ECLI:NL:PHR:2025:1060

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
30 september 2025
Zaaknummer
23/02588
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissementsfraude door bestuurder van Invicta B.V. en Invicta Holding B.V. met betrekking tot schending van de redelijke termijn en bewijsvoering

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1974, als bestuurder van de rechtspersonen Invicta B.V. en Invicta Holding B.V. beschuldigd van faillissementsfraude. De verdachte is bij arrest van 30 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaat W.H. Jebbink, die vier middelen van cassatie heeft voorgesteld. De Hoge Raad heeft op 4 november 2025 uitspraak gedaan. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan. De zaak betreft onder andere de schending van de redelijke termijn en de bewijsvoering met betrekking tot de onttrekking van gelden aan de boedel van de failliete rechtspersonen. De verdachte heeft in de periode van 1 november 2018 tot en met 17 mei 2019 meerdere geldbedragen aan de boedel onttrokken, terwijl hij wist dat hierdoor schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit moet leiden tot een vermindering van de gevangenisstraf. De overige middelen van cassatie zijn verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02588
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2023 (parketnr. 21-001674-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens onder 2 “als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd enig goed aan de boedel hebben onttrokken, meermalen gepleegd”, onder 3a en 3c “in staat van faillissement zijn verklaard en voor of tijdens het faillissement opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt, meermalen gepleegd”, onder 3b “in staat van faillissement zijn verklaard en desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende een ingevolge de wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken, meermalen gepleegd” en onder 4 “als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, opzettelijk onvolledige inlichtingen geven, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

3.Waar het in cassatie om gaat

3.1
Het hof heeft kort gezegd bewezenverklaard dat de verdachte zich als bestuurder van de rechtspersonen [A] B.V. en [B] B.V. schuldig heeft gemaakt aan drie strafbare feiten gerelateerd aan het faillissement van deze rechtspersonen. Het gaat er daarbij om te beginnen om dat de verdachte als bestuurder van [B] B.V. voorafgaand aan het faillissement in totaal € 92.897,37 aan deze rechtspersoon heeft onttrokken, terwijl hij wist dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadelen (feit 2). Daarnaast heeft de verdachte blijkens de bewezenverklaring zowel voor [A] B.V. (feit 3a) als voor [B] B.V. (feit 3c) niet voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren daarvan, waardoor de afhandeling van het faillissement van deze rechtspersonen werd bemoeilijkt. Het derde feit houdt in dat de verdachte tijdens het faillissement desgevraagd opzettelijk niet terstond de administratie van beide rechtspersonen aan de curator heeft verstrekt (feit 3b). In cassatie wordt geklaagd over de bewezenverklaring van deze feiten. Middel 1 en 2 gaan over feit 2, middel 3 klaagt over feit 3b en middel 4 betreft feit 3a en 3c.
3.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.

4.Het eerste middel

4.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte in elk geval vanaf 1 november 2018 wist dat een faillissement van [B] B.V. onafwendbaar was en/of dat verdachte een geldbedrag van € 92.897,37 aan de boedel heeft onttrokken, onjuist en/of niet begrijpelijk althans niet toereikend is gemotiveerd, zodat de bewezenverklaring van de periode van 1 november 2018 tot en met 15 november 2018 en het bedrag van € 48.547,37 evenmin toereikend is gemotiveerd.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2018 tot en met 17 mei 2019 in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon [B] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel, vestiging Zwolle bij vonnis van 23 mei 2019 in staat van faillissement is verklaard, voor het faillissement, meerdere goederen, aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft hij, verdachte:
vanaf [rekeningnummer 1] op naam van [B] B.V.:
- meerdere geldbedragen van in totaal €48.547,37 contant opgenomen, en
- op of omstreeks 16 november 2018 een bedrag van € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 17 november 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 21 november 2018 een bedrag van € 4.500,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 29 november 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 5 december 2018 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 20 december 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 29 december 2018 twee bedragen van € 4.000,- en € 6.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 2 januari 2019 een bedrag van € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 3 januari 2019 drie bedragen van € 100,-, € 500,- en € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 7 januari 2019 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 23 januari 2019 twee bedragen van € 2.000,- en € 4.000,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 24 januari 2019 een bedrag van € 1.500,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 14 februari 2019 een bedrag van € 1.050,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 15 februari 2019 een bedrag van € 1.100,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 21 februari 2019 een bedrag van € 2.700,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 27 februari 2019 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] , en
- op of omstreeks 17 mei 2019 een bedrag van € 2.500,- overgeboekt naar [verdachte] ,
terwijl hij wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende (promis)bewijsvoering van het hof (met weglating van voetnoten):

Beoordeling van de tenlastelegging
[…]
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - een en ander zoals verwoord in zijn overgelegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Daartoe heeft de raadsman - kort samengevat - aangevoerd dat geen sprake is geweest van (strafbare) onttrekkingen van gelden aan de boedel van [A] B.V. en [B] B.V. en evenmin van wetenschap van benadeling van schuldeisers.
In het verlengde hiervan heeft de raadsman de tenlastegelegde contante opnamen en overboekingen bestreden en zich op het standpunt gesteld dat (ook) bedragen werden terugbetaald en dat de opnamen en overboekingen een zakelijke strekking hadden. Het enkele feit dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde bedragen werden opgenomen of overgeboekt brengt niet met zich dat deze bedragen aan de boedel van de rechtspersonen werden onttrokken en buiten bereik en beheer van de curator werden gebracht. Nu de overboekingen een zakelijke strekking hadden en de FIOD heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar de achtergrond en de grondslag van de betalingen is onduidelijk gebleven of de betalingen wellicht werden verricht ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van [A] B.V. of [B] B.V. Mogelijk ging het om verplichte betalingen of betrof het leningen met korte looptijd die spoedig weer werden terugbetaald. [A] B. V. was een goedlopende onderneming en verdachte had geen reden om te vrezen voor een faillissement van zowel [A] B.V. als [B] B.V. Verdachte heeft het faillissement van beide rechtspersonen niet voorzien. De stelling dat verdachte gelden heeft overgeboekt wetende dat daardoor schuldeisers in hun verhaalmogelijkheden werden benadeeld, is volgens de raadsman een aanname waarvoor hard en stevig bewijs ontbreekt, hetgeen eveneens moet leiden tot vrijspraak.
Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Hij heeft daarbij opgemerkt dat verdachte in de veronderstelling was dat hij aan de administratieplicht had voldaan, omdat de boekhouder in het bezit was van alle administratie en die administratie heeft overgedragen aan de curator.
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht te volstaan met een bewezenverklaring van het feit dat verdachte heeft geweigerd volledige inlichtingen te geven. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de weigering tot het verschaffen van inlichtingen voor de curator weliswaar hinderlijk was, maar dat die weigering beperkte schade heeft opgeleverd.
Oordeel van het hof
Inleidende overweging
De rechtspersonen [A] B.V. en [B] B.V. zijn beide opgericht in februari 2014 en verdachte was, bestuurder en enig aandeelhouder van [B] BV. [B] B.V. was bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. Verdachte heeft verklaard (al dan niet feitelijk) bestuurder te zijn van beide rechtspersonen. [A] B.V. dreef een goedlopend uitzendbureau in de vleesindustrie/uitbeen-branche.
Op 9 april 2019 werd [A] B.V. failliet verklaard, op verzoek van crediteur [C] B.V. Mr. [curator] werd benoemd tot curator. De curator heeft op grond van zijn bevindingen ter zake van het faillissement van [A] B.V. vervolgens het faillissement van [B] B.V. aangevraagd en op 23 mei 2019 werd ook [B] B.V. failliet verklaard.
Naar aanleiding van zijn bevindingen ontstond bij de curator het vermoeden dat sprake was van faillissementsfraude. Op 10 oktober 2019 heef hij aangifte gedaan tegen verdachte van het onttrekken van goederen aan de boedel van beide rechtspersonen en het niet voldoen aan de op hem, verdachte, rustende verplichtingen tot het overleggen van de administratie en het verstrekken van inlichtingen.
Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
[…]
Overweging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Het hof stelt voorop dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.
Feiten
In de periode van 1 november 2018 tot en met de maand april 2019 zijn vanaf de bankrekeningrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van [B] B.V. meerdere geldbedragen van in totaal € 48.547,37 gepind.
Vanaf diezelfde rekening werden in de periode van 16 november 2018 tot en met 17 mei 2019 de volgende overboekingen verricht:
November 2018
- op 16 november 2018 een bedrag van € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 17 november 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 21 november 2018 een bedrag van € 4.500,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 29 november 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
December 2018
- op 5 december 2018 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 20 december 2018 een bedrag van € 1.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 29 december 2018 twee bedragen van € 4.000,- en € 6.000,- overgeboekt naar [verdachte]
Januari 2019
- op 2 januari 2019 een bedrag van € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 3 januari 2019 drie bedragen van € 100,-, € 500,- en € 2.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 7 januari 2019 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 23 januari 2019 twee bedragen van € 2.000,- en € 4.000,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 24 januari 2019 een bedrag van € 1.500,- overgeboekt naar [verdachte] ;
Februari 2019
- op 14 februari 2019 een bedrag van € 1.050,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 15 februari 2019 een bedrag van € 1.100,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 21 februari 2019 een bedrag van € 2.700,- overgeboekt naar [verdachte] ;
- op 27 februari 2019 een bedrag van € 1.800,- overgeboekt naar [verdachte] ;
Mei 2019
- op 17 mei 2019 een bedrag van € 2.500,- overgeboekt naar [verdachte] .
Onttrekkingen aan de boedel [B] B.V.
Het hof concludeert op grond van de bankafschriften in het dossier, dat verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [B] B.V., op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2018 tot en met 17 mei 2019 in Nederland vanaf de bankrekeningrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van [B] B.V. meerdere geldbedragen van in totaal € 48.547,37 heeft gepind en meerdere geldbedragen van in totaal € 44.350,- heeft overgeboekt aan hemzelf. Verdachte heeft een geldbedrag van in totaal € 92.897,37 aan vermogen van [B] B.V, en daarmee aan de boedel onttrokken en buiten het bereik en het zicht van de curator gesteld.
Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat hij geldbedragen aan de beide ondernemingen heeft onttrokken en dat hij met die geldbedragen, welke hij zelf overmaakte op zijn privérekening, onder meer zijn gokprobleem bekostigde, waardoor hij de naheffing pensioenpremies niet kon betalen.
Wetenschap dat een of meerdere schuldeisers werden benadeeld
Verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de situatie niet zodanig ernstig was dat hij de beide rechtspersonen niet meer kon redden. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman namens verdachte betoogd dat verdachte het faillissement van [A] B.V. en dus ook [B] B.V. tot op het laatste moment niet voorzag. Zij hadden niet failliet hoeven gaan en konden nog gered worden, aldus de raadsman.
Het hof stelt voorop dat het opzetvereiste ten aanzien van de benadeling van een of meer schuldeisers ook voorwaardelijk opzet omvat. Voor het bewijs van het opzet is dus ten minste vereist dat de handelingen van verdachte de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers hebben doen ontstaan. Voorts overweegt het hof dat de gedragingen moeten hebben kunnen leiden tot benadeling van de faillissementsschuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Van benadeling is sprake indien als gevolg van de gedraging het actief van het faillissement - de failliete boedel, het onderpand van de faillissementscrediteuren - minder is dan het anders zou zijn geweest, waardoor het ontoereikend of nog meer ontoereikend is geworden om alle schuldeisers in het faillissement daaruit te betalen.
Grotendeels in overeenstemming met de rechtbank overweegt het hof het volgende.
Vanaf 2016 liepen de schulden van [A] B.V. en [B] B.V. op. Uit het faillissementsverslag van [A] B.V. komt naar voren dat de preferente schuldeisers vorderingen op de rechtspersoon hadden ter hoogte van in totaal € 284.379,- en de concurrente schuldeisers voor een totaalbedrag van € 595.755,-. In 2016 werd [A] B.V. een aanslag pensioenpremie opgelegd door het pensioenfonds [E] ( [E] ). Deze aanslag werd niet betaald en ook nadien bleven de pensioenpremies onbetaald, waardoor de schuld aan het pensioenfonds [E] steeds verder opliep. Als gevolg van het niet betalen van pensioenpremies verloor [A] B.V. in oktober 2018 haar keurmerk en inschrijving in het register van het de Stichting Normering Arbeid (hierna: SNA) Bedrijven met het SNA-keurmerk worden periodiek gecontroleerd op hun verplichtingen uit arbeid, waaronder het afdragen van pensioenpremies. Indien de gecontroleerde bedrijven voldoen aan de normen die gesteld zijn, dan worden zij opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid gevestigd te TiIburg. Voldoen gecontroleerde bedrijven niet aan de eisen, dan volgt verwijdering uit het register. Opdrachtgevers werken graag met bedrijven met een SNA-keurmerk, omdat zij dan geen risico lopen om naheffingen en boetes van Belastingdienst, Arbeidsinspectie en andere overheidsinstanties te moeten voldoen. Met het verliezen van haar keurmerk heeft [A] B.V. haar positie in de branche derhalve zeer ongunstig beïnvloed. Naast de pensioenpremies bleven ook de vennootschapsbelasting en de loonheffing onbetaald, waardoor ook de schulden bij de belastingdienst hoog opliepen. In februari 2019 bedroeg de naheffingsaanslag loonheffing € 80.362,- en in mei 2019 bedroeg de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2017 € 89.236,-.
Ondanks het oplopen van de achterstallige betalingsverplichtingen, bleef verdachte (onverminderd) grote bedragen overboeken en contant opnemen. [A] B.V. maakte sinds 2014 jaarlijks winst. [A] B.V. had uiteindelijk echter een vordering van € 2.800.000,- op [B] BV. die ontstond door diverse bankoverboekingen. [B] B.V. had voorts een vordering op verdachte in privé van ruim € 2.400.000,-, terwijl verdachte geen verhaalsmogelijkheden bood. De rekeningcourantvordering nam vanaf 2014 gemiddeld jaarlijks met bijna € 500.000 toe door overboekingen en contante opnames. Hierdoor steeg de gemiddelde rekeningcourantvordering boven de gemiddelde jaarwinst van [A] B.V. In 2018 was de rekeningcourantvordering opgelopen tot 74% van het balanstotaal.
Het hof stelt voorts vast dat op 16 november 2018 de aandelen in [D] B.V. door [B] aan onder andere [betrokkene 1] zijn verkocht en geleverd. Vanaf dat moment was er geen verdiencapaciteit meer aanwezig en was een faillissement onafwendbaar.
De verklaring van verdachtes boekhouder, [betrokkene 2] , die een administratiekantoor runt samen met zijn zoon [betrokkene 3] , houdt in dat hij vanaf 2014 de boekhouding heeft verzorgd van zowel [A] B.V. als van [B] B.V. Hij heeft verklaard dat [A] B.V. een goedlopend bedrijf was, maar dat het gedrag van verdachte veranderde in 2016. Hij betaalde de aanslagen pensioenfonds niet meer. Hij heeft verdachte er meerdere malen op gewezen dat hij de aanslagen van pensioenfonds en belastingdienst moest betalen, omdat het anders mis zou gaan. Ook de opnamen van grote contante bedragen vielen [betrokkene 2] op. Als hij verdachte daarover vragen stelde, dan kreeg hij geen uitleg en lachte verdachte de zorgen van [betrokkene 2] weg. Ook [betrokkene 3] besprak de cijfers meer dan eens met verdachte. Verdachte wist dan ook hoe de bedrijven ervoor stonden.
Op grond van het vorenstaande, is het hof van oordeel, dat het voor verdachte in ieder geval vanaf 1 november 2018 duidelijk was dat [B] B.V. na het verliezen van het SNA-keurmerk insolvent raakte en dat door te beslissen tot overdracht van de onderneming een faillissement onafwendbaar werd. Gelet op het feit dat verdachte ondanks die wetenschap de door het hof bewezenverklaarde bedragen heeft onttrokken aan de boedel van de rechtspersoon, en zodoende buiten het beheer en bereik van de curator heeft gebracht en gehouden en aldus de aanmerkelijke kans aanvaard dat die gelden niet ten goede kwamen aan de schuldeisers.
Door de verdediging is nog aangevoerd dat opnames en overboekingen mogelijk een zakelijke grondslag hadden en dat sommige bedragen mogelijk zijn terugbetaald. Het hof overweegt in dat verband dat uit de belastinggegevens kan worden afgeleid dat verdachte in 2018 en 2019 geen loon heeft ontvangen van [B] B.V. en dat uit het dossier niet van een zakelijke grondslag is gebleken, terwijl die stelling door verdachte verder ook niet is onderbouwd. In het licht van de enorme rekeningcourantschuld en het verwijt dat verdachte na 1 november 2018 is blijven doorgaan met het opnemen en overboeken van bedragen, brengt de omstandigheid dat verdachte na 1 november 2018 ook enkele bedragen op de rekening van [B] B.V. heeft gestort naar het oordeel van het hof evenmin mee dat de opnames en overboekingen van na 1 november 2018 niet als strafbare onttrekkingen kunnen worden aangemerkt.
Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”
4.4
De bewezenverklaring van feit 2 berust op art. 343 aanhef en onder 1° Sr. Deze bepaling luidt sinds 1 juli 2016:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon die wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
1° voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;”
4.5
Het bestanddeel “wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld” is de vervanging van het vroegere bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” als bedoeld in art. 343 (oud) Sr. Volgens HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128,
NJ2020/156 m.nt. Jörg, r.o. 2.6.2 heeft de wetgever met deze wijziging “tot uitdrukking gebracht dat voor strafbaarheid op grond van deze bepalingen vereist is dat niet alleen komt vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met het (voorwaardelijk) opzet om een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden te benadelen, maar ook – anders dan voorheen – dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.” [1] De Hoge Raad benadrukt dat geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van vóór die wetswijziging begane feiten, maar dat de wijziging onderdeel is van een aanpassing van strafbepalingen die strekt tot “stroomlijning en modernisering, en waar mogelijk vereenvoudiging”. [2] Eerdere rechtspraak over art. 343 (oud) Sr is dus nog steeds van betekenis. [3] Over het bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” houdt bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in dat dit bestanddeel uitdrukt dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Voor het bewijs van opzet is dus ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. [4] Aangenomen wordt dat dit betekent dat tevens sprake moet zijn van een aanmerkelijke kans – dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid [5] – op een faillissement. [6]
4.6
In de onderhavige zaak wordt in essentie geklaagd over het moment waarop de verdachte volgens het hof (voorwaardelijk) opzet had op het benadelen van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte vanaf 1 november 2018 goederen aan de boedel heeft onttrokken terwijl hij wist dat hierdoor een of meer schuldeisers werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Volgens de steller van het middel is dit onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling door het hof dat vanaf het moment dat de aandelen in [D] B.V. door [B] B.V. werden verkocht en geleverd, te weten op 16 november 2018, “er geen verdiencapaciteit meer aanwezig [was] en […] een faillissement onafwendbaar [was]”. Gelet hierop zou de bewezenverklaarde pleegperiode en het bewezenverklaarde (totaal)bedrag van € 48.547,37 ook onbegrijpelijk zijn.
4.7
Het hof heeft inderdaad vastgesteld dat een faillissement onafwendbaar werd door de beslissing tot overdracht van de onderneming op 16 november 2018. Dat betekent mijns inziens echter niet dat er vóór 16 november 2018 geen aanmerkelijke kans op een faillissement kon zijn, noch dat de verdachte zich van die kans niet bewust kon zijn of die kans niet kon hebben aanvaard.
4.8
Het oordeel van het hof dat de verdachte al op 1 november 2018 voorwaardelijk opzet had op het door zijn handelen benadelen van een of meer schuldeiseres in hun verhaalsmogelijkheden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, erop gelet dat het hof hierbij onder meer in aanmerking heeft genomen dat:
(i) de schulden van [A] B.V. en [B] B.V. vanaf 2016 opliepen;
(ii) [A] B.V. in oktober 2018 als gevolg van het niet betalen van pensioenpremies opgelegd door het pensioenfonds Vlees, Gemaksvoeding, Pluimvee- en Vleesindustrie ( [E] ) haar keurmerk en inschrijving in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA) is verloren en hierdoor haar positie in de branche zeer ongunstig heeft beïnvloed, aangezien opdrachtgevers graag werken met bedrijven met een SNA-keurmerk omdat zij dan geen risico lopen om naheffingen en boetes van de Belastingdienst, Arbeidsinspectie en andere overheidsinstanties te moeten voldoen;
(iii) naast pensioenpremies ook vennootschapsbelasting en loonheffing onbetaald bleven, waardoor ook de schulden bij de Belastingdienst hoog opliepen;
(iv) dat [A] B.V. uiteindelijk een vordering van € 2.800.000,- op [B] BV. had die ontstond door diverse bankoverboekingen en dat [B] B.V. voorts een vordering op verdachte in privé van ruim € 2.400.000,- had terwijl verdachte geen verhaalsmogelijkheden bood;
(v) de rekeningcourantvordering van [A] B.V. op [B] B.V. in 2018 was opgelopen tot 74% van het balanstotaal;
(vi) de boekhouder van de verdachte, [betrokkene 2] , de verdachte er meerdere malen op heeft gewezen dat hij de aanslagen pensioenfonds en de belastingdienst moest betalen, omdat het anders “mis zou gaan”.
4.9
Uit deze vaststellingen kon het hof genoegzaam afleiden dat op 1 november 2018 een aanmerkelijke kans bestond op een faillissement van [B] B.V., dat de verdachte zich hiervan bewust was en dat hij door desondanks gelden aan deze rechtspersoon te onttrekken hij de kans op een faillissement en op het daadwerkelijk benadelen van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden heeft aanvaard.
4.1
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel houdt in essentie in dat het hof zijn vaststelling dat “[i]n februari 2019 […] de naheffingsaanslag loonheffing € 80.362,- [bedroeg] en in mei 2019 […] de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2017 € 89.236,- [bedroeg]” niet heeft ontleend aan een wettig bewijsmiddel.
5.2
Het hof heeft in zijn (promis)bewijsoverwegingen over feit 2 onder het kopje “Wetenschap dat een of meerdere schuldeisers werden benadeeld” het volgende vastgesteld: “Naast de pensioenpremies bleven ook de vennootschapsbelasting en de loonheffing onbetaald, waardoor de schulden bij de belastingdienst hoog opliepen. In februari 2019 bedroeg de naheffingsaanslag loonheffing € 80.362,- en in mei 2019 bedroeg de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2017 € 89.236,-.” De voetnoot (nummer: 30) bij deze vaststelling houdt in: “V-001-01, opgenomen op pagina 76”. Een blik over de papieren muur leert dat dit een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 7 september 2020 betreft, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten. [7] Pagina 76 van dit proces-verbaal houdt onder meer in: [8]
“Aan de hand van gegevens uit de systemen van de Belastingdienst hebben wij een overzicht gemaakt van de nog openstaande aanslagen
Aanslagnummer Datum Aanslag Bedrag
853657981A0118830 22-2-2019 Naheffingsaanslag loonheffing € 80.362,00
853657981A0118820 24-1-2019 Naheffingsaanslag loonheffing € 36.119,00
853657981A0118810 31-12-2018 Naheffingsaanslag loonheffing € 1.331,00
853657981A0118800 29-11-2018 Naheffingsaanslag loonheffing € 1.176,00
853657981A0118790 2-11-2018 Naheffingsaanslag loonheffing € 1.402,00
853657981A0118780 4-10-2018 Naheffingsaanslag loonheffing € 48.405,00
En
Aanslag Vennootschapsbelasting (VpB) jaar 2017 bedrag € 89.236,--; dagtekening 11 mei 2019.
Deze aanslagen zijn tot op heden onbetaald gebleven.
Vraag verbalisanten:
Waarom hebt u uw schulden niet betaald aan de Belastingdienst en bleef u maar doorgaan met het gokken?
Gehoorde:
“In die periode had ik minder inkomsten. Ten tweede had ik volgens mij voldoende geld op de rekening maar de curator heeft beslag gelegd op de rekening. Jullie moeten contact opnemen met curator Ik had geen verwachting dat mijn bedrijf failliet zou gaan Ik wilde verder gaan met mijn bedrijf.
Vennootschapsbelasting zou betaald worden op 11 mei 2019. Op 9 april 2019 hebben ze mijn faillissement aangevraagd. Ik wilde ook geen faillissement aanvragen. Ik kreeg het pas te horen dat ik failliet ging van de curator toen hij voor mijn deur stond.”
Vraag verbalisanten:
Heeft u een betalingsonmacht aangevraagd? Zo ja nee waarom?
Gehoorde:
“Ik heb nooit van een betalingsonmacht gehoord ik wist niet dat zo’n regeling bestond.
Ik heb in het algemeen met mijn boekhouder overleg gevoerd en deelde hem mede dat ik met mijn schuldeisers een betalingsregeling wilde treffen. Ik heb hem gezegd dat ik mijn bedrijf weer gezond wilde maken.”
Noot verbalisanten:
Naast de aanslagen van de Belastingdienst zijn ook de aanslagen pensioenpremie aan het pensioenfonds [E] niet allen door [A] BV betaald.
Wij tonen u dat overzicht en bijbehorende facturen en zien op basis van het overzicht dat [A] B.V. al in
juni 2016een aanlag pensioenpremie kreeg opgelegd die uiteindelijk tot op heden niet door [A] B.V. is betaald.
Ook ná
juni 2016liepen de niet-betaalde pensioenfonds-facturen op naam van [A] BV. snel op.”
5.3
Hieruit blijkt dat de verbalisanten in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte mededeling hebben gedaan van feiten en omstandigheden over de schulden van de verdachte bij de Belastingdienst. De verbalisanten hebben deze feiten en omstandigheden afgeleid uit de systemen van de Belastingdienst. Het gaat dus bijvoorbeeld niet om speculatieve of vage informatie maar om gegevens die de verbalisanten zelf hebben waargenomen of ondervonden. Voorts zijn die gegevens neergelegd in een door de opsporingsambtenaren in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal waarbij duidelijk is weergegeven waaruit zij deze gegevens hebben verkregen. Daarmee heeft het hof de vaststelling waarover het middel gaat ontleend aan een “schriftelijke bescheid” en meer specifiek een “proces-verbaal van een opsporingsambtenaar” in de zin van art. 344 lid 1 aanhef en onder 2° Sv. Daaraan doet niet af dat de door de verbalisanten vastgestelde gegevens in dit geval zijn opgenomen in een proces-verbaal van verhoor van de verdachte en dat deze gegevens tijdens dit verhoor aan de verdachte zijn voorgehouden ter introductie van een vraag. Het blijft immers gaan om feiten of omstandigheden die door opsporingsambtenaren zelf zijn waargenomen of ondervonden en die als zodanig zijn gerelateerd, waarbij opmerking verdient dat art. 344 lid 1 aanhef en onder 2° Sv geen onderscheid maakt tussen soorten feiten of omstandigheden die door hen kunnen worden waargenomen of ondervonden. Het hof kon de vaststelling dus baseren op dit wettige bewijsmiddel.
5.4
Het middel faalt.

6.Het derde middel

6.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3b ten laste gelegde feit. Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste daarvan houdt in de kern in dat het bestanddeel “desgevraagd” niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. De tweede deelklacht komt erop neer dat uit de bewijsvoering slechts kan volgen dat de verdachte niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht, maar niet dat hij de afgifteplicht heeft geschonden zoals wel is bewezenverklaard.
6.2
Ten laste van de verdachte is onder 3b bewezenverklaard dat:
“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 9 april 2019 tot en met 22 oktober 2020 in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon
- [A] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel, vestiging Zwolle bij vonnis van 9 april 2019 in staat van faillissement is verklaard, tijdens het faillissement van deze rechtspersonen, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en of bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt;”
6.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende (promis)bewijsvoering van het hof (met weglating van voetnoten):

Beoordeling van de tenlastelegging
[…]
Standpunt van de verdediging
[…]
Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Hij heeft daarbij opgemerkt dat verdachte in de veronderstelling was dat hij aan de administratieplicht had voldaan, omdat de boekhouder in het bezit was van alle administratie en die administratie heeft overgedragen aan de curator.
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht te volstaan met een bewezenverklaring van het feit dat verdachte heeft geweigerd volledige inlichtingen te geven. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de weigering tot het verschaffen van inlichtingen voor de curator weliswaar hinderlijk was, maar dat die weigering beperkte schade heeft opgeleverd.
Oordeel van het hof
Inleidende overweging
[…]
Overweging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde
Grotendeels in overeenstemming met de rechtbank overweegt het hof het volgende.
Op grond van art 3:15i BW en art 2:10 BW is een ieder die een bedrijf uitoefent gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
Het hof overweegt dat uit het voorgaande volgt dat in de bedrijfsadministratie van beide betrokken rechtspersonen in elk geval behoort te zijn opgenomen: een grootboek, een kasboek, facturen, kwitanties van contante betalingen, een boedeladministratie, interne correspondentie en correspondentie met opdrachtgevers, leveranciers en klanten.
In zijn aangifte heeft de curator verklaard dat vorderingen tot een totaalwaarde van € 53.900 van zowel [A] B.V. als van [B] B.V. op schuldenaar [betrokkene 4] contant aan verdachte zouden zijn voldaan en in beide administraties contant ingeboekt, terwijl er geen onderliggende bewijsstukken zijn. Aanvullend heeft de curactor over het kasboek verklaard dat er niets klopt van het kasboek. “Het bevat uitsluitend contante betalingen van debiteuren. Niets anders. Het vertoont negatieve kassen. Het vertoont onjuiste beginstanden”. Over een kasboek van [A] B.V. over 2019 heeft de boekhouder verklaard dat deze door verdachte is aangeleverd zonder de vereiste onderliggende kasbewijzen. Over andere jaren dan 2019 is geen kasboek aangetroffen. Verdachte heeft bij de FIOD verklaard dat als deze stukken aanwezig zijn, deze dan bij zijn boekhouder hebben moeten liggen. Bij de rechter commissaris heeft hij echter toegegeven dat er alleen een kasboek was over 2019. Ook heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij iedere dag het kasboek bijhield en dat hij aan het einde van de maand keek of er wat over bleef. Hij heeft geen kwitanties uitgeschreven, alles ging mondeling. Het is de Turkse cultuur om niet alles op te schrijven maar om vertrouwen te hebben in elkaar. Niet alle grootboeken sluiten aan en sommige zijn gebrekkig bijgewerkt.
Uit het procesdossier blijkt voorts dat de e-mailbox van het [e-mailadres] volledig geschoond was. Er stond geen correspondentie meer in de e-mailbox.
Uit door de boekhouder aangeleverde informatie blijkt dat er in de jaren 2018 en 2019 tussen verdachte en zijn boekhouder middels dit emailadres is gecorrespondeerd over administratieve aangelegenheden, zoals ontslagaanvragen werknemers, openstaande rekeningen, inkoopfacturen, betalingsregelingen, aanmaningen, jaarrekening, urenlijsten werknemers. Verdachte heeft in het faillissementsverhoor verklaard dat hij ontvangen mails, inclusief e-mails met urenlijsten en facturen, steeds heeft gewist en zelf alle mappen in de e-mailbox heeft geschoond, ondanks dat verdachte wist dat er een bewaarplicht bestaat.
Conclusie ten aanzien van 3 sub a en 3 sub c
Het hof is van oordeel dat verdachte als middellijk bestuurder van [A] B.V. en onmiddellijk bestuurder van [B] B.V. in de tenlastegelegde periode voorafgaand aan de respectievelijke faillissementsdata aldus opzettelijk niet voldaan heeft aan zijn wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie. De bedrijfsadministratie van beide rechtspersonen schiet in ernstige mate tekort, waardoor de afhandeling van de faillissementen bemoeilijkt is.
De boekhouder is in het begin van 2018 op de kantoorlocatie van verdachte geweest en heeft daar meerdere computers gezien. Verdachte heeft op 11 april 2019 één PC bij de curator ingeleverd en heeft verklaard slechts één computer te hebben gebruikt.
Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Uit digitaal onderzoek is immers gebleken dat de computer deel uitmaakte van een netwerk, vanwege de koppelingen naar een andere PC (DESKTOP-7N5M1 UB) en NAS (LS220DE536) (het hof begrijpt dat NAS staat voor netwerkserver die gebruikt wordt voor de opslag van gegevens).
Een op de PC aangetroffen back-up bestand blijkt te zijn aangemaakt daags voor afgifte aan de curator, op 10 april 2019. De digitale recherche heeft de bestandsmappen “Documenten” en het Bureaublad op de aan de curator afgegeven computer van [A] B.V. vergeleken met de inhoud van deze bestandsmappen in de back-up. De back-up van 10 april 2019 bevat relevante bestanden, die zijn verwijderd van de aan de curator afgegeven computer. Dit betroffen onder andere pdf-bestanden, Excel-bestanden, en Word-documenten met daarin inkoopfacturen op naam van [A] B.V., urenregistratie voor diverse weken / jaren, en documentatie uit het personeelsdossier van uitzendkrachten van [A] B.V. Deze bestanden zijn derhalve na het maken van een back-up en voor het verstrekken van de computer aan de curator, kennelijk opzettelijk, verwijderd. Verdachte heeft hiervoor geen logische verklaring gegeven.
Conclusie ten aanzien van 3 sub b
Het hof is van oordeel dat de administratie van [A] BV tijdens het faillissement en voor overdracht aan de curator voor een belangrijk deel, te weten al het e-mailverkeer en een hoeveelheid relevante computerbestanden, is gewist. Een juiste boedelinventaris ontbrak derhalve en een reconstructie door de curator werd hierdoor ernstig gehinderd. Dit klemt temeer daar een zeer groot deel van de boedel, via de holding aan verdachte in privé was uitgeleend. Hierover heeft de curator in het duister getast. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte, door het opzettelijk wissen van informatie tijdens het faillissement, de afhandeling van het faillissement van [A] B.V. zonder meer bemoeilijkt, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.”
6.4
De bewezenverklaring is toegesneden op art. 344a lid 2 aanhef en onder 1° Sr. Deze bepaling luidt:
“Met dezelfde straf wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, indien:
1°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt;”
6.5
Het gaat in dit artikel kort gezegd om overtreding van de afgifteplicht. Deze plicht betreft het aan de curator ter beschikking stellen van de gevoerde en bewaarde administratie en ligt dus in het verlengde van de administratie- en bewaarplicht. Wanneer er geen administratie is bijgehouden of de administratie niet is bewaard, kan deze ook niet worden afgegeven aan de curator. In dat geval is geen sprake van schending van de afgifteplicht, maar van overtreding van de administratie- en/of bewaarplicht. [9]
6.6
Op grond van art. 92 Faillissementswet is het de taakplicht van de curator om de boedel, inclusief de administratie van de gefailleerde onder zich te nemen. Uit de bewijsvoering door het hof blijkt dat in deze zaak na het faillissement een curator is benoemd en dat aan deze een deel van de administratie is overgedragen. Gelet hierop ligt in die bewijsvoering besloten dat de curator de verdachte heeft gevraagd de conform de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en gegevensdragers te verstrekken. De eerste deelklacht faalt.
6.7
Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte
tijdens het faillissementen voor overdracht aan de curator de administratie van [A] B.V. voor een belangrijk deel heeft gewist, te weten al het e-mailverkeer en een hoeveelheid relevante computerbestanden. Met betrekking tot de computerbestanden heeft het hof vastgesteld dat relevante bestanden met daarin “inkoopfacturen op naam van [A] B.V., urenregistratie voor diverse weken / jaren en documentatie uit het personeelsdossier van uitzendkrachten van [A] B.V.” na het maken van een back-up en voor het verstrekken van de computer aan de curator zijn verwijderd, terwijl de verdachte hiervoor geen logische verklaring heeft gegeven. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte na het faillissement administratie die wel was bewaard, heeft verwijderd en dus niet aan de curator heeft verstrekt. Daarmee doet zich niet de situatie voor dat er geen administratie was bijgehouden of dat de administratie al op een eerder moment dan het faillissement niet was bewaard. De tweede deelklacht faalt eveneens.
6.8
Daarmee faalt het middel.

7.Het vierde middel

7.1
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 3a en 3c ten laste gelegde feiten, meer in het bijzonder de bewezenverklaring van het bestanddeel “ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt”.
7.2
Ten laste van de verdachte is onder 3a en 3c bewezenverklaard dat:
“3 sub a.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2018 tot 9 april 2019 in Nederland,
als bestuurder van de rechtspersoon
- [A] B. V, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel, vestiging Zwolle bij vonnis van 9 april 2019 in staat van faillissement is verklaard, voor het faillissement van deze rechtspersoon, opzettelijk niet heeft voldaan en heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;
[…]
3 sub c.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2018 tot 21 mei 2019 in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon
- [B] B.V, welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel, vestiging Zwolle bij vonnis van 21 mei 2019 in staat van faillissement is verklaard voor het faillissement van deze rechtspersoon opzettelijk niet heeft voldaan en heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt;”
7.3
Deze bewezenverklaring steunt op de (promis)bewijsvoering van het hof die is weergegeven onder 6.3.
7.4
De bewezenverklaring is toegesneden op art. 344a lid 2 aanhef en onder 2° Sr. Deze bepaling luidt:
“Met dezelfde straf wordt gestraft de bestuurder of commissaris van een rechtspersoon, indien:
2°. hij tijdens het faillissement van de rechtspersoon, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.”
7.5
De toevoeging “ten gevolge waarvan de afhandeling [van het faillissement] wordt bemoeilijkt” vormt een beperking van deze strafbaarstelling. De wetgever heeft met deze beperking beoogd het beschermde belang van art. 344a Sr tot uitdrukking te brengen, te weten het waarborgen van een betrouwbare basis voor de afwikkeling van het faillissement. Met het opnemen van het gevolg is ook bedoeld ruimte te bieden voor overtredingen van de administratie- en bewaarplicht die weinig tot geen schade opleveren voor de afwikkeling van het faillissement buiten beschouwing te laten. Opzet op het gevolg is niet vereist. Een “eenvoudig bericht van de curator […] dat hij wordt gehinderd in zijn werkzaamheden” volstaat. [10]
7.6
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof niet op grond van enig bericht of een andere mededeling van de curator heeft vastgesteld dat de curator is gehinderd in zijn werkzaamheden. Het hof zou slechts hebben aangenomen dat de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.
7.7
Het hof heeft vastgesteld dat de afhandeling van de faillissementen is bemoeilijkt doordat de verdachte niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof kon dit afleiden uit zijn vaststelling dat de bedrijfsadministratie van beide rechtspersonen “in ernstige mate” tekortschoot. Hieruit volgt immers dat geen sprake is van een overtreding van de administratie- en bewaarplicht die weinig tot geen schade oplevert voor de afwikkeling van het faillissement, maar dat het juist gaat om een mate van tekortschieten waarbij het niet anders kan zijn dan dat die bemoeilijking van de afhandeling heeft meegebracht. Dat de vaststelling dat sprake is van bemoeilijking in de zin van art. 344a lid 2 aanhef en onder 2° Sr kan worden gebaseerd op een eenvoudig bericht van de curator dat hij wordt gehinderd in zijn werkzaamheden, betekent niet dat zodanig bericht ook is vereist om tot die vaststelling te kunnen komen, terwijl daaruit en uit de verder onder 7.5 genoemde wetsgeschiedenis wel volgt dat aan het vaststellen van bemoeilijking geen hoge eisen worden gesteld. De bewezenverklaring is in zoverre dus toereikend gemotiveerd.
7.8
Het middel faalt.

8.Afronding

8.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
8.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 5 juli 2023 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie ook
2.HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128,
3.Zie ook
4.HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2019, r.o. 2.3, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,
5.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
6.Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,
7.Dit blijkt uit p. 88 van het proces-verbaal.
8.Onderaan p. 75 van het proces-verbaal is te lezen dat deze tekst staat onder het kopje “Noot verbalisanten”.