Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procesgang
opzettelijkvalse verklaringen heeft afgelegd over de aard van de verdenking en over de eventuele verjaring daarvan. Het hof is dan ook met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de door klaagster aangedragen feitelijkheden er niet toe kunnen leiden dat beklaagde redelijkerwijs als verdachte van meineed had moeten, kan of zou kunnen worden aangemerkt.” Het hof overweegt verder dat de beslissing van de officier van justitie om in deze zaak geen nader onderzoek te laten verrichten in stand kan blijven.
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
eventueleverjaring, omdat die stelling enkel door het hof en voor het eerst pas in de bestreden beschikking is ingenomen. Gelet op de schending van het beginsel van hoor en wederhoor zou volgens de steller van de schriftuur een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zijn gerechtvaardigd en zouden de aard, de ernst en het belang van de zaak met zich brengen dat de Hoge Raad oordeelt over het voorgestelde cassatiemiddel.