Conclusie
1.Inleiding
3.Waar het in cassatie om gaat
4.Het eerste middel
Beoordeling van de tenlastelegging
NJ2020/156 m.nt. Jörg, r.o. 2.6.2 heeft de wetgever met deze wijziging “tot uitdrukking gebracht dat voor strafbaarheid op grond van deze bepalingen vereist is dat niet alleen komt vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met het (voorwaardelijk) opzet om een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden te benadelen, maar ook – anders dan voorheen – dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.” [1] De Hoge Raad benadrukt dat geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van vóór die wetswijziging begane feiten, maar dat de wijziging onderdeel is van een aanpassing van strafbepalingen die strekt tot “stroomlijning en modernisering, en waar mogelijk vereenvoudiging”. [2] Eerdere rechtspraak over art. 343 (oud) Sr is dus nog steeds van betekenis. [3] Over het bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” houdt bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in dat dit bestanddeel uitdrukt dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Voor het bewijs van opzet is dus ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. [4] Aangenomen wordt dat dit betekent dat tevens sprake moet zijn van een aanmerkelijke kans – dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid [5] – op een faillissement. [6]
5.Het tweede middel
juni 2016een aanlag pensioenpremie kreeg opgelegd die uiteindelijk tot op heden niet door [A] B.V. is betaald.
juni 2016liepen de niet-betaalde pensioenfonds-facturen op naam van [A] BV. snel op.”
6.Het derde middel
Beoordeling van de tenlastelegging
tijdens het faillissementen voor overdracht aan de curator de administratie van [A] B.V. voor een belangrijk deel heeft gewist, te weten al het e-mailverkeer en een hoeveelheid relevante computerbestanden. Met betrekking tot de computerbestanden heeft het hof vastgesteld dat relevante bestanden met daarin “inkoopfacturen op naam van [A] B.V., urenregistratie voor diverse weken / jaren en documentatie uit het personeelsdossier van uitzendkrachten van [A] B.V.” na het maken van een back-up en voor het verstrekken van de computer aan de curator zijn verwijderd, terwijl de verdachte hiervoor geen logische verklaring heeft gegeven. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte na het faillissement administratie die wel was bewaard, heeft verwijderd en dus niet aan de curator heeft verstrekt. Daarmee doet zich niet de situatie voor dat er geen administratie was bijgehouden of dat de administratie al op een eerder moment dan het faillissement niet was bewaard. De tweede deelklacht faalt eveneens.