ECLI:NL:PHR:2025:1385

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/01647
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen inbeslagneming van een hond in het kader van artikel 94 Sv

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep dat is ingesteld door de klager, geboren in 1979, tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, die op 15 april 2025 het klaagschrift van de klager ongegrond heeft verklaard. Het klaagschrift was gericht tegen de inbeslagneming van een hond van het ras Stafford, die op 12 februari 2025 in beslag was genomen op basis van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) na meerdere bijtincidenten. De klager verzocht om opheffing van het beslag en teruggave van de hond. De rechtbank oordeelde dat de inbeslagneming rechtmatig was, omdat deze was uitgevoerd op last van de rechter-commissaris, ondanks dat de klager aanvoerde dat er geen sprake was van een heterdaadsituatie, wat volgens artikel 96 lid 1 Sv vereist is voor beslaglegging bij overtredingen.

De advocaat van de klager, J.J.J. van Rijsbergen, stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de hond rechtmatig in beslag was genomen. De rechtbank heeft echter overwogen dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen en dat er een risicoanalyse was die aangaf dat het onverantwoord was om de hond terug te geven aan de klager. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat er een strafvorderlijk belang was om het beslag te handhaven. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, concludeerde dat het cassatieberoep moest worden verworpen, omdat de inbeslagneming op basis van de beslissing van de rechter-commissaris rechtmatig was.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01647 B
Zitting16 december 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft bij beschikking van 15 april 2025 (raadkamernummer 25/005080) het klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een in beslag genomen hond, ongegrond verklaard.
1.2
Uit de stukken die zich in het dossier bevinden maak ik op dat het in deze beklagprocedure gaat om een hond van het ras Stafford. De hond is op 12 februari 2025 op de voet van art. 94 Sv onder klager in beslag genomen naar aanleiding van meerdere bijtincidenten. Namens de klager is op 24 februari 2025 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de hond aan klager. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen. Het cassatieberoep is tegen dit oordeel gericht.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, tot het oordeel is gekomen dat de hond van klager op rechtmatige wijze in beslag is genomen. Daartoe is gesteld dat niet is voldaan aan de formaliteit waaraan de inbeslagneming in het geval van een overtreding, zoals in casu het geval is bij art. 425 lid 2 Sr, moet voldoen, te weten dat er sprake moet zijn van een heterdaadsituatie. In het onderhavige geval was daarvan geen sprake zodat een opsporingsambtenaar ingevolge art. 96 lid 1 Sv niet bevoegd was tot inbeslagneming.
2.2
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 1 april 2025 houdt onder meer het volgende in (ik laat verwijzingen weg):
“De raadsvrouw voert aan:
Het beslag is gelegd op grond van artikel 425 lid 2 Sv. Kijkend naar dat artikel gaat het om een overtreding. Dat is van belang, daar artikel 96 Sv stelt dat beslaglegging bij overtredingen alleen is toegestaan als het gaat om een heterdaadsituatie. In onderhavig geval is beslag gelegd na de ontdekking op heterdaad. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het beslag niet rechtmatig is gelegd. Eenzelfde situatie deed zich voor bij de rechtbank Noord-Holland, waarna de hond is teruggegeven aan klager. Daarbij wordt opgemerkt dat de rechter daar tevens overwoog dat de beslissing tot teruggave wellicht maatschappelijk onwenselijk was, maar dat het niet aan het Openbaar Ministerie of de rechter was om dat probleem in het kader van het strafrecht op te lossen. Gelet op voorgaande wordt verzocht tot teruggave van de hond te komen. Subsidiair wordt verzocht tot teruggave van de hond aan een houder te beslissen. De zus van klager en haar man zijn bereid om voor de hond te zorgen. Klager is in het kader van deze situatie niet gehoord en wil graag een tegenonderzoek instelling.
De officier van justitie voert aan:
De raadsvrouw heeft een punt daar zij stelt dat de hond buiten heterdaad in beslag is genomen en dat niet zomaar kan nu sprake is van een overtreding. Daartoe wordt opgemerkt dat de hond in beslag is genomen op last van de rechter-commissaris. Dat heft die omissie op. Voor het overige wordt gepersisteerd bij het schriftelijke standpunt, namelijk dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Gelet op de risicoanalyse is het onverantwoord om deze hond terug te brengen in de maatschappij onder hoede van klager.”
2.3
De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

1. De procedure
(…)
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat het beslag is gelegd op grond van artikel 425, tweede lid, Sv. Kijkend naar dat artikel gaat het om een overtreding. Dat is van belang, daar artikel 96 Sv stelt dat beslaglegging bij overtredingen alleen dan is toegestaan als het gaat om een heterdaadsituatie. In dit geval is er sprake van beslaglegging buiten heterdaad. Zodoende is het beslag niet rechtmatig gelegd en wordt verzocht tot teruggave van de hond te beslissen. Subsidiair wordt verzocht de hond terug te geven aan een houder, te weten de zus van klager. Zij heeft zich bereid verklaard de zorg van de hond op zich te nemen. Klager is in het kader van deze situatie nog niet gehoord en wil graag een tegenonderzoek instellen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de hond in beslag is genomen op last van de rechter-commissaris, hetgeen de omissie opheft. Voor het overige persisteert de officier van justitie bij het eerdere standpunt, namelijk dat het beslag dient te worden gehandhaafd.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen. Uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder de risicoanalyse, maakt de rechtbank op dat het onverantwoord is dat de hond terugkeert in de maatschappij onder de hoede van klager, in de risicoanalyse wordt zelfs gesproken over een eventueel op te leggen houdverbod van honden. Door de raadsvrouw wordt subsidiair verzocht om de hond terug te geven aan een houder, waarbij de zus van klager zich bereid heeft verklaard de zorg van de hond op zich te nemen. Uit het in de risicoanalyse geformuleerde advies volgt dat alvorens herplaatsing aan de orde is, er eerst drie maanden intensieve training plaats dient te vinden. Verder blijkt niet of onvoldoende uit de brief of de zus van klager voldoet aan de eisen die in het advies worden genoemd. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend tot verbeurdverklaring van de hond zal beslissen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.”
2.4
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de inbeslagneming van de hond buiten heterdaad heeft plaatsgevonden en de verdenking een overtreding (art. 425 aanhef en onder 2º Sr) betreft, terwijl de beslagbevoegdheid van opsporingsambtenaren op grond van art. 96 lid 1 Sv bij overtredingen beperkt is tot heterdaadsituaties. De officier van justitie heeft dit op de raadkamerzitting onderkend, maar gesteld dat de hond in beslag is genomen op last van de rechter-commissaris, “hetgeen de omissie opheft”.
2.5
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft daarbij omtrent de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming overwogen ‘dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen’.
2.6
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is gebleken dat zich bij de stukken een beslissing van de rechter-commissaris van 6 februari 2025 bevindt waarin de vordering tot inbeslagneming van de hond ex art. 104 Sv van de officier van justitie uitgebreid gemotiveerd is toegewezen, zodat mag worden aangenomen dat de inbeslagneming op 12 februari 2025 met machtiging van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. [1] Dat betekent dat het middel, dat is gebaseerd op de onbevoegdheid van de opsporingsambtenaar ingevolge art. 96 lid 1 Sv een voorwerp buiten heterdaad in beslag te nemen, geen kans van slagen heeft. De rechtbank heeft op basis van de beslissing van de rechter-commissaris kunnen oordelen dat de hond op rechtmatige wijze in beslag is genomen.
2.7
Het middel faalt.

3.Conclusie

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Een afschrift van het stuk is op 4 december 2025 aan de raadsman van de klager toegestuurd. De rolraadsheer heeft een nadere termijn verleend aan de raadsman om hierop te reageren tot en met 12 december 2025. Binnen deze termijn is geen aanvullende schriftuur ingediend.