ECLI:NL:PHR:2024:958

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
22/02162
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257e lid 1, derde volzin Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in verzet tegen strafbeschikking na betaling boete

In deze zaak staat centraal de vraag of de verdachte niet-ontvankelijk verklaard mocht worden in het verzet tegen een strafbeschikking, omdat hij de opgelegde boete had betaald. Het hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat door de betaling van de boete de bevoegdheid tot het doen van verzet was komen te vervallen, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.

De advocaat van de verdachte voerde aan dat dit oordeel onjuist was, mede omdat de betaling van de boete door een bewindvoerder was gedaan terwijl de verdachte onder bewind stond. De A-G concludeert dat het oordeel van het hof onjuiste rechtsopvattingen bevat en onbegrijpelijk is in het licht van de aangevoerde omstandigheden.

De conclusie van de A-G is dat het middel van cassatie slaagt, de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02162
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 27 november 2018 onder het CJIB-nummer 7132542003429528.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02159, 22/02160, 22/02161 en 22/02163. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
2.2
Het middel slaagt om de redenen die ik daarvoor heb opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de verdachte onder het griffienummer 22/02159.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G