Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
1. De procedure
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep dat is ingesteld door de klager, geboren in 1979, tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, die op 15 april 2025 het klaagschrift van de klager ongegrond heeft verklaard. Het klaagschrift was gericht tegen de inbeslagneming van een hond van het ras Stafford, die op 12 februari 2025 in beslag was genomen op basis van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) na meerdere bijtincidenten. De klager verzocht om opheffing van het beslag en teruggave van de hond. De rechtbank oordeelde dat de inbeslagneming rechtmatig was, omdat deze was uitgevoerd op last van de rechter-commissaris, ondanks dat de klager aanvoerde dat er geen sprake was van een heterdaadsituatie, wat volgens artikel 96 lid 1 Sv vereist is voor beslaglegging bij overtredingen.
De advocaat van de klager, J.J.J. van Rijsbergen, stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de hond rechtmatig in beslag was genomen. De rechtbank heeft echter overwogen dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen en dat er een risicoanalyse was die aangaf dat het onverantwoord was om de hond terug te geven aan de klager. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat er een strafvorderlijk belang was om het beslag te handhaven. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, concludeerde dat het cassatieberoep moest worden verworpen, omdat de inbeslagneming op basis van de beslissing van de rechter-commissaris rechtmatig was.