgezonderd pensioenfonds heeft opgericht voor haar werknemers. Een van die ondernemingen, PPG Fiber Glass, heeft met diverse dienstverleners overeenkomsten gesloten voor administratie, vermogensbeheer, controle van de jaarrekening en advisering ten behoeve van het fonds. De met de overeenkomsten gemoeide kosten zijn betaald door die dochteronderneming en niet doorberekend aan het pensioenfonds. Vooral relevant is de vraag of de aan PPG Fiber Glass in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek kon worden gebracht als onderdeel van de algemene kosten van de belastbare economische activiteit van PPG. Het Hof van Justitie overweegt dat dat recht op aftrek bestaat, omdat de belastbare activiteiten van de belastingplichtige de uitsluitende oorzaak van de afgenomen diensten vormen en dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Indien geen recht op aftrek zou bestaan, zou de neutraliteit van de btw niet gegarandeerd zijn: