Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Behoeftigheid5.20 (…) Vaststaat dat de vrouw niet beschikt over een vergunning voor verblijf in Nederland, waardoor het haar niet is toegestaan om in dit land te werken. Het ligt op de weg van de vrouw om haar verdiencapaciteit zo goed mogelijk te benutten, zo niet in Nederland, dan in Marokko. Het hof volgt de man in zijn stelling dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van (tenminste) het wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag van 8%). Het nettobedrag van het wettelijk minimumloon is niet lager dan de hiervoor becijferde netto behoefte van de vrouw. Van de vrouw kan worden verwacht dat zij in Marokko inkomsten uit arbeid zal verwerven ter hoogte van een bedrag dat – zij het gecorrigeerd voor het welstandspeil in Marokko – overeenstemt met het minimumloon, indien mocht blijken dat zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij niet volledig in haar behoefte kan voorzien, mede gelet op het verweer van de man dat de vrouw, die op dit moment 36 jaar is, hoogopgeleid is, meerdere talen (Arabisch, Frans, Engels) spreekt en voorafgaand aan het huwelijk van partijen werkervaring in Marokko heeft opgedaan, zoals ook blijkt uit het door de man (als productie 9) bij zijn verweerschrift in hoger beroep overgelegde curriculum vitae van de vrouw. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat zij vanwege gezondheidsproblemen (inflammatoire darmziekte) niet kan werken, heeft zij onvoldoende toegelicht waarom deze aandoening dat verhindert. De vrouw heeft weliswaar een uitdraai van het patiëntendossier van de huisarts en een medicatieoverzicht overgelegd, waarin is vermeld ‘inflammatoire darmziekten’ en waaruit kan worden opgemaakt dat zij medische problemen heeft gehad, maar uit deze stukken, alsmede uit de door de man overgelegde stukken met betrekking tot een op 10 juni 2022 verrichte coloscopie en een klysmakuur, is niet gebleken dat sprake is van blijvende medische klachten die maken dat zij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is. De vrouw heeft een verklaring van Stichting Home Empowerment van 28 augustus 2024 overgelegd, waarin is vermeld dat zij psychische klachten heeft overgehouden aan de relatie met de man, dat zij niet in staat is geweest om te werken en dat zij tijd nodig heeft om haar mentale gesteldheid intact te krijgen. Nu de man de inhoud van deze verklaring, die uitsluitend is opgesteld op basis van met de vrouw gevoerde gesprekken, heeft weersproken, is dit stuk alleen onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw de hiervoor genoemde verdiencapaciteit vanwege psychische klachten niet kan worden toegekend.’