Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:424

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/04620
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 420bis SrArt. 69 AWRArt. 359 lid 2 SvArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling autohandelaar voor btw-fraude, valsheid in geschrift en witwassen

De verdachte, eigenaar van een eenmanszaak in autohandel, werd door het hof veroordeeld wegens betrokkenheid bij btw-fraude, valsheid in geschrift en witwassen. Het hof stelde vast dat de verdachte vijf Mercedessen had gekocht van twee Nederlandse leveranciers die deze auto’s in Duitsland hadden ingekocht tegen lagere prijzen dan waarvoor zij aan de verdachte verkochten, wat leidde tot een prijsval. De verdachte had handgeschreven aantekeningen op voorraadlijsten gemaakt die overeenkwamen met de Duitse inkoopprijzen, wat het hof als bewijs zag dat hij wetenschap had van de fraude.

Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard deel uit te maken van een btw-fraudeketen, waarbij de valse facturen werden gebruikt om onjuiste aangiften omzetbelasting te doen. De verdachte liet in mei 2010 onjuiste aangifte doen, waardoor hij ten onrechte voorbelasting aftrok. Daarnaast werd vastgesteld dat hij het bedrag van € 207.371,00, afkomstig uit de fraude, had witgewassen via zijn bankrekening.

De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van de Duitse inkoopprijzen en dat er legale redenen konden zijn voor de prijsval, maar het hof verwierp deze verweren. Ook getuigenverklaringen die de verdachte belastten werden door het hof niet doorslaggevend geacht. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaringen en het oordeel van het hof.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor valsheid in geschrift, het opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en witwassen in een btw-fraudezaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04620

Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 17 december 2024 (parketnr. 20-002537-19) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 2 "
valsheid in geschrift", onder 3 “
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven” en onder 4 “
witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 125 uur subsidiair 62 dagen hechtenis. [1]
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat motiveringsklachten over het bewijs van alle drie bewezen verklaarde feiten.

De bewezen verklaarde feiten

4. Ter inleiding het volgende. Het gaat om een geval van btw-fraude in een keten van leveringen, waarbij in het bijzonder de vraag speelt of de verdachte welbewust aan deze fraude heeft deelgenomen. De verdachte heeft als eigenaar van zijn autobedrijf (een eenmanszaak) onder meer zaken gedaan met twee autobedrijven van [medeverdachte 1] en daarvan vijf auto’s (telkens een Mercedes) gekocht. Deze twee Nederlandse leveranciers hadden de vijf auto’s in Duitsland bij [bedrijf 2] ingekocht en vervolgens aan de verdachte verkocht voor een bedrag ex btw dat telkens
lagerwas dan de inkoopprijs die de leveranciers zelf voor die auto’s hadden betaald, doch nog wel vermeerderd met 19% btw. Met de verkoop aan de verdachte maakten de leveranciers dus verlies, wat door het hof is omschreven als een ‘prijsval’. Dat de verdachte wist van deze prijsval heeft het hof gebaseerd op handgeschreven aantekeningen op de voorraadlijst van zijn autobedrijf. Het hof stelt vast dat die aantekeningen door de verdachte zijn aangebracht. Het betreft – aldus het hof – de bedragen waarvoor de twee leveranciers de vijf auto’s in Duitsland hadden ingekocht. De facturen die betrekking hebben op de aankoop van deze auto’s zijn opgenomen in de administratie van het autobedrijf van de verdachte.
5. Het hof is ervan uitgegaan dat de inkoopfacturen in de bedrijfsadministratie van de verdachte intellectueel vals waren omdat (kort samengevat) (i) de inhoud ervan niet overeenstemt met een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer en (ii) de facturen zijn opgesteld om te gebruiken voor btw-fraude. De intellectueel valse inkoopfacturen zijn onderwerp van de onder 2 bewezen verklaarde valsheid in geschrift.
6. Verder is het hof ervan uitgegaan dat de verdachte op basis van deze valse inkoopfacturen opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan door in de maand mei 2010 de op de inkoopfacturen vermelde bedragen btw aan voorbelasting op te voeren. Daardoor heeft de verdachte minder btw betaald dan hij zonder verrekening van de voorbelasting had moeten betalen. De verdachte had deze voorbelasting niet mogen verrekenen omdat hij wist of had moeten weten dat hij (kort gezegd) onderdeel was van btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. De btw-fraude die bestaat uit het verrekenen van voorbelasting betreft het onder 3 bewezen verklaarde feit. Het bedrag aan ten onrechte verrekende voorbelasting is in de bewezenverklaring van opzettelijk onjuiste belastingaangifte niet gespecificeerd maar uit de bewijsvoering blijkt dat het gaat om het bedrag van € 207.371 waarvan het hof onder 4 het witwassen bewezen heeft verklaard.
7. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te [plaats] , in de gemeente [...] , een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [bedrijf 1] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en/of verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 3] B.V. en telkens gericht aan [bedrijf 1] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag/onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
4. hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening ( [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [bedrijf 1] ) geldbedragen in contanten op te nemen en/of laten opnemen en/of pinbetalingen te verrichten en/of te laten verrichten vanaf die bankrekening.”

De overwegingen over het (gebrek aan) bewijs

8. Ambtshalve merk ik op dat het hof de promis-bewijsmotivering heeft opgezet als een reactie op ter zitting gevoerde bewijsverweren als bedoeld in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Aan de – van verweren onafhankelijke – opbouw van een toereikende motivering van de bewezenverklaringen in de zaak tegen de verdachte, bedoeld in artikel 359 lid Pro 3, eerste volzin, Sv, heeft het hof minder aandacht besteed.
9. In hoger beroep is de verdachte onder meer vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van btw-fraude. In de betreffende vrijspraakoverwegingen doet het hof vaststellingen die voor de bewijsvoering in de voorliggende zaak onontbeerlijk zijn en die ik hieronder dan ook zal weergeven. Dat het hof heeft nagelaten in zijn arrest de voor die vaststellingen redengevende feiten en omstandigheden op te nemen onder verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die zijn ontleend, acht de steller van het middel klaarblijkelijk niet bezwaarlijk. Ook ik zal daarvan dus verder geen punt maken.
10. De vrijspraakmotiveringen luiden als volgt (in het arrest bevatten deze passages geen voetnoten):

Vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde
De verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.
Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.
In de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [bedrijf 4] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.
De directeur van [bedrijf 4] , [getuige 1] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn autobedrijf had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd.
De verdachte zou volgens [getuige 1] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [getuige 1] .
De verdachte heeft de verklaring van [getuige 1] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [bedrijf 4] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [getuige 1] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [getuige 1] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [bedrijf 4] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [getuige 1] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.
Het hof stelt vast dat getuige [getuige 1] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [bedrijf 1] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [getuige 1] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [bedrijf 2] in Duitsland en niet van [bedrijf 4] . Daarbij komt dat [getuige 2] van [bedrijf 2] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [bedrijf 2] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [getuige 2] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [getuige 1] ondersteunt.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 3] , echtgenote van [betrokkene 1] , die heeft verklaard dat [getuige 1] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.
Het voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige 1] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ‘s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.
Met betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [bedrijf 3] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.
Het hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen, komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.
Partiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW- fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.
Het hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [betrokkene 2] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [bedrijf 5] B.V. respectievelijk [bedrijf 6] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.
Met betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [bedrijf 1] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [bedrijf 2] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [bedrijf 1] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde en dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde
Nu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.
Partiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde
Aangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.
11. De bewijsmotivering is als volgt (met weglating van voetnoten):

“A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto's die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.
De verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.
Met betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.

B.1 Aanleiding onderzoek Kameleon
De Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [bedrijf 1] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [bedrijf 1] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [bedrijf 1] werden door gefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW tarief vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [bedrijf 1] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [bedrijf 1] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.
B.2 Voorraadlijsten van [bedrijf 1]
De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [betrokkene 3] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] BVBA.
Uit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [betrokkene 4] , de zoon van de verdachte, aan de [a-straat 1] te [plaats] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’. Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt' om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.
B.3 Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift
Het hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.
Aan getuige [getuige 4] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het autobedrijf van de verdachte. Getuige [getuige 4] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [betrokkene 3] ’ bij het autobedrijf waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren. Het hof stelt vast dat in plaats van [betrokkene 3] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [betrokkene 3] uitsluitend de administratie van het autobedrijf verzorgde. Voorts zijn aan de getuige [getuige 4] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05. Getuige [getuige 4] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto's die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 4] .
Het hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 4] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het autobedrijf van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.
Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.
B.4 Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s
Het hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand. In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F/0001 t/m F/7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.
Het hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [bedrijf 3] B.V. dan wel via [bedrijf 7] BVBA, afkomstig zijn van [bedrijf 2] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [bedrijf 2] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:
i. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart/zwart, bouwperiode 04/10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [0001] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld. Deze auto is afkomstig van [bedrijf 2] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer [...] (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.
ii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart/zwart, bouwperiode 03/10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [0002] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld. Deze auto is afkomstig van [bedrijf 2] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer [...] (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.
iii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit/zwart, bouwperiode 10/09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [0003] en een' vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld. Deze auto is afkomstig van [bedrijf 2] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer [...] (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.
iv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit/zwart, bouwperiode 11/09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [0004] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld. Deze auto is afkomstig van [bedrijf 2] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer [...] (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.
v. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart/zwart, bouwperiode 10/09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [0005] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld. Deze auto is afkomstig van [bedrijf 2] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer [...] (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [bedrijf 2] aan [bedrijf 7] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.
B.5 Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie
Wezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.
[bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [bedrijf 2] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [bedrijf 2] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.
De door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.
De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.
Door onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [bedrijf 3] B.V. (2 stuks) en [bedrijf 7] BVBA (3 stuks).
B.6 Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controleren
Het verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of - zoals de verdachte beweert - de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.
B.7 Onjuiste aangifte, omzetbelasting over mei 2010
Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [A] de administratie van [bedrijf 1] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [bedrijf 3] . De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.
Getuige [getuige 5] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 1] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [betrokkene 3] .
De broer van de verdachte, [betrokkene 3] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [A]. Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [betrokkene 3] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [bedrijf 3] B.V.
Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was. Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [bedrijf 3] B.V., kan naar ‘s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan.
Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.
B.8 Witwassen van een bedrag van € 207.371,00
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Het hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207,371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij - na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had - slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn. Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.
Niettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk, voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar 's hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.
Bij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [bedrijf 1] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] . Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen - en nadien elke betaling en opname daaruit - kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00. Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden. Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.
Het hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.
Gelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.”

Het middel

12. Het middel bevat uitsluitend motiveringsklachten die voortbouwen op bewijsverweren die ten overstaan van het hof zijn gevoerd. De klachten zijn (door mij gestileerd en in een andere volgorde weergegeven):
(a). Uit de bewijsmotivering blijkt niet méér dan dat de verdachte vijf auto’s heeft gekocht bij [medeverdachte 1] ; niet blijkt van verdergaande samenwerking of van enige financiële verwevenheid tussen de autobedrijven van [medeverdachte 1] en de eenmanszaak van de verdachte.
(b). Niet kan worden vastgesteld dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst de inkoopprijzen in Duitsland betreffen van de vijf door [medeverdachte 1] verworven auto’s.
(c). Er is geen bewijs dat de verdachte op de hoogte was van deze in Duitsland door [medeverdachte 1] betaalde inkoopprijzen.
(d). Niet blijkt dat de prijsval samenhangt met btw-fraude; voor een transactieverlies kunnen in het legale handelsverkeer verscheidene niet-ongebruikelijke redenen bestaan.
(e). Met het overgrote deel van de inkooptransacties tussen de verdachte en [medeverdachte 1] was niets mis; slechts in vijf van de 1475 ten laste gelegde inkoopfacturen was sprake van een “
onverklaarbare” prijsval die het hof associeert met btw-fraude.
(f). Evenmin blijkt van enige wetenschap of betrokkenheid/bemoeienis van de verdachte bij een btw-fraude met plofbedrijven.
(g). Niet blijkt dat de verdachte méér voordeel heeft behaald dan uit autohandel tegen marktconforme prijzen.
(h). Niet blijkt dat de vijf auto’s zich op enig moment daadwerkelijk in de bedrijfsvoorraad van de eenmanszaak van de verdachte hebben bevonden.
(i). Evenmin blijkt dat de verdachte daadwerkelijk betrokkenheid bij, dan wel wetenschap heeft gehad van de concrete verkoop van deze vijf auto’s.

De beoordeling van het middel

13. Over de wijze waarop is gefraudeerd valt uit het bestreden arrest op te maken dat het hof het oog heeft op een zogeheten
missing trader intra-community fraud. [2] Die fraudeconstructie werkt als volgt. Een in een lidstaat van de EU gevestigde bv (die hierna een ‘plof-bv’ wordt genoemd) koopt in een andere lidstaat van de EU grootschalig goederen in en laat zich die goederen leveren tegen het 0% btw-tarief (het ‘nultarief’) voor intracommunautaire leveringen. Vervolgens verkoopt en levert de plof-bv de goederen binnenlands in rap tempo door en brengt bij de afnemers btw in rekening. Zonder de geïnde btw af te dragen verdwijnt de plof-bv vóórdat de fiscus kan naheffen. Voor de personen die achter de plof-bv schuilgaan zit de winst in het wegsluizen van niet-afgedragen btw. Eventueel verlies op de verkoopprijs exclusief btw komt binnen de reeks van transacties de doorloopsnelheid ten goede. Het verlies wordt gecompenseerd door de btw-opslag. Het nemen van verlies op de verkoopprijs ex btw is géén wezenskenmerk van een
missing trader fraud, al kan het wel een belangrijk signaal zijn. De binnenlandse afnemers, de zogeheten
buffer traders, spelen mogelijk onder één hoedje met personen die schuilgaan achter de plof-bv, maar dat is niet noodzakelijkerwijze het geval.
14. In deze zaak heeft het hof een fraude vastgesteld die exemplarisch is voor de hiervoor omschreven handelwijze. Het hof overweegt daartoe “
dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel.” Hoewel het hof het bewijs voor deze gevolgtrekking in het bestreden arrest niet levert, ligt in zijn vrijspraak- en bewijsoverwegingen besloten dat het hof de twee autobedrijven van [medeverdachte 1] de rol van ‘plof-bv’ in een btw-fraude toedicht, met [medeverdachte 1] als de leider van een criminele organisatie. Tegen deze gevolgtrekkingen is het middel van cassatie niet gericht, zodat in cassatie daarvan kan worden uitgegaan.
15. Het verwijt dat de verdachte nu wordt gemaakt is dat hij als afnemer van auto’s “
wist of had moeten weten” van de door de leveranciers begane btw-fraude en dat hij als frauduleuze schakel in de transactieketen geen recht had op aftrek van voorbelasting. [3] In zijn vrijspraakoverwegingen schuift het hof verscheidene getuigenverklaringen waaruit het bewijs van verdachte’s bijdrage aan de fraude eventueel had kunnen worden afgeleid, terzijde, wegens gebrek aan steun voor het verklaarde. Voor het oordeel dat de verdachte van de fraude wist of had moeten weten, presenteert het hof als bewijs uitsluitend de gevolgtrekking dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de twee autobedrijven van [medeverdachte 1] bij vijf leveringen aan hem een transactieverlies (een ‘prijsval’) hebben geleden. Voor die prijsval zijn naar het oordeel van het hof geen legale redenen aannemelijk geworden, zodat “
de conclusie geen andere[kan]
zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude”. “
Zeker als door de wol geverfde autohandelaar”, kan het volgens het hof “
niet anders zijn dan” dat de verdachte “
moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden.” Daarmee heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een btw-fraudeketen, aldus het hof.
16. Uit verdachte’s bekendheid met het frauduleuze karakter van vijf transacties leidt het hof nagenoeg rechtstreeks de bestanddelen van valsheid in geschrift, het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte en het witwassen af. Het middel is niet gericht tegen deze vervolgstappen in de bewijsmotivering (hierboven door mij samengevat onder de randnummers 5 en 6), zodat ook ik die verder onbesproken zal laten.
17. In cassatie wordt (met de motiveringsklachten in randnummer 12 onder (b) en (c)) opgekomen tegen de conclusie dat de verdachte
wistdat er in vijf transacties bij de twee leveranciers (d.w.z. de autobedrijven van [medeverdachte 1] ) een prijsval is opgetreden. Deze conclusie baseert het hof op (i) de vaststelling dat het de verdachte is geweest die in de marge van een onder hem aangetroffen voorraadlijst bij de vermelding van de vijf betreffende auto’s telkens een bepaald bedrag heeft geschreven, en (ii) de vaststelling dat die bedragen de inkoopprijzen betreffen waarvoor de leveranciers (de autobedrijven van [medeverdachte 1] ) de auto’s in Duitsland hebben ingekocht.
18. De vaststelling onder (i) wordt in cassatie niet aangevochten, zodat ik van de juistheid daarvan uitga. Met andere woorden, de aantekeningen op de voorraadlijst zijn van de hand van de verdachte. De vaststelling onder (ii) wordt in cassatie daarentegen wél bestreden, namelijk met de motiveringsklacht dat niet blijkt dat de handgeschreven aantekeningen de inkoopprijzen betreffen waarvoor de leveranciers de auto’s in Duitsland hebben ingekocht. In feitelijke aanleg werd de stelling ingenomen dat het hier gaat om de bedragen waarvoor het bedrijf van de verdachte zelf de auto’s bij de leveranciers (de bedrijven van [medeverdachte 1] ) had ingekocht.
19. Ik meen dat deze klacht faalt. Het hof heeft geconstateerd dat de door de verdachte aangetekende vijf bedragen telkens exact overeenkomen met de bedragen waarvoor [bedrijf 2] in Duitsland de vijf auto’s aan de bedrijven van [medeverdachte 1] heeft gefactureerd en bovendien geconstateerd dat die prijsval steeds wordt gecompenseerd door de opslag van 19% btw. Het hof heeft m.i.
kunnenoordelen dat deze constateringen beter worden verklaard door de aanname dat het hier gaat om de bedragen waarvoor [medeverdachte 1] de auto’s in Duitsland heeft ingekocht dan door de stelling dat het gaat om bedragen waarvoor de verdachte zelf die auto’s heeft ingekocht bij [medeverdachte 1] . De overeenstemming in prijzen zou dan wel steeds zeer toevallig zijn.
20. Nu de klacht van randnummer 12 onder (b) faalt, deelt de klacht onder (c) hetzelfde lot. Aangenomen mag worden dat de verdachte wist dat er in vijf transacties bij de leveranciers (d.w.z. bij de autobedrijven van [medeverdachte 1] ) een prijsval is opgetreden.
21. Van de bewijsredenering van het hof worden in het middel twee vervolgstappen aan de orde gesteld, namelijk (1) “
de conclusie [kan] geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude”, en (2) verdachte’s wetenschap van die prijsval kan niet anders worden uitgelegd dan als de welbewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op die btw-fraude. De eerste van deze twee stappen wordt bestreden met de motiveringsklachten van randnummer 12 onder (d) en (e). Daarover het volgende.
22. Buiten de context van deze zaak zijn de argumenten onder (d) en (e) valide. Er kunnen in het handelsverkeer inderdaad verscheidene legitieme redenen bestaan waarom een ondernemer bereid is om bij bepaalde transacties een verlies te nemen, terwijl dit argument (d) uiteraard alleen maar sterker wordt wanneer de verliesgevende transacties deel uitmaken van een groot aantal soortgelijke transacties tussen dezelfde partijen waarin voor het overige géén prijsval is opgetreden.
23. Het hof heeft het argument onder (d) in zijn arrest besproken en uiteengezet dat legitieme redenen voor de onderwerpelijke prijsval niet aannemelijk zijn geworden. Dit oordeel houdt m.i. in cassatie stand. Dat is niet zozeer vanwege de overtuigingskracht van deze overweging (die acht ik namelijk zeer beperkt), maar omdat in cassatie onweersproken vaststaat dat [medeverdachte 1] en zijn plof-bv’s zich daadwerkelijk aan btw-fraude schuldig hebben gemaakt (zie randnummer 14). De kans dat de vijf onderwerpelijke transacties daarvan onderdeel zijn, is dan immens. Daarmee mag ook het argument onder (e) worden gepasseerd.
24. De tweede vervolgstap behelst het springende punt: wat wist de verdachte hiervan toen hij de transactie aanging? Hierover overwoog het hof, ik herhaal: “
Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden.
25. In deze overweging ligt m.i. als ‘s hofs oordeel besloten dat het in het handelsverkeer ongebruikelijk is dat een afnemer op de hoogte wordt gesteld van de prijzen waarvoor een leverancier zijn voorraad heeft ingekocht. Die ‘ervaringsregel’ komt mij correct voor. Normaliter schermt een ondernemer zijn marges af. De door het hof blootgelegde transparantie in de kostprijsstructuur van de inkoop in Duitsland (waarbij de verdachte weet had van de prijsval), wijst dus op een zakelijke vertrouwensrelatie c.q. een samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. In aanmerking genomen dat de btw-fraude door [medeverdachte 1] en zijn bv’s op zichzelf vaststaat, acht ik ’s hofs oordeel dat de verdachte bij deze stand van zaken welbewust de aanmerkelijke kans op deelneming aan btw-fraude heeft aanvaard, niet onbegrijpelijk. De klacht die is omschreven in randnummer 12 onder (f) faalt.
26. Op dit punt aangekomen falen ook alle overige klachten. De klacht in randnummer 12 onder (a) faalt op feitelijke gronden. Het hof ziet immers wél aanwijzingen voor samenwerking. Het voordeel voor de verdachte (zie de deelklacht van randnummer 12 onder (g)) is mogelijk gelegen in de marges die de leveranciers de verdachte gunnen door de auto’s aan hem met verlies door te verkopen; andere geldstromen hoeven er dus niet te zijn. De klachten van randnummer 12 onder (h) en (i) snijden kwesties aan die niet ter zake doen.

Slotsom

27. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de Engelstalige Wikipedia, lemma ‘Missing trader fraud’, onder het kopje ‘acquisition fraud’. Verder verwijs ik naar een briefing van het Europees Parlement, toegankelijk op:
3.Juist is dat een ondernemer geen omzetbelasting in vooraftrek kan brengen indien hem voldoende duidelijk is dat de transactie onderdeel uitmaakt van een reeks transacties waarbij omzetbelasting wordt ontdoken. Vgl. HvJ EU 18 december 2014, C-131/13, ECLI:EU:C:2455 (